Belanghebbende, een tandartspraktijk, was op 15 december 2013 ontbonden en als zodanig geregistreerd in het Handelsregister. In 2013 betaalde zij een werknemer een salaris hoger dan €150.000, waarvoor zij geen aangifte loonheffing deed voor de crisisheffing volgens artikel 32bd Wet LB. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag op.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende als inhoudingsplichtige kon worden aangemerkt voor de crisisheffing over het tijdvak maart 2014, terwijl zij op 31 maart 2014 niet meer bestond. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet inhoudingsplichtig was omdat zij op dat moment niet meer bestond en dat de uitbreiding van het begrip inhoudingsplichtige in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting buiten de delegatiebevoegdheid viel.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de wetgever niet de bevoegdheid had gegeven om via het Uitvoeringsbesluit een niet meer bestaande rechtspersoon als inhoudingsplichtige aan te merken. Ook het feit dat een houdstermaatschappij na ontbinding loon betaalde, veranderde hier niets aan. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.