Conclusie
1. Inleiding en samenvatting
2. Feiten en procesverloop
3. Verkenning van de prejudiciële vragen
4. Standpunten van de indieners van de schriftelijke opmerkingen
5. Huurprijsregulering in het Nederlandse recht
6. Een of twee bedingen? (vraag 1B onder a)
7. De oneerlijkheid van dit (type) huurprijswijzigingsbeding (vraag 1A onder a en b)
8. Gevolgen van vernietiging van een oneerlijk beding (vragen 1B onder b, 2 en 5)
9. Gevolgen voor de beoordeling van de vorderingen (vragen 3 en 4)
10. Beantwoording van de prejudiciële vragen
1.Inleiding en samenvatting
en, indien wordt aangenomen dat het beding bestaat uit een indexatiebeding en een opslagbeding − en de gevolgen daarvan. De prejudiciële vragen zijn gesteld door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam in twee zaken waarin ASR betaling vordert van achterstallige huurtermijnen, vermeerderd met rente en kosten, en (aanvankelijk) ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming. De ene zaak was aanvankelijk een verstekzaak (24/00169) en de andere zaak was op tegenspraak (24/00170). In beide zaken zijn dezelfde vragen gesteld. [5] Zij kunnen naar mijn mening op dezelfde wijze worden beantwoord. De conclusies in bedie zaken zijn dan ook inhoudelijk gelijkluidend, behoudens de onmschrijvign van de feiten en het priocesverloop.
De vragen stellen voorts aan de orde of de vernietiging van het oneerlijke beding eventueel kan worden beperkt tot het opslaggedeelte (vraag 1B onder b). Volledige vernietiging van het beding heeft namelijk aanzienlijke gevolgen. In beginsel is dan alleen de aanvangshuur verschuldigd. Niet toegestane huurprijsverhogingen zijn dan onverschuldigd betaald en moeten ongedaan gemaakt worden. Verder zijn dan toekomstige huurprijsverhogingen op grond van het vernietigde beding niet mogelijk. De kantonrechter vraagt of dit inderdaad het geval is (vraag 2) en of een beperking in de tijd van het oneerlijkheidsoordeel mogelijk is (vraag 5).
De kantonrechter vraagt voorts of de rechter in een (verstek)procedure waarin de verhuurder betaling van achterstallige huur en ontbinding en ontruiming vordert, ambtshalve rekening dient te houden met een vordering van de huurder op de verhuurder uit hoofde van onverschuldigde betaling (vraag 3) en of de verhuurder zich kan beroep op verjaring en, zo ja, wanneer de verjaringstermijn aanvangt (vraag 4).
vraag 1B onder a). In deze zaak maakt deze splitsing op zichzelf niet uit voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het huurprijswijzigingsbeding, omdat het indexatiebeding aanvaardbaar is en alleen het opslagbeding op kritiek stuit. Indien echter het huurprijswijzigingsbeding niet wordt gesplitst en in zijn geheel oneerlijk wordt bevonden in verband met het opslagbeding, betekent dit dat het beding in zijn geheel nietig is. Er is in dat geval geen mogelijkheid om uitsluitend met het oog op deze nietigheid, het beding alsnog te splitsen in een eerlijk deel en een oneerlijk deel (
vraag 1B onder b).
vraag 1A onder b),
(vraag 1A onder a). De verhuurder heeft een gerechtvaardigd belang om de aanvangshuurprijs bij een huurovereenkomst voor woonruimte voor onbepaalde tijd periodiek te kunnen aanpassen. Dit blijkt ook uit de wet. Er zijn, in het algemeen gesproken, redelijke gronden voor het opslagbeding. Het opslagbeding in deze zaken is duidelijk over de vraag dat, op welk moment en hoe vaak de huurprijs kan stijgen, en over het maximale opslagpercentage. Het opslagbeding maakt niet duidelijk waarom de opslag kan worden toegepast. Daarvoor is de huurder afhankelijk van de verhuurder, terwijl de huurder meestal niet zo maar kan overstappen naar een andere verhuurder. Het oordeel dat het opslagbeding oneerlijk is, kan niet uitsluitend berusten op de omstandigheden dat een opslag bovenop het inflatiepercentage mogelijk is en dat het beding geen gronden voor de opslag vermeldt. Dit geldt namelijk ook voor de jaarlijkse huurverhogingen in de gereguleerde (‘sociale’) sector die op de wet berusten, en voor de jaarlijkse huurverhogingen in de vrije sector die vanaf 1 mei 2021 nog door de wet worden toegelaten. Het ontbreken van gronden in het opslagbeding is daarom niet doorslaggevend. Per saldo is belangrijker te weten met welk percentage de huren maximaal mogen stijgen. Hoe hoger het maximale opslagpercentage dat toegepast kan worden, hoe zwaarder dit weegt ten nadele van het opslagbeding. 3% is aanvaardbaar als wordt gekeken naar de opslagpercentages bij de jaarlijkse door de minister vastgestelde huurstijgingen in de sociale sector.
vraag 2) De Hoge Raad kan niet oordelen of een beperking in de tijd van de gevolgen van het oneerlijkheidsoordeel mogelijk is. Daarover kan alleen het Hof van Justitie van de EU beslissen. (
vraag 5)
Bij de beoordeling van de vorderingen van de verhuurder tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde dient de rechter te onderzoeken of de tekortkoming in het licht van de omstandigheden van het geval de ontbinding rechtvaardigt. Daarbij kan relevant zijn dat de huurder in het verleden op grond van toepassing van een oneerlijk huurprijswijzigingsbeding te veel heeft betaald. (
vraag 3).
Vraag 4over de verjaring behoeft geen beantwoording in deze zaak.
2.Feiten en procesverloop
1 juli 2016en vervolgens jaarlijks aangepast overeenkomstig het gestelde in 18 van de algemene bepalingen.
Zie artikel 10.2.”
3.Verkenning van de prejudiciële vragen
acte éclairé, zodat de vraag geen beantwoording behoeft omdat het antwoord niet nodig is om op de vordering te kunnen beslissen (art. 392 lid 1 Rv Pro). De vraag welke gezichtspunten van belang zijn, leent zich in haar algemeenheid niet voor beantwoording bij wege van prejudiciële beslissing (art. 392 lid 8 Rv Pro). [16] Het is echter duidelijk dat de kantonrechter de Hoge Raad vraagt om, voor zover mogelijk, richting te geven aan de feitenrechtspraak bij de beoordeling van het onderhavige beding en bedingen als het onderhavige.
De verschuldigde huurprijs op de wijzigingsdatum wordt gewijzigd met dat indexeringspercentage plus een additionele door verhuurder vast te stellen opslag van maximaal 3 % over de laatst geldende huurprijs” (rov. 6 VV). De kantonrechter overweegt dat de toepassing van de bevoegdheid die in deze bepalingen aan de verhuurder is gegeven, uitsluitend afhangt van diens willekeur respectievelijk subjectieve wil (rov. 8 resp. 9 ad II en 12 VV). Daarbij verwijst de kantonrechter naar het standpunt van ASR dat een nadere differentiatie van de kosten ondoenlijk is, de opslag ook bedoeld is voor onverwachte kosten, de opslag gelet op haar doelstellingen niet goed aan een objectieve maatstaf te koppelen is en nimmer exact de kostenontwikkelingen boven de CPI kan weergeven (rov. 12 VV).
In de praktijk belangrijker is de tijdelijke regulering (2021-2029) van huurprijswijzigingsbedingen in de geliberaliseerde sector krachtens de Wet Nijboer, en voorts vanaf 1 juli 2024 de regulering van het middensegment door de Wet betaalbare huur. Op grond van deze regelingen wordt de jaarlijkse stijging van de huurprijs op basis van een huurprijswijzigingsbeding afgetopt tot de inflatie (CPI) of cao-loonstijging plus 1% (Wet Nijboer) dan we de cao-loonstijging plus 1% (Wet betaalbare huur). Deze wetgeving veronderstelt de aanwezigheid van een geldig huurprijswijzigingsbeding (zie hierna onder 5).
Indien het huurprijswijzigingsbeding oneerlijk wordt bevonden, is de aftopping van de huurprijsstijging op grond van de Wet Nijboer of de Wet betaalbare huur bij gebreke van een geldig huurprijswijzigingsbeding niet van toepassing. De verhuurder heeft dan ook geen andere mogelijkheid om de huur aan te passen aan de algemene prijsstijgingen, omdat onder de werking van de Wet Nijboer de mogelijkheid om een redelijk voorstel tot huurverhoging te doen dat aanleiding kan geven tot opzegging (art. 7:274 lid 1 onder Pro d BW), is uitgeschakeld.
