Belanghebbende, een B.V. opgericht in 2000, kreeg in 2004 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd, inclusief boete en heffingsrente. Na bezwaar en beroep werd het faillissement van belanghebbende in 2005 uitgesproken en in 2006 opgeheven wegens gebrek aan baten, waarna de vennootschap ophield te bestaan. In 2019 werd de vereffening heropend en een vereffenaar benoemd. Belanghebbende verzocht de Inspecteur om alsnog uitspraak te doen op bezwaar, maar dit werd geweigerd wegens onredelijke termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond maar oordeelde dat belanghebbende geen procesbelang had omdat de belastingschuld was verjaard en de heropende vereffening slechts diende voor afwikkeling van baten. Het hof wees ook de vergoeding van immateriële schade af, stellende dat belanghebbende in de periode dat zij niet bestond geen schade kon lijden.
De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van procesbelang terecht is vastgesteld, maar dat het hof ten onrechte het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft afgewezen voor de periode na heropening van de vereffening. De redelijke termijn is met vijf maanden overschreden, en belanghebbende heeft recht op een vergoeding van € 500. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de immateriële schade betreft en veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van deze vergoeding, het griffierecht en proceskosten.