Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
‘gemarkeerd of anderszins aangegeven parkeervak’. Belanghebbende is van mening dat hiervan geen sprake is. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
‘door rechte lijnen ingesloten deel van een vlak’. Echter, in artikel 1 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) is uitdrukkelijk de volgende definitie van een ‘parkeerhaven of parkeerstrook’ gegeven:
‘langs de rijbaan gelegen verharding die is bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen’. Vervolgens wordt onder ‘rijbaan’ verstaan:
‘elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden’. Gezien het feit dat er naast de rijbaan een strook is te zien die is gescheiden van de rijbaan middels een schuine, verlaagde band, waarnaast zich een door middel van een lage, smalle trottoirband afgescheiden trottoir/voetpad bevindt, kan er in onderhavig geval geen sprake zijn van het fout parkeren van het voertuig op het trottoir. Het trottoir begint immers pas naast de strook in kwestie. Vaststaat dat de plaats waar het voertuig geparkeerd stond een verhard gedeelte van de bodem betreft. De vraag rest dus of sprake is van een plaats die bestemd is voor stilstaande of geparkeerde voertuigen. Het Hof oordeelt dat hier sprake van is, nu zich op de kruising van de Professor Roerschstraat en de Professor Pieter Willemsstraat een parkeerautomaat bevindt en de strook duidelijk verdeeld is in – wat naar maatschappelijke opvattingen wordt aangemerkt als – parkeervakken.