ECLI:NL:HR:2023:176
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over bestuurdersaansprakelijkheid omzetbelasting wegens schending verdedigingsbeginsel
Belanghebbende was bestuurder van een BV die naheffingsaanslagen omzetbelasting en heffingsrente opgelegd kreeg over 2008. Deze bedragen bleven onbetaald, waarna belanghebbende als bestuurder aansprakelijk werd gesteld. Het Hof ’s-Hertogenbosch verminderde de aansprakelijkheid wegens schending van het unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat belanghebbende voorafgaand aan de beschikking niet was gehoord over een bedrag van € 60.895 aan omzetbelasting.
De Staatssecretaris stelde incidenteel cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte het gemotiveerde betoog van de Staatssecretaris negeerde dat de betreffende omzetbelasting vanwege fraude niet voor aftrek in aanmerking komt en dat het horen van belanghebbende daarom geen andere afloop had kunnen hebben.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling, waarbij het unierechtelijke verdedigingsbeginsel correct moet worden toegepast. Tevens werd bevestigd dat een aansprakelijkgestelde zich kan beroepen op aftrekbaarheid van omzetbelasting, ook als de belastingschuldige dat niet heeft gedaan.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof en verwijst zaak terug voor herbeoordeling met correcte toepassing van het unierechtelijke verdedigingsbeginsel.