Omdat er in dit scenario een geldig indexatiebeding is, kunnen de huurprijsverhogingen op de voet van de Wet Nijboer en de Wet betaalbare huur worden toegepast. De toepassing van het indexatiebeding zelf kan overigens wijzigen, omdat op grond van deze wetgeving de huurstijging in een bepaald jaar wordt gemaximeerd op de laagste van de CPI of de cao-loonstijging (Wet Nijboer) dan wel op de cao-loonstijging (Wet betaalbare huur). Bij gebrek aan een geldig opslagbeding zal een opslag niet mogelijk zijn.
Indien alleen het opslagbeding oneerlijk wordt bevonden en wordt vernietigd, hebben in het verleden met toepassing van het opslagbeding doorgevoerde verhogingen van de huurprijs zonder rechtsgrond plaatsgevonden en moeten deze ongedaan worden gemaakt. Toekomstige huurprijswijzigingen op basis van het opslagbeding zijn dan niet mogelijk.
Rb. Rotterdam 9 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:801, rov. 3.15, acht voorstelbaar dat tussen partijen stilzwijgend [25] een nieuwe afspraak is gaan gelden wanneer zij vanaf het begin van de overeenkomst gedurende minimaal drie jaren de huur – in afwijking van de overeenkomst – hebben verhoogd volgens telkens dezelfde systematiek.
In verband met een incassokostenbeding heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam overwogen dat de huurder op grond van goed huurderschap gehouden kan zijn een daartoe strekkend aanbod van de verhuurder te aanvaarden. [26] In de context van de Richtlijn oneerlijke bedingen is dit onbekend terrein.
Kinderopvangzaakheeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechtspraak van het HvJEU die de rechter verbiedt terug te vallen op zijn ‘aanvullende nationale recht’, geen aanleiding geeft hierover anders te oordelen als het gaat om een nationaalrechtelijke regel die ten aanzien van de minimaal vereiste bescherming van de consument van dwingend recht is. De rechter is ook in dat geval niet bevoegd om een overeenkomst waarin een oneerlijk beding buiten toepassing is gelaten, aan te vullen door die regel in de plaats te stellen van het oneerlijke beding. [31]
De rechtspraak van het HvJEU en van de Hoge Raad over het niet mogen terugvallen op nationaal recht, verzet zich niet tegen de mogelijkheid om bij krachteloosheid van het beding terug te vallen op de regeling van de art. 7:252 e.v. BW. De art. 7:248, 7:250 en 7:252 e.v. BW zijn van dwingend recht (zie art. 7:265 BW Pro en art. 50 UHW Pro). De rechtspraak van het HvJEU ziet niet op dwingend recht. Het betreft verder geen dwingend recht van het type als waarop de
Kinderopvang-uitspraak van de Hoge Raad ziet, te weten een nationaalrechtelijke regel die ten aanzien van de minimaal vereiste bescherming van de consument van dwingend recht is. [33] De regels van het huurprijzenrecht strekken namelijk voor een groot deel niet slechts tot bescherming van de huurder, maar spelen ook een rol ter beperking van de uitgaven van de overheid in verband met de huurtoeslagen. [34] Bovendien is woonruimtehuurprijzenrecht in het algemeen voorwerp van overheidszorg (zie hierna in 5.2).
Ten aanzien van de afdoening van vorderingen van de verhuurder tot nakoming en ontbinding zal blijken dat de nationale rechter overigens in beginsel – binnen de Unierechtelijke randvoorwaarden van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid – kan varen op wat daarover in zijn nationale recht is bepaald (zie hierna onder 9).
4.Standpunten van de indieners van de schriftelijke opmerkingen
RWE Vertrieb,
Invitelen
Euriborhypothekenten onrechte als absolute vereisten in de omstandighedentoets (SO nrs. 83-85).
Invitelen
RWE Vertriebvan het HvJEU leiden niet tot oneerlijkheid van het verhogingsbeding, omdat (i) uit het
Invitel-arrest en het
RWE Vertrieb-arrest geen (harde) criteria, maar (zachte) gezichtspunten volgen, (ii) de onderhavige materie onvergelijkbaar is met de (enigszins casuïstische) situaties die aan de orde waren in het
Invitel-arrest en het
RWE Vertrieb-arrest en (iii) ook toepassing van deze gezichtspunten tot het oordeel leidt dat het verhogingsbeding eerlijk moet worden geacht (SO nrs. 207-234). Deze gezichtspunten zijn geschreven voor twee specifieke situaties en in het bijzonder voor open, ongeclausuleerde wijzigingsbedingen (SO nr. 221). De geldige reden voor het beding is van algemene bekendheid (SO nr. 224). Het staat een huurder altijd vrij de huurovereenkomst kosteloos en zonder opgaaf van redenen te beëindigen. Uit de Blauwe Lijst bij de Richtlijn blijkt niet dat een contractuele opzeggingsbevoegdheid moet worden geïntroduceerd (SO nr. 227). Daarbij moet de huurmarkt in heel Nederland in acht worden genomen (SO nr. 232). Huurmarktrisico’s kunnen niet volledig worden afgewenteld op de verhuurder, aangezien deze bij een krappe(re) huurmarkt plotseling geconfronteerd zou kunnen worden met de vernietiging van het verhogingsbeding, terwijl het verhogingsbeding onder andere huurmarktomstandigheden wél eerlijk zou zijn. Dat zou weinig rechtszekerheid bieden (SO nr. 232). Van een louter formeel opzeggingsrecht is bovendien geen sprake, nu ook in Amsterdam op dagelijkse basis nog vele huurdersmutaties plaatsvinden (SO nr. 233).
Woonbondwijst op het bestaan van een ernstig woningtekort in Nederland en de als gevolg daarvan explosief gestegen huren in de vrije sector (SO nr. 5). Betaalbaar kunnen wonen is een grondrecht. De huurverhoging in met name de vrije sector werkt door in de levens van huurders voor wie de woning de basis vormt van een gezond leven. Huren is in de periode tussen 2015-2021 heel veel duurder geworden. Huurders huren vaak tegen wil en dank in de vrije sector omdat kopen onbereikbaar is en de sociale huurmarkt als gevolg van een strikte inkomensgrens voor deze groep op slot is gezet. De Woonbond ontvangt geregeld signalen van huurders in de vrije sector die door de huur in de knel komen of vrezen voor hun financiële toekomst (SO nrs. 11, 13-14).
HVJava onderschrijf het standpunt van de Woonbond ter zake van de terugbetalingsverplichting (SO nrs. 32-33).
5.Huurprijsregulering in het Nederlandse recht
Het Nederlandse stelsel maakt sinds 1994 (en voor sommige woningen 1989) [38] een onderscheid tussen de gereguleerde (of sociale) sector en de geliberaliseerde (of vrije) sector. Het onderscheid wordt, kort gezegd, [39] bepaald door de aanvangshuur. Bij een ‘lage’ huur van minder dan de liberalisatiegrens van (per 1 januari 2024 € 879,66) valt een zelfstandige woning in de gereguleerde sector. [40] Aan deze liberalisering lag de overweging ten grondslag, dat met het afnemen van woningschaarste in dit segment de noodzaak van beschermende bepalingen voor dergelijke woningen langzamerhand was weggevallen en dat de woningmarkt een belangrijker rol kon krijgen bij de bepaling en aanpassing van de huurprijzen ervan. [41] Thans beweegt de slinger de andere kan op. De Wet Nijboer reguleert de maximale hoogte van de jaarlijkse huurprijsaanpassing. Invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 brengt een splitsing aan in de huidige geliberaliseerde vrije sector tussen woningen met een ‘middelhoge’ huur tot, kort gezegd, € 1157,95 en woningen met een ‘hoge’ huur boven dit bedrag en reguleert voor het ‘middensegment’ de aanvangshuurprijs en de jaarlijkse huurprijsaanpassing.
Indien een huurprijsverhogingsbeding is afgesproken, kan geen beroep worden gedaan op de wettelijke verhogingsregeling omdat dit tot te veel onzekerheid voor de huurder zou leiden. [44] In die zin heeft een huurprijsverhogingsbeding voorrang boven de wettelijke verhogingsregeling. Opzegging op de grond dat de huurder niet heeft ingestemd met een redelijk voorstel tot huurverhoging, is niet mogelijk (art. 7:274 lid 1 onder Pro d BW; dit gold in de gereguleerde sector ook voor 1 mei 2021).
Een incidentele verhoging van de huurprijs is mogelijk wanneer de verhuurder verbeteringen als bedoeld in art. 7:255 BW Pro aan het gehuurde heeft aangebracht. Ik richt mij verder op de periodieke verhoging.
Stb.2020, 547) voorzag in een eenmalige huurverlaging voor huurders met een lager inkomen in 2021 (zie art. 54a Woningwet).
(i) Volgens de wet- en regelgeving in de gereguleerde sector kunnen de huurprijzen jaarlijks stijgen.
(ii) De wet accepteert een huurverhogingsbeding als alternatief voor (en met voorrang boven) een procedure waarbij steeds een voorstel voor huurprijsaanpassing door de verhuurder wordt gedaan.
(iii) De jaarlijkse stijging wordt bepaald aan de hand van een index met eventueel een opslag.
(iv) Daarbij wordt rekening gehouden met (a) inkomen, (b) de geldende huurprijs en (c) of de woonruimte een zelfstandige woonruimte vormt (art. 10 lid 2 UHW Pro), en voorts met beleidsdoelen zoals betaalbaarheid.
(v) Voor de index werd veelal aangesloten bij de inflatie. In meer recente jaren is met het oog op de betaalbaarheid van de huren gekozen voor de stijging van de cao-lonen, omdat deze minder schokgevoelig is en de ontwikkelingen van de huren daarmee, in het algemeen, beter aansluit bij de inkomensontwikkeling.
(vi) Omdat de opslag niet vaststaat, is ex ante onzeker hoe hoog de stijging kan uitvallen.
(v) De toegelaten percentages zijn maximumpercentages.
(vii) De wet verbiedt niet als zodanig een huurverhogingsbeding dat leidt tot een hogere huurprijsstijging dan voor een bepaald jaar is toegestaan, maar beperkt de werking van een dergelijk beding tot het toegestane percentage.
(viii) In de corporatiessector kunnen in de praktijk afwijkende percentages gelden in verband met de huursombenadering en beleidsafspraken.
Wet Nijboeris een tijdelijke – aanvankelijk van 2021 tot 2024, thans tot 1 mei 2029 – regulering van de huurprijsstijging ingevoerd in lijn met het stelsel in de gereguleerde sector. Dit betekent dat de jaarlijkse maximale huurprijsstijging (wettelijk) is gereguleerd (art. 7:248 lid 3 BW Pro) en dat de huurder zich tot de huurcommissie kan wenden indien de verhuurder een te hoog voorstel doet (art. 7:248 lid 4 BW Pro).
Om te voorkomen dat de jaarlijkse maximale huurverhoging zou kunnen worden doorkruist door een voorstel als bedoeld in art. 7:274 lid 1 onder Pro d BW, is deze bepaling ook voor de geliberaliseerde sector uitgeschakeld voor zover het gaat om een voorstel tot huurverhoging. [60] Ten slotte is art. 7:255a BW ingevoerd om (analoog aan art. 7:255 BW Pro in de gereguleerde sector) een incidentele verhoging van de huurprijs mogelijk te maken wanneer de verhuurder de in art. 7:255a BW bedoelde verbeteringen aan het gehuurde heeft aangebracht. Ik richt mij verder op de periodieke verhoging.
De Wet Nijboer is ook van toepassing op bedingen die vóór 1 mei 2021 zijn overeengekomen (art. 208ea Overgangswet NBW).
.Een regulering die zittende huurders beschermd tegen plotselinge prijsstijgingen, zorgt voor een meer gematigde ontwikkeling van de huurprijs naar het evenwicht op de lange termijn. Bovendien wordt hiermee een betere balans aangebracht tussen die risico’s die huurders en verhuurders dragen.”
De leden van de PVV-fractie vroegen hoe het wetsvoorstel maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten zich verhoudt tot de lopende zaak over onterechte huurverhogingen waarover de rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen heeft gesteld.
Wet betaalbare huurvoorziet erin dat de bestaande huurprijsbescherming op basis van het woningwaarderingsstelsel voor het ‘lage’ huursegment wordt uitgebreid naar het ‘middensegment’ (huren tot, kort gezegd, thans € 1157,95). [77] Voorts wordt de huurprijsbescherming op basis van het door deze wet aangepaste WWS dwingend voorgeschreven en zullen ook gemeenten dit kunnen handhaven. [78]
(i) Volgens de wet- en regelgeving in de geliberaliseerde sector kunnen de huurprijzen jaarlijks stijgen.
(ii) Daarvoor is nodig dat partijen een huurprijswijzigings(verhogings)beding hebben afgesproken. De wet accepteert op zichzelf een dergelijk beding.
(iii) De jaarlijkse stijging wordt sinds 2021 door de Wet Nijboer en sinds 2024 ook door de Wet betaalbare huur gereguleerd aan de hand van een index met een opslag. De index is de laagste van CPI plus 1% of cao plus 1% (Wet Nijboer) dan wel cao plus 1% (Wet betaalbare huur). De regulering is ingegeven door zorgen over de betaalbaarheid van huren in de geliberaliseerde sector.
(iii) De opslag staat vast (plus 1%). De wet formuleert geen gronden waarop de opslag is gebaseerd.
(iv) De door de wet toegelaten percentages zijn maximumpercentages.
(vi) Art. 7:248 lid 3 BW Pro verbiedt niet als zodanig een huurverhogingsbeding dat leidt tot een hogere huurprijsstijging dat voor een bepaald jaar is toegestaan, maar beperkt de werking van een dergelijk beding tot het toegestane percentage.
6.Een of twee bedingen? (vraag 1B onder a)
Provident Polska):
contractuele verplichting die losstaat van de andere bedingen en waarvan het oneerlijke karakter apart kan worden getoetst(zie in die zin arrest van 29 april 2021, Bank BPH, C‑19/20, EU:C:2021:341, punt 71), aangezien de bepaling die voorziet in een dergelijke verplichting kan worden geacht los te staan van de andere bepalingen van het betrokken beding.
Dit geldt ook voor de verschillende bepalingen van een en hetzelfde beding, voor zover de kern van dit beding niet wordt aangetast als een oneerlijke bepaling wordt geschrapt.
Banco Santander en Escobedo Cortésoverwoog het HvJEU dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen een vertragingsrentebeding en een beding over de gewone rente. De vertragingsrente heeft tot doel om de niet-nakoming door de schuldenaar van de verplichting om de lening binnen contractueel overeengekomen termijnen terug te betalen, te bestraffen, de schuldenaar aan te sporen om geen vertraging op te lopen bij het nakomen van zijn verplichtingen en in voorkomend geval de schade te vergoeden die de kredietgever heeft geleden door de betalingsachterstand. De gewone rente daarentegen strekt tot vergoeding voor de terbeschikkingstelling van een geldsom door de kredietgever, totdat die geldsom is terugbetaald. Dit is niet alleen zo als de vertragingsrente onafhankelijk van de gewone rente wordt bepaald in een afzonderlijk beding, maar ook als de vertragingsrente een verhoging van de gewone rente met een aantal procentpunten is. [91]
Provident Polskabetrof een bepaling in een kredietovereenkomst waarin was bepaald dat de verschuldigde bedragen gedurende de aflossing van de 90 wekelijkse termijnen uitsluitend in contanten betaald worden via een adviseur van de kredietgever tijdens diens bezoek aan de woonplaats van de kredietnemer. Het HvJEU overwoog dat een bepaling waarin concreet is vastgesteld hoe de consument zijn betalingsverplichting moet nakomen (namelijk door contante betaling), een contractuele verplichting inhoudt die losstaat van de andere bepalingen van één enkel uniek beding en dat die bepaling over de betalingsverplichting accessoir is ten opzichte van de delen van de overeenkomst die beslissend zijn voor de kern van dat beding, zoals die waarin is vastgelegd hoeveel er betaald moet worden en binnen welke termijnen. Het schrappen van deze bepaling blijkt bovendien de kern van het betrokken beding niet te kunnen aantasten, aangezien de consument zijn aflossingsverplichting nog steeds overeenkomstig de andere in dat beding gestelde voorwaarden moet nakomen, waarbij hij de keuze heeft uit elke betalingswijze die op grond van het nationale recht toelaatbaar is. [92]
In de praktijk wordt bij de aanzegging van de jaarlijkse huurverhoging geen onderscheid gemaakt tussen het indexdeel en het opslagdeel. Alleen daarom al is niet relevant of aan de indexverhoging een andere ratio ten grondslag zou liggen dan aan de opslag of dat er verschillende rechtsgevolgen aan verbonden zouden zijn. Dat onttrekt zich geheel aan de waarneming van de gemiddelde consument. (…).
De opslag dient er volgens ASR voorts toe om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning. [104] IVBN c.s. wijst ook op het belang om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning, mede in het licht van de markthuurprijzen en koopprijzen, en voegt daar nog aan toe de mogelijkheid om rendement te behalen. Dit laatste wordt niet alleen betrokken op de mogelijkheid om investeringen te doen, maar ook op rendementseisen van beleggers. De omstandigheid dat beleggers rendementseisen stellen, geldt alleen voor bepaalde verhuurders. Ik meen daarom dat het niet afzonderlijk behoeft te worden besproken. Volstaan kan worden met de overweging dat professionele verhuurders rendementseisen zullen hanteren.
Getransponeerd naar huurprijswijzigingsbedingen zou de overweging dat met de opslag een redelijk rendement op verhuur voor de verhuurders mogelijk blijft, kunnen worden gezien als een erkenning dat de opslag mede dient om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning of daarmee samenhangende rendementseisen. De kantonrechter wijst er op zichzelf terecht op dat dit vanuit het perspectief van de huurder irrelevant is (rov. 9 ad II VV), maar vanuit het perspectief van de verhuurder kan dit anders liggen.
Getransponeerd naar huurprijswijzigingsbedingen zou de overweging dat met de opslag verhuurders en investeerders op lange termijn actief kunnen zijn als duurzame aanbieder, kunnen worden gezien als een erkenning dat de opslag mede dient om kostenstijgingen op te vangen (overigens kan men dit ook op rendementseisen betrekken voor zover het gaat om verhuurders die rendement herinvesteren in de huurwoningmarkt). De opslag stelt verhuurders in staat om kostenverschillen in de tijd op te vangen en met name verhuurders met een grote portefeuille, zoals corporaties en institutionele verhuurders, ook in staat om kostenverschillen tussen verschillende huurobjecten op te vangen. In een bepaald jaar moet bijvoorbeeld bij complex A groot onderhoud plaatsvinden en complex B worden geherfinancierd, zodat voor deze complexen de alsdan vigerende bouw- respectievelijk financieringskosten relevant zijn.
(…)
VKI/A1 Telekom Austriadat deze richtlijn specifiek bepaalt dat bedingen van prijsindexering niet als oneerlijk worden beschouwd, mits deze wettig zijn en de wijze waarop de prijs wordt aangepast hierin expliciet beschreven is. [105]
VKI/A1 Telekom Austriaoverwogen dat een beding dat voorziet in een tariefaanpassing op basis van een objectieve consumentenprijsindex die wordt opgesteld door een publieke instelling (het Oostenrijks instituut voor de statistiek) geen “wijziging in de voorwaarden” vormt in de zin van art. 20 lid 2 van Pro richtlijn 2002/22 (de Universeledienstrichtlijn), die de abonnee het recht geeft zijn contract zonder boete op te zeggen. [106] Dit oordeel betreft dus niet de Richtlijn oneerlijke bedingen.
Tegenover het argument onder (ii) voert ASR (SO nr. 43) op zichzelf terecht aan dat dit voortvloeit uit art. 7:251 BW Pro. Tegen argument (iii) voert ASR (SO nr. 44) aan dat zij dit onderscheid wel heeft gemaakt (althans in de procedure in zaak 24/00170), dat de consument aan de hand van publieke bronnen het inflatiecijfer kan achterhalen en daarmee de opslag kan bepalen en dat de kantonrechter hiermee ten onrechte gewicht toekent aan omstandigheden van na de contractsluiting.
Euriborhypotheken) [108] betrof bedingen die de bank de bevoegdheid gaven eenzijdig de opslag op het variabele rentepercentage (gelijk aan het 1-maands Euribortarief) te wijzigen. De afspraak ‘1-maands Euribortarief plus opslag’ betreft de
hoogtevan de door de consument als tegenprestatie te betalen rente als zodanig. De afspraak ’CPI plus opslag’ betreft de
verhogingvan de door de consument als tegenprestatie te betalen huurprijs. Die afspraken verschillen daarom enigszins, ook al is het zo dat zowel Euribor als CPI niet door de wederpartij van de consument worden bepaald en de opslag in beide gevallen wel. De zaak over de Euriborhypotheken betrof alleen de eventuele oneerlijkheid van de veranderlijkheid van de opslag en onderwerp van discussie was met name of daartegenover compenserende bedingen stonden. Die zaak biedt naar mijn mening geen aanknopingspunten voor de beoordeling van de splitsbaarheid van het type huurprijswijzigingsbeding dat in deze zaak aan de orde is.
Ik voeg daaraan toe dat in de afweging meeweegt dat het indexatiebeding niet op bezwaren stuit, maar gerechtvaardigd wordt geacht om het evenwicht tussen de prestaties van de verhuurder en de huurder te bewaren. Met het oordeel dat het huurprijswijzigingsbeding niet gesplitst kan worden, zou ook het indexatiebeding getroffen worden. Dat is het kind met het badwater weggooien.
vraag 1B onder aluidt dat art. 10.2 lid 1 respectievelijk lid 2 moet worden gesplitst in een indexatiebeding en een opslagbeding met het oog op de beoordeling van de oneerlijkheid ervan.
7.Is dit (type) huurprijswijzigingsbeding oneerlijk? (vraag 1A onder a en b)
opslagbeding al dan niet oneerlijk is. Ik schets hierna eerst het beoordelingskader in algemene zin en met betrekking tot wijzigingsbedingen. Dit mondt uit in een voorstel voor de beantwoording van vraag 1A onder b (in 7.10).
Vervolgens komt aan bod hoe in de literatuur en feitenrechtspraak over het onderhavige (type) beding wordt gedacht (in 7.11 e.v.). Daarna bespreek ik, na enige opmerkingen over de aard van de toetsing van het beding in dit geval, de argumenten pro en contra de oneerlijkheid van het opslagbeding (In 7.17 e.v.). Dit mondt uit in een samenvatting en afweging (in 7.73 e.v.) en een daarop gebaseerd voorstel voor de beantwoording van vraag 1A onder a (in 7.79 e.v.).
Kinderopvang-zaak heeft geen gevolgen voor de beoordeling van het beding (zie hierna in 7.3.3).
Euriborhypotheken) als volgt weergeven: [119]
.Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek kan de nationale rechter bepalen of, en in voorkomend geval, in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke uit het geldende nationale recht voortvloeit. Een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan al volgen uit het feit dat de rechtspositie waarin de consument als partij bij de betrokken overeenkomst verkeert krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de inhoud van de rechten die de consument volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontleent, wordt beperkt of de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien. (Zie onder meer HvJEU 14 maart 2013, C‑415/11, ECLI:EU:C:2013:164 (NJ 2013/374, m.nt. M.R. Mok; red.) (Aziz/Catalunyacaixa), punt 68, en HvJEU 16 januari 2014, C‑226/12, ECLI:EU:C:2014:10 (NJ 2014/247, m.nt. M.R. Mok; red.) (Constructora Principado/Menéndez Álvarez), punten 22 en 23.)
ex tuncplaats te vinden, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument ten tijde van de contractsluiting kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst. Nagegaan moet worden of de bedingen van deze overeenkomst vanaf de datum van sluiting ervan die verstoring van het evenwicht in zich droegen, ook al zou deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument. [120]
Kinderopvang-zaak. Hierin heeft de Hoge Raad het volgende verband gelegd tussen, kort gezegd, regels van Nederlands consumentenrecht en de Richtlijn oneerlijke bedingen: [121]
Kinderopvang-zaak kan geen gevolgen hebben voor huurprijswijzigingsbedingen die vóór 1 mei 2021 zijn gesloten, omdat de oneerlijkheid moet worden beoordeeld op het moment van sluiten van de overeenkomst. De prejudiciële beslissing in de
Kinderopvang-zaak geeft mijns inziens geen aanleiding voor de veronderstelling dat huurprijswijzigingsbedingen die vanaf 1 mei 2021 zijn afgesloten en die voorzien in een hogere vergoeding dan is toegestaan op grond van de Wet Nijboer (art. 7:248 lid 3 in Pro verbinding met art. 10 lid 3 UHW Pro), op
diegrond als oneerlijk moeten worden aangemerkt. [123] Beslissend in dit verband is blijkens de prejudiciële beslissing in de
Kinderopvang-zaak de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft met art. 7:248 lid 3 BW Pro niet bedoeld huurprijswijzigingsbedingen die voorzien in een indexatie en een (maximale) opslag van meer dan 1%, als zodanig nietig te verklaren. De nietigheid van art. 7:248 lid 3 BW Pro betreft een aftopping en geldt slechts voor zover het beding in enig jaar leidt tot een te hoge huurprijsstijging (zie hiervoor in 5.29). Hetzelfde geldt voor huurprijswijzigingsbedingen die vanaf 1 juli 2024 zijn afgesloten en die voorzien in een hogere vergoeding dan is toegestaan op grond van de Wet betaalbare huur, nu deze wet in dit opzicht voortbouwt op de Wet Nijboer.
Invitelen
RWE Vertriebvan het HvJEU van belang. [124]
Invitelbetrof een beding waarmee de aanbieder van vaste telecomdiensten ongespecificeerde extra kosten bij de consument in rekening kon brengen wanneer de consument koos voor betaling per acceptgiro. [125] Over de oneerlijkheidstoets en het transparantiebeginsel overwoog het HvJEU dat, gelet op de punten 1, sub j en l, en 2, sub b en d, van de Bijlage bij de Richtlijn:
de redenen waarom of de manier waaropde met de te verstrekken dienst verbonden kosten worden aangepast,
gespecificeerd waren en of de consumenten over het recht beschikten om de overeenkomst te beëindigen.” [onderstreping toegevoegd; plv.]
duidelijke en begrijpelijke criteriade wijzigingen van de AV door een verkoper inzake de met de te verstrekken dienst verbonden kosten te voorzien.” [onderstreping toegevoegd; plv.]
n het licht van alle bedingen in de algemene voorwaardenvan de consumentenovereenkomsten waarvan het betrokken beding deel uitmaakt, alsook in het licht van de nationale wettelijke regeling die de rechten en plichten bepaalt welke eventueel bovenop de rechten en plichten in de betrokken algemene voorwaarden gelden,
de redenen waarom of de wijze waaropde met de te verstrekken dienst verbonden kosten worden aangepast, op een duidelijke en begrijpelijke manier zijn gespecificeerd en of de consumenten, in voorkomend geval, het recht hebben om de overeenkomst te beëindigen.” [onderstreping toegevoegd; plv]
RWE Vertriebbetrof een beding dat een gasleverancier het recht gaf de gasprijs eenzijdig te wijzigen zonder precisering van de reden, de voorwaarden of de omvang van deze wijziging. [126] Over de oneerlijkheidstoets en het transparantiebeginsel overwoog het HvJEU, onder meer verwijzend naar de hiervoor geciteerde overwegingen van het arrest
Invitel:
kan het verzuim om vóór sluiting van de overeenkomst daarover informatie te verstrekken in beginsel niet worden goedgemaakt door de omstandigheid dat de consumenten in de loop van de uitvoering van de overeenkomst redelijke tijd vooraf zullen worden geïnformeerd over de aanpassing van de kosten en over hun recht de overeenkomst te ontbindenmochten zij deze wijziging niet wensen te aanvaarden.
strikte eisen betreffende consumentenvoorlichting, zowel bij sluiting als in de loop van de uitvoering van een leveringsovereenkomst, inzake het recht van de verkoper om de voorwaarden eenzijdig te wijzigen, zijn de neerslag van een afweging van de belangen van beide partijen.
Tegenover het rechtmatige belang van de verkoper om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden staat het even rechtmatige belang van de consument om te weten, en dus te kunnen voorzien, wat de gevolgen van een dergelijke wijziging voor hem in de toekomst zullen zijnen om in dat geval over informatie te beschikken opdat hij op de meest geëigende wijze op zijn nieuwe situatie kan reageren.
dat de mogelijkheid voor de consument om de overeenkomst op te zeggen, niet slechts een formeel opzeggingsrecht is, maar ook daadwerkelijk kan worden benut.Dat is niet het geval wanneer de consument, om redenen die verband houden met de wijze van uitoefening van het opzeggingsrecht of met de voorwaarden van de betrokken markt, niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om van leverancier te veranderen of wanneer hij niet naar behoren en tijdig op de hoogte werd gebracht van de op til zijnde wijziging, waardoor hij aldus de mogelijkheid verliest om de berekeningswijze te controleren en in voorkomend geval van leverancier te veranderen. In dit verband moet met name rekening worden gehouden met het gegeven of op de betrokken markt concurrentie heerst, de eventuele kosten die voor de consument verbonden zijn aan opzegging van de overeenkomst, het tijdsverloop tussen mededeling en toepassing van de nieuwe tarieven, de informatie die op het tijdstip van mededeling is verstrekt, en de kosten en de tijd om van leverancier te veranderen.” [onderstreping toegevoegd; plv.]
Invitelen
RWE Vertriebmeebrengen dat wijzigingsbedingen steeds aan bepaalde eisen moeten voldoen. [129]
(i) wijzigingsbedingen van het ‘type j’, waarin het contractueel evenwicht wordt gehandhaafd doordat de wijzigingsgrond bij het aangaan van de overeenkomst bekend is en dit een geldige reden moet zijn; de eis dat de consument bij een wijziging de overeenkomst moet kunnen beëindigen geldt dan niet; en
(ii) ‘open’ wijzigingsbedingen van het ‘type l’ waarin vooraf geen wijzigingsgrond is overeengekomen en het contractueel evenwicht wordt bereikt door de werking van het marktmechanisme. De consument moet bij een wijziging de overeenkomst kunnen beëindigen en dat moet ook een reële mogelijkheid zijn. Bij wijziging van de voorwaarden moet op het moment van wijziging een geldige reden worden opgegeven.
Invitelen
RWE Vertriebte volgen dat voor huurprijswijziging op grond van een huurprijswijzigingsbeding de volgende eisen gelden: (1) het huurprijswijzigingsbeding moet zijn opgenomen in het huurcontract of de bijgesloten algemene voorwaarden; (2) het huurprijswijzigingsbeding bevat de grond(en) op basis waarvan en de wijze waarop de huurprijs kan worden aangepast; (3) de gronden voor aanpassing van de huurprijs vormen een geldige reden voor wijziging; (4) in het huurcontract is bepaald dat de huurder bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid de huurovereenkomst kan beëindigen; (5) wanneer de verhuurder gebruik maakt van zijn wijzigingsbevoegdheid, moet hij de huurder voorafgaande aan de huurverhoging daarover op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren; en (6) de huurder moet nadat hij geïnformeerd is over de huurverhoging een reële mogelijkheid hebben om de huurovereenkomst daadwerkelijk op te zeggen of te ontbinden. [131]
Invitelen
RWE Vertriebniet dat de door het HvJEU benadrukte elementen moeten worden gezien als cumulatieve vereisten waaraan ieder wijzigingsbeding moet voldoen om als eerlijk te kunnen worden aangemerkt. Uit
Invitel(punten 26 en 31) volgt dat
met name relevant isof de redenen waarom of de manier waarop de kosten konden worden aangepast, gespecificeerd waren en of de consumenten over een opzeggingsrecht beschikten, en dat de rechter dit dus
met name moet nagaan. In
RWE Vertriebspreekt het HvJEU weliswaar van “
strikte eisen betreffende consumentenvoorlichting” (punt 53), maar de beantwoording van de prejudiciële vraag laat zien dat
bij de beoordeling wezenlijk belang moet worden gehecht aan met namede vraag of in de overeenkomst de reden voor en de wijze van aanpassing van deze prijs transparant worden toegelicht en de vraag of de consument in concreto daadwerkelijk zijn opzeggingsrecht kan uitoefenen, en voorts dat de verwijzende rechter bij deze beoordeling rekening moet houden met alle omstandigheden van het concrete geval (punt 55).
Een beding dat (uitsluitend) voorkomt op de indicatieve lijst bij Richtlijn 93/13/EEG, behoeft niet noodzakelijkerwijs als oneerlijk te worden beschouwd.
onder meer de ratio en rechtvaardiging van, de voorwaarden voor en beperkingen op een dergelijke bevoegdheid kunnen meebrengen dat van die onredelijke bezwarendheid geen sprake is. (…)” [onderstreping toegevoegd; plv.]
