Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
wijze waaropafschriften moeten worden verschaft.
Scherffover de reikwijdte van artikel 7:4, lid 4 van de Awb het volgende geannoteerd: [32]
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd voor het parkeren zonder betaling op 27 mei 2019 in Amstelveen. Hij maakte bezwaar zonder een verzoek om te worden gehoord, maar vroeg wel om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. De heffingsambtenaar deed uitspraak op bezwaar zonder stukken toe te zenden en zonder belanghebbende te horen.
De Rechtbank en het Gerechtshof Amsterdam bevestigden de naheffingsaanslag en oordeelden dat het bestuursorgaan in de bezwaarfase alleen een passief inzagerecht moet bieden, niet verplicht is tot toezending van stukken, en dat hoorplicht alleen ontstaat op verzoek van belanghebbende. Het hof verwierp ook het betoog dat het verzoek om toezending als een verzoek om te worden gehoord moest worden opgevat.
In cassatie voerde belanghebbende vier middelen aan, onder meer over schending van artikel 7:4 Awb Pro inzake inzage en hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en de vraag of de auto op het trottoir stond. De Hoge Raad concludeert dat het inzagerecht gekoppeld is aan het hoorrecht en dat zonder verzoek om te worden gehoord geen verplichting tot toezending van stukken bestaat. Ook is het niet onredelijk dat de heffingsambtenaar direct uitspraak deed op het gemotiveerde bezwaar. Het feit dat de auto deels op het trottoir stond, leidt niet tot het verval van de naheffingsaanslag. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting blijft in stand.