ECLI:NL:PHR:2001:AB1555
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over nietigheid en vergoeding bij onrechtmatige tariefstelling in gezondheidszorg
De zaak betreft de vraag of het Academisch Ziekenhuis Leiden (AZL) recht heeft op vergoeding van kosten voor de implantatie van een automatische implanteerbare cardiale defibrillator (AICD) bij een patiënt, terwijl voor deze behandeling nog geen tarief was vastgesteld door het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (COTG) volgens de Wet tarieven gezondheidszorg (WTG).
De patiënt was in 1992-1993 opgenomen en kreeg de AICD geïmplanteerd, waarbij de ziektekostenverzekeraar OZF een betalingstoezegging deed. Het AZL bracht kosten in rekening die niet waren goedgekeurd volgens de WTG, wat leidde tot een geschil over de rechtmatigheid van de tariefstelling en de betalingsverplichting.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de overeenkomst nietig was wegens strijd met artikel 2 WTG Pro, maar dat het AZL recht had op vergoeding van de waarde van de prestatie, gelijk aan het in rekening gebrachte bedrag. De Hoge Raad stelt dat het verbod van de WTG weliswaar niet het sluiten van de overeenkomst verbiedt, maar wel het in rekening brengen van niet-goedgekeurde tarieven, waardoor de overeenkomst nietig is. De vergoeding aan het AZL moet echter beperkt blijven tot het vastgestelde verpleegtarief, dat het budget weerspiegelt, om het algemeen belang van kostenbeheersing in de gezondheidszorg te waarborgen.
De Hoge Raad bevestigt dat het AZL niet verplicht was de AICD te implanteren, dat de nietigheid van de overeenkomst niet de gehele prestatie ongedaan maakt, en dat OZF als verzekeraar en niet de patiënt als ontvanger van de prestatie geldt. Ook wordt benadrukt dat het budgetstelsel en de WTG bedoeld zijn om kosten te beheersen en dat buitenbudgettaire declaraties verboden zijn. De uitspraak verduidelijkt de privaatrechtelijke gevolgen van handelen in strijd met de WTG en bevestigt de beperkte vergoeding aan zorgverleners in dergelijke situaties.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de vergoeding aan het ziekenhuis beperkt is tot het vastgestelde verpleegdagentarief en verwijst de zaak terug naar het hof.