Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
(Hof: zaaknummer 13/00744).
(Hof: zaaknummer 13/00743).
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, handelend namens een Poolse onderneming, voerde hoger beroep tegen twee uitspraken van de rechtbank Noord-Holland waarin antidumpingrechten op siliciumzendingen werden bevestigd. De zendingen waren aangegeven met Taiwan als oorsprongsland, maar de inspecteur stelde dat de oorsprong China was, gebaseerd op gegevens van Taiwanese autoriteiten en een OLAF-onderzoek.
Het geschil betrof onder meer de vraag of een OLAF-rapport uit 2013 tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoorde, of het verdedigingsbeginsel was geschonden, de geldigheid van Verordening (EG) 398/2004, en of de inspecteur voldoende bewijs had geleverd voor de Chinese oorsprong. Ook werd betwist of de inspecteur moest afzien van navordering wegens een vermeende vergissing van de Taiwanese autoriteiten.
Het Hof oordeelde dat het OLAF-rapport van latere datum geen op de zaak betrekking hebbend stuk was en dat het verdedigingsbeginsel niet was geschonden. De geldigheid van de verordening werd bevestigd, waarbij de keuze voor Noorwegen als referentieland als redelijk werd beoordeeld. De bewijslast van de inspecteur werd geacht te zijn voldaan door de ambtelijke vaststellingen van de Taiwanese autoriteiten. Het beroep op artikel 220, lid 2, sub b, van het CDW faalde omdat de Taiwanese Kamer van Koophandel geen douaneautoriteit is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd.