Belanghebbende, een douane-expediteur, deed in 2008 aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van fietsen met een preferentieel tarief op basis van certificaten van oorsprong uit Maleisië. Later stelde OLAF vast dat de fietsen daadwerkelijk uit China kwamen en via Maleisië werden geïmporteerd om antidumpingrechten te ontduiken.
De Inspecteur stelde navorderingsuitnodigingen op voor douanerechten en antidumpingrechten. Tijdens de bezwaarfase weigerde de Inspecteur inzage te geven in bepaalde annexen van het OLAF-rapport, ondanks herhaalde verzoeken van belanghebbende. Pas in hoger beroep werden deze annexen met passages weggelakt verstrekt.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur het inzagerecht en het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging had geschonden, maar verbond hieraan geen gevolgen omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de procedure zonder deze schending een andere uitkomst had gehad. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
De Hoge Raad benadrukt dat schending van de rechten van de verdediging kan leiden tot nietigverklaring van besluiten indien aannemelijk is dat zonder de schending een andere beslissing zou zijn genomen. In deze zaak was dat niet het geval. Het incidentele beroep behoeft geen behandeling en er worden geen proceskosten toegewezen.