Euriborhypotheken-arrest overwoog de Hoge Raad onder verwijzing naar de arresten
Invitelen
RWE Vertriebvan het HvJEU:
ex tunc-toetsing van de oneerlijkheid van bedingen de in punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage bedoelde voorwaarden moeten zijn vastgelegd in de overeenkomst (waaronder ook is te verstaan de algemene voorwaarden die daarvan deel uitmaken). [133] Voorts laat de Hoge Raad in rov. 4.4.3 in het midden of toelaatbaar is dat bij het aangaan van de overeenkomst geen inzicht in de wijzigingsgronden is gegeven. Op dit punt bevat rov. 4.4.4 slechts een oordeel over de indicatieve lijst in de Bijlage bij de Richtlijn: een beding dat zou toelaten zonder geldige reden een wijziging door te voeren, valt onder de indicatieve lijst en niet onder de uitzondering van punt 2.b) eerste alinea. [134] Dat een beding voorkomt op de indicatieve lijst, leidt echter niet automatisch en op zichzelf tot de conclusie dat het een oneerlijk karakter heeft (rov. 3.3.)
Euriborhypotheken-zaak niet transparant waren en op zichzelf beschouwd aanzienlijk het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument verstoren. De bedingen waren toch niet oneerlijk, kort gezegd, omdat daartegenover een beëindigingsrecht en een omzettingsrecht stonden. Het hiertegen gerichte cassatieberoep is door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO Pro verworpen. [135]
vraag 1A onder bworden beantwoord op basis van de bestaande rechtspraak. Ik vat daartoe het voorgaande samen.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding moet worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst, aangezien een contractueel beding een verstoring van het evenwicht tussen de contractpartijen in zich kan dragen die zich pas tijdens de uitvoering van de overeenkomst manifesteert. Beoordeeld moet worden of het beding gedurende de uitvoering van de overeenkomst het evenwicht tussen de rechten en plichten van partijen aanzienlijk kan verstoren, ook al zou deze verstoring alleen onder bepaalde omstandigheden tot uiting kunnen komen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument.
Invitelen
RWE Vertriebcumulatieve eisen stellen aan wijzigingsbedingen
.Loos nuanceert dit enigszins voor indexeringsbedingen door erop te wijzen dat de reikwijdte van het arrest
RWEonduidelijk is en dat bij huur van woonruimte niet ondenkbaar is dat geldigheid van een prijsindexeringsbeding niet afhangt van de feitelijke mogelijkheid voor een consument om de overeenkomst op te zeggen (par. 4.2). Loos meent dat een opslagbeding van het type dat in deze zaak aan de orde is te ver gaat, omdat de consument niet kan inschatten met welke huurprijs hij in de toekomst rekening moet houden en gelet op de uit de woningnood voortvloeiende belemmeringen om de huur op te zeggen (par. 4.3).
Invitel en RWE Vertrieb¸de consument de economische gevolgen van het beding kan voorzien, omdat de frequentie van de verhoging vaststaat (één keer per jaar op een vaste datum), de verhoging begrensd is en de berekeningswijze bekend is. Het verhogingsbeding is van belang om de huurprijs te laten meegroeien met de marktontwikkeling. De wetgever heeft gekozen voor regelgeving over welke maximale huurverhoging in overeenkomsten toelaatbaar was, maar heeft alleen de toepassing van die contractuele indexatie tijdelijk willen beperken. De huurder heeft de mogelijkheid om de huurovereenkomst op te zeggen. Een beding dat ook neerwaartse indexatie mogelijk maakt, geeft de consument alleen schijnveiligheid. Deze argumenten komen ook terug in de schriftelijke opmerkingen van ASR, Aedes c.s. en IVBN c.s.
De rechtbank overweegt in deze uitspraken verder dat het, gezien het woningtekort, voor huurders niet altijd mogelijk zal zijn om de huurovereenkomst op te zeggen als de huurprijs hen te hoog wordt. Dat de consument niet voldoende is geïnformeerd over de reden van en de wijze waarop de prijs kan worden gewijzigd en over zijn recht om de overeenkomst te kunnen opzeggen, maakt de bepaling volgens de rechtbank niet oneerlijk omdat algemeen bekend is dat een huurder de huurovereenkomst mag opzeggen en de reden van een jaarlijkse prijsverhoging voor de gemiddelde consument wel duidelijk zal zijn (algemeen bekend is immers dat prijzen door de jaren heen stijgen). [143]
ex tuncmoet worden getoetst, maar in diens toetsing is het moment waarop de huurovereenkomst is gesloten geen relevante variabele. Het oordeel van de kantonrechter ziet daarmee in beginsel op alle opslagbedingen in huurovereenkomsten die (gezien het temporele toepassingsbereik van de Richtlijn oneerlijke bedingen) zijn gesloten na 31 december 1994. In de schriftelijke opmerkingen die in deze zaak zijn ingediend, wordt wel gewezen op dit aspect, maar wordt niet concreet ingegaan op verschillen in de tijd voor wat betreft omstandigheden die een rol zouden kunnen spelen bij de beoordeling of het opslagbeding oneerlijk is. [144] Ik zal daarom ook het moment waarop de overeenkomst is gesloten verder buiten beschouwing laten.
standaardpraktijkenvan verkopers; en (ii) dat daarbij gebruik moet worden gemaakt van de
juridische fictie van de gemiddelde consument, die erin bestaat dat de gemiddelde consument wordt opgevat als een en dezelfde abstracte entiteit waarvan de algemene perceptie relevant is voor het onderzoek. [145]
(i) de aard van de overeenkomst;
(ii) de mogelijkheid van opzegging door de huurder;
(iii) de transparantie van het beding en het ontbreken van gronden voor toepassing van de opslag;
(iv) de mate waarin het opslagbeding voldoet aan de omschrijvingen in de Bijlage bij de Richtlijn
(v) de redenen voor het bedingen van een opslagmogelijkheid;
(vi) de toepasselijke regels van het nationale recht;
(vii) de hoogte van het opslagpercentage; en
(viii) overige aspecten.
Invitel) of de energiemarkt (vgl.
RWE Vertrieb).
Overeenkomsten voor bepaalde tijd zijn in bepaalde gevallen mogelijk, [147] maar vormen niet de hoofdmoot. Vanaf 2015 is er een verruiming geweest van de mogelijkheid om tijdelijke huurcontracten van twee of vijf jaar te sluiten, [148] waarvan veel gebruik is gemaakt, maar gezien de nadelige gevolgen voor (huurders op) de huurmarkt is die mogelijkheid met de komst van de Wet vaste huurcontracten per 1 juli 2024 sterk ingeperkt en beperkt tot specifiek omschreven gevallen. [149] De betekenis van het opslagbeding voor de stijging van de huurprijs is bij een overeenkomst voor bepaalde tijd uit de aard der zaak geringer. In deze zaak speelt het punt van de tijdelijke huurcontracten niet, zodat ik het verder laat rusten.
ex tuncvan het beding niet nader is ingegaan op dergelijke verschillen in krapte. [153] De kantonrechter heeft dergelijke verschillen kennelijk van onvoldoende gewicht geacht. In feitelijke instantie en in de prejudiciële procedure zijn geen gedetailleerde gegevens over dergelijke verschillen overgelegd, die tot verschillende waarderingen van het beding aanleiding zouden geven. Zonder dergelijke gegevens is er in beginsel geen aanleiding voor de veronderstelling dat de (on)eerlijkheid van het opslagbeding voor verschillende delen van het land verschillend zou moeten worden beoordeeld.
RWE Vertrieb, punt 54 (hiervoor in 7.4.3). De praktische belemmering om te verhuizen is bekend aan de verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst en kan dus een rol spelen bij de vraag of deze er redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument een beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.
maximaal3% toe te passen. Dit is hetzelfde punt als het hiervoor besproken ontbreken van gronden voor toepassing van de opslag.
Wel kan ik mij voorstellen dat de toepassing van de opslag in een bepaald jaar (ook bij een eventuele toerekening aan een woning(complex)), onvermijdelijk mede zal berusten op bepaalde bedrijfseconomische keuzes van de verhuurder, bijvoorbeeld ten aanzien van de planning van onderhoudswerkzaamheden of de wijze van financiering. De verhuurder zal vermoedelijk aan de huurders geen gedetailleerd inzicht in al die keuzes willen geven. Doet hij dat wel, dan is een vruchtbare discussie daarover vermoedelijk maar beperkt mogelijk; het zijn immers keuzes die de verhuurder mag maken en waarvan in beginsel de redelijkheid slechts marginaal kan worden getoetst (vgl. ook hierna in 7.72.1 e.v. over de Wet overleg huurders verhuurder).
Ik meen dat het opslagbeding niet transparant is voor wat betreft het ontbreken van gronden voor de toepassing van de opslag en de wijze waarop die gronden leiden tot een bepaalde toepassing van de opslag. Wat dat laatste betreft, is de huurder overgeleverd aan de verhuurder. Dat is een kwetsbaarheid van het beding. [158]
Punt 1 onder l) vervolgt met de clausulering “indien de eindprijs te hoog is ten opzichte van de bij het sluiten van de overeenkomst bedongen prijs”. Dit biedt een haakje om iets te vinden van het percentage waarmee de huurprijs kan worden verhoogd. Zie daarover onder (vii). Punt 1 onder l) is immers ook bedoeld om procentuele verhogingen te omvatten. Dit volgt reeds uit punt 2 onder d) van de Bijlage, waaruit blijkt staat dat punt l) “niet in de weg [staat] aan bedingen van prijsindexering, voor zover deze wettig zijn en de wijze waarop de prijs wordt aangepast hierin expliciet beschreven is.”
Bezien vanuit perspectief van de verhuurder kan dit anders liggen. Hetzelfde geldt als wordt gekeken naar de belangen van huurders in het algemeen. Voor de verhuurder wordt de waarde van de woning immers mede bepaald door de huuropbrengsten. Voorts speelt in de gereguleerde sector de WOZ-waarde van de woning een rol in het woningswaarderingsstelsel (WWS) [160] en wordt ernaar gestreefd de huurprijs in de pas te laten lopen met de marktwaarde/kwaliteit van de woning (zie in 5.8.1). Bovendien is op macroniveau een valide argument, dat verhuurders zoals corporaties en institutionele verhuurders streven naar een redelijk rendement dat min of meer in de pas loopt met de waardeontwikkeling van de woning en dat hen in staat stelt te blijven investeren in de huurwoningmarkt. Dit argument wordt erkend door de wetgever als rechtvaardiging voor het hanteren van een opslag. Hiermee is ook het publieke belang bij een functionerende woningmarkt gediend evenals de daarmee verbonden belangen van huurders in het algemeen. [161]
Dexia-arrest van het HvJEU immers om of het beding een verstoring van het evenwicht in zich draagt, ook al doet die verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden voor (rov. 9 ad I VV). [166]
Dat de overheid verhuurders niet heeft gewezen op het bestaan van de Richtlijn oneerlijke bedingen (vgl. rov. 30 VV), levert geen argument op, omdat verhuurders als professionele partijen geacht kunnen worden daarvan zelf op de hoogte te zijn.
Maar dat de overheid(wetgever) de prijsvorming in de geliberaliseerde sector bewust aan de markt heeft overgelaten in de periode 1994-2021, is wel een omstandigheid die kan meewegen bij de beoordeling van het huurprijswijzigings- c.q. opslagbeding.
Niet gezegd kan worden dat aan de Wet Nijboer en de Wet betaalbare huur een uitdrukkelijk oordeel van de wetgever over de (on)eerlijkheid van huurprijswijzigingsbedingen ten grondslag ligt. In die zin biedt het bestaan van deze wetgeving geen argument ten gunste van het beding.
Maar wel kan worden gezegd dat het uit handen slaan van een huurprijswijzigingsbeding de bedoeling van de wetgever met de Wet Nijboer en de Wet betaalbare huur in de wielen zou rijden. Deze wetten berusten uiteindelijk op de afweging dat een jaarlijkse huurprijsstijging met de CPI (of cao) plus 1%, de juiste balans oplevert tussen betaalbaarheid van huren voor huurders en de mogelijkheid om een redelijk rendement te behalen voor verhuurders. Nietigheid van dit type huurprijswijzigingsbeding, althans opslagbeding, op de grond dat dit oneerlijk worden bevonden omdat het te onevenwichtig is, [168] verstoort deze balans. Die verstoring is er, in het algemeen gesproken, ook aan huurderszijde, omdat eventuele besparingen voor zittende huurders als gevolg van de nietigheid van het beding ten koste zullen gaan van toekomstige huurders door hogere aanvangshuurprijzen en/of afname van de financiële ruimte van verhuurders voor het plegen van woningbouw.
Zoals gezegd, werd een opslag van 1% door de wetgever voldoende geacht. Hierbij zij bedacht dat de aanleiding voor het ingrijpen van de wetgever met de Wet Nijboer en de Wet betaalbare huur niet zozeer lag in het opslagpercentage als zodanig, maar in de hoge huren en de wens om de stijging daarvan te matigen.
De sanctie op een te hoog percentage is niet algehele nietigheid of vernietigbaarheid van het beding. De sanctie is beperkt tot een aftopping van de maximale huurstijging voor zover die in enig jaar hoger is dan de wet toelaat, met behoud van het beding met het oog op de toepassing ervan in een ander jaar.
Voor bedingen die onder de werking van de Wet Nijboer of de Wet betaalbare huur zijn overeengekomen, geldt dat de wetgever het bestaan van een huurprijswijzigingsbeding veronderstelt, hij daarover geen negatief oordeel in termen van de Richtlijn oneerlijke bedingen heeft uitgesproken, en zijn ingrijpen heeft beperkt tot een aftopping van huurprijsstijgingen die groter zijn dan de wet toelaat (zie hiervoor in 7.52).
indien de eindprijs te hoog is ten opzichte van de bij het sluiten van de overeenkomst bedongen prijs. Hoewel de Richtlijn in beginsel niet ziet op de gelijkwaardigheid van de prijs en de tegenprestatie (art. 4 lid Pro 2), kan bij een prijswijzigingsbeding wel beoordeeld worden of de tussen partijen overeengekomen gelijkwaardigheid van prijs en tegenprestatie ‘te veel’ kan worden aangetast doordat de prijs ‘te hoog’ kan worden. Daarmee kan, in termen van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk worden verstoord.
Overigens lag aan de Wet Nijboer ten grondslag dat de aanvangshuren reeds (te) hoog werden geacht en dat daarom de huurprijsstijgingen beperkt moeten worden. Voor zover het oordeel over de aanvangshuren de keuze voor een opslagpercentage van 1% mede heeft bepaald, betreft het een omstandigheid die zich niet laat transponeren naar de beoordeling van de oneerlijkheid van het opslagbeding. Bij de toets aan de Richtlijn oneerlijke bedingen dient de rechter zich immers in beginsel te onthouden van een oordeel over de gelijkwaardigheid van de prijs en de tegenprestatie. De Richtlijn is geen instrument voor huurprijsbeleid.
Als deze omstandigheid slechts wordt beschouwd als een illustratie van de toepassing van het opslagbeding in de praktijk, dan gaat het niet om een omstandigheid die relevant is voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding.
Als daarentegen deze omstandigheid wordt beschouwd als een aanwijzing dat de aan het beding inherente kans op oneigenlijk gebruik, minder groot is dan op het eerste gezicht uit het beding lijkt te volgen, dan gaat het wel om een om een omstandigheid die relevant is voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding. Dat is het geval als deze omstandigheid wordt opgevat als een aanwijzing dat in het opslagbeding, in het algemeen gesproken, ligt besloten dat de huurder mag verwachten dat de verhuurder de opslagbevoegdheid hanteert (respectievelijk dat de verhuurder deze bevoegdheid behoort te hanteren) met inachtneming van de belangen van de huurder en deze bevoegdheid uitoefent in het licht van het doel waarvoor zij bestaat (vgl. hiervoor in 3.11.3).
ex tuncplaats te vinden, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst. Daarbij moet nagegaan worden of een beding vanaf de datum van sluiting ervan een verstoring van het evenwicht in zich droeg, ook al zou deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen, maar dit betekent niet dat elke kans op verstoring van het evenwicht volstaat. IVBN c.s. hebben onder verwijzing naar cijfers van het CBS [175] aangevoerd dat vanaf 1963 alleen in 1987 sprake is geweest van deflatie. In dat licht bezien, komt m.i. geen gewicht toe aan de omstandigheid dat het huurprijswijzigingsbeding geen rekening houdt met de mogelijkheid van een huurverlaging.
