Belanghebbende was bestuurder en enig aandeelhouder van een BV die een uitzendbureau exploiteerde. Na een boekenonderzoek legde de belastingdienst een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen op voor de jaren 2004-2005. De BV betaalde deze aanslag niet, waarna belanghebbende persoonlijk aansprakelijk werd gesteld.
Het hof oordeelde dat de ontvanger niet alle stukken had overgelegd, maar verbond daaraan geen gevolgen. Het hof stelde dat de naheffingsaanslag onherroepelijk was vastgesteld en dat belanghebbende daarom geen nieuwe gronden mocht aanvoeren tegen de aansprakelijkstelling. De Hoge Raad oordeelde dat dit onjuist was, omdat artikel 49, lid 7, Invorderingswet 1990 niet verhindert dat nieuwe feiten en omstandigheden in de aansprakelijkstellingsprocedure worden ingebracht.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het ontbreken van een vooraankondiging van de aansprakelijkstelling niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep en moet het griffierecht vergoeden.