ECLI:NL:HR:2022:157
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks ontbreken mondelinge behandeling
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Delft omdat zijn auto gedeeltelijk op de stoep stond en geen parkeerbelasting was betaald. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, omdat de auto nagenoeg geheel in een parkeervak stond en daardoor parkeerbelasting verschuldigd was.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte had besloten om hem niet mondeling te horen, wat in strijd zou zijn met artikel 8:57, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht. De Hoge Raad erkende dat het hof dit inderdaad niet had moeten doen, maar oordeelde dat dit geen cassatiegrond opleverde omdat het oordeel over de naheffingsaanslag niet anders had kunnen uitvallen.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond, maar bepaalde dat belanghebbende het betaalde griffierecht vergoed moet krijgen en dat het college van burgemeester en wethouders van Delft de proceskosten van belanghebbende moet vergoeden. Hiermee werd het standpunt van het hof bevestigd, maar met een vergoeding voor de procedurekosten in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting bevestigd, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.