Appellante vroeg bijstand aan na beëindiging van haar huwelijk en werd onderzocht vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige PGB-fraude waarbij haar ex-echtgenoot was veroordeeld. De gemeente Eindhoven weigerde haar aanvraag omdat zij onvoldoende informatie over haar financiële situatie verstrekte, met name over een in Turkije verkocht appartement en een betwiste buitenlandse bankrekening.
Appellante kreeg geen inzage in de strafrechtelijke stukken die het college gebruikte, wat in strijd was met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Deze schending werd echter gepasseerd omdat het college aannemelijk maakte dat appellante hierdoor niet werd benadeeld. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende concrete en verifieerbare informatie had verstrekt over haar vermogen en de besteding van de opbrengst van het appartement. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
De rechtbank had de afwijzing van de aanvraag bevestigd en de Raad volgde dit oordeel, ondanks de schending van het inzagerecht. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van volledige medewerking aan inlichtingenverplichtingen bij bijstandsaanvragen en verduidelijkt de toepassing van inzagerecht in bestuursrechtelijke procedures.