De corporaties beroepen zich dus op publieke belangen die met hun werkzaamheden zijn verbonden. De institutionele verhuurders doen dat gedeeltelijk ook. Door welke overwegingen de toepassing van het huurprijswijzigingsbeding bij deze verhuurders daadwerkelijk wordt bepaald, kan echter niet in zijn algemeenheid worden gezegd. Daarvoor zullen de onderlinge verschillen, naar ik vermoed, te groot zijn. In ieder geval worden daarover in deze procedure zorgen geuit van de zijde van de huurders. [176] Niet kan worden aangenomen dat elke verhuurder in de geliberaliseerde sector zich bij de toepassing van het huurprijswijzigingsbeding uitsluitend laat leiden door overwegingen die ook ten dienste kunnen staan van het belang van de concrete huurder of van huurders in het algemeen, zoals overwegingen met betrekking tot woningonderhoud, woningverduurzaming en woningbouw. Voor bepaalde verhuurders zal de ‘eigen portemonnee’ de toepassing van het beding bepalen. Hiermee is niet gezegd dat elke verhuurder steeds weer financieel het onderste uit de kan wil halen door bovenop de inflatiecorrectie ook de maximale opslag toe te passen (vgl. hiervoor in 7.67). [177]
beleid [179] als zodanig onderwerp vormt van de informatie- en overlegverplichtingen van de Wohv, is onduidelijk of dat ook geldt voor de
toepassingvan een bestaand huurprijswijzigingsbeding. [180] Rb. Breda 6 januari 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BK8577, zag enige ruimte om ten aanzien van de toepassing van het opslagbeding te spreken van beleid, maar overwoog ook dat de rechter alleen een uitspraak kan doen over de wijziging van een dergelijk beleid en voorts dat de rechter een beleidswijziging slechts marginaal toetst. [181] Ook Rb. Den Bosch 22 juli 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ4290, rov. 3.4.3, overwoog dat de rechter geen inhoudelijk oordeel kan en mag geven ter zake de voorgestane huurverhoging voor de parkeerplaatsen van het wooncomplex, maar enkel kan oordelen of de procedureregels zoals bepaald in Wohv zijn geschonden, dan wel of geen redelijk verhuurder onder weging van alle betrokken belangen tot deze beslissing had kunnen komen. Zie in dit verband art. 8 lid 3 onder Pro b Wohv.
Nietigheid van huurprijswijzigings- c.q. opslagbedingen op grond van de Richtlijn oneerlijke bedingen doorkruist de werking van de Wet Nijboer en de Wet betaalbare huur. Dit is een omstandigheid die met name kan wegen bij huurprijswijzigingsbedingen die vanaf 1 mei 2021 respectievelijk 1 juli 2024 zijn overeengekomen, omdat voor partijen dit effect toen kenbaar kon zijn. Na het vervallen van de werking van de Wet Nijboer op 1 mei 2029, geldt dit argument niet ten aanzien van na die datum gesloten huurovereenkomsten die niet onder de werking van de Wet betaalbare huur vallen.
Bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een beding moet nagegaan worden of een beding vanaf de datum van sluiting ervan een verstoring van het evenwicht in zich droeg, ook al zou deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen, maar dit betekent niet dat elke kans op verstoring van het evenwicht volstaat (zie in 7.66). Er kan gewicht worden toegekend aan de kans op die verstoring. Cijfers van het CBS bieden steun voor de gedachte dat de toepassing van het opslagbeding in de praktijk veelal zal berusten op het opvangen van boveninflatoire kostenstijgingen en het tred houden met de waardeontwikkeling van de woning (en dus op de eerder genoemde gronden voor het opslagbeding). Indien dit wordt beschouwd als een aanwijzing dat de aan het beding inherente kans op oneigenlijk gebruik minder groot is dan op het eerste gezicht uit het beding lijkt te volgen, dan gaat het om een omstandigheid die relevant is voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding (hiervoor in 7.68).
Wanneer ter vergelijking wordt gekeken naar de percentages die de wet- en regelgever hanteert, ontstaat een gemengd beeld. In de geliberaliseerde sector waren er tot 2021 geen percentages en vanaf dat jaar een percentage van 1%. In de gereguleerde sector komen hogere reguliere percentages voor, tot 2,5% (hiervoor in 7.62).
In de afweging weegt het element van onzekerheid dat inherent is aan een bevoegdheid om een opslag van maximaal 3% toe te passen, m.i. niet afzonderlijk mee ten nadele van het beding. De gemiddelde huurder zal de voorkeur geven aan een opslagbeding dat kán leiden tot een opslag van maximaal 3% dan aan een vaste opslag van 3% (hiervoor in 7.30.2).
In het algemeen gesproken, is voldoende aannemelijk dat er redelijke gronden zijn voor het opslagbeding. Voorstelbaar is dat het bestaan van de noodzaak om onder omstandigheden de huurprijs te kunnen verhogen met meer dan de inflatie, voldoende kenbaar is voor de gemiddelde consument (zie hiervoor in 7.44). Vermelding van de gronden in het beding zal vermoedelijk slechts in beperkte mate kunnen bijdragen aan een beter inzicht van de gemiddelde consument in de concrete toepassing van het beding door de verhuurder. De maximering van de opslag tot een bepaalde percentage biedt de gemiddelde consument meer houvast om in te inschatten c.q. te beoordelen welk risico hij loopt met het opslagbeding en wat de mogelijke economische gevolgen hiervan zijn.
Daarbij betrek ik dat de wet- en regelgever in de gereguleerde sector ook gebruik heeft gemaakt van jaarlijkse huurprijsstijgingen die bestaan uit de inflatie plus een procentuele opslag, en dat vanaf 2021 in de geliberaliseerde sector de jaarlijkse huurverhoging wettelijk wordt beperkt tot de inflatie (of cao-loonstijging) plus een opslag ter hoogte van een vast percentage, een en ander zonder dat (steeds) specifiek wordt ingegaan op de gronden voor een dergelijk opslagpercentage. Dit kan erop wijzen dat in de ogen van de wet- en regelgever het voor huurders en verhuurders per saldo het belangrijkste is te weten met welk percentage de huren maximaal mogen stijgen.
Dit weegt het minst zwaar bij een percentage van 1%. Dit percentage sluit aan bij de wetgeving die vanaf 2021 voor de geliberaliseerde sector geldt. [182] In de gereguleerde sector zijn in het verleden hogere opslagpercentages gehanteerd. Ik kan niet goed beoordelen of een redelijke verwachting van de markt kan worden bepaald op in beginsel 1%.
Een percentage van 2-3% ligt nog in de buurt van percentages die in de gereguleerde sector zijn gebruikt (2,5%).
Een percentage van 4-5% ligt ook wel in de buurt van percentages die in de gereguleerde sector zijn gebruikt (4%), maar dat betrof ‘scheefwoners’ ten aanzien van wie bepaalde beleidsoverwegingen een extra huurverhoging rechtvaardigen, zodat dit percentage geen goed vergelijkingsmateriaal oplevert.
De percentages in de gereguleerde sector worden jaarlijks vastgesteld en kunnen dus de nodige variatie vertonen. In een huurprijswijzigingsbeding moet vooraf een buitengrens van de mogelijke opslag worden bepaald. Het valt dan te billijken dat enige marge wordt ingebouwd.
Voor hogere maximale opslagpercentages vond ik geen steun in dat voorbeeld, al kan ook in deze gevallen enig begrip worden opgebracht voor de wens van de verhuurder om wat marge in te bouwen. Ik acht voorstelbaar dat ook bedingen met deze maximale opslagpercentages niet oneerlijk worden geacht in het licht van de onder (a), (b), (c) en (e) genoemde omstandigheden.
kanworden aangemerkt als een oneerlijk beding. Zoals gezegd, gaat het daarbij om de beoordeling van het opslagbeding dat deel uitmaakt van het onderhavige huurprijswijzigingsbeding.
in het algemeeneen rol spelen bij de beoordeling van een opslagbeding als het onderhavige. In dit opzicht is de bespreking ‘beperkt’ van aard geweest. Eventuele voor de beoordeling van het opslagbeding relevante
concreteomstandigheden van het geval ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, zijn in het voorgaande niet aan bod gekomen. Dat pleit ervoor om in het antwoord op vraag 1A onder a ruimte te laten voor verdiscontering van dergelijke omstandigheden.
vraag 1A onder a: Een bepaling zoals art. 10.2 lid 1 en 2 in de huurovereenkomst, die voorziet in een jaarlijks toe te passen opslag op de huurprijs van maximaal 3% boven de indexering krachtens de consumentenprijsindex, behoeft in het algemeen – daargelaten bijkomende omstandigheden die eventueel in individuele gevallen kunnen spelen − niet te worden aangemerkt als een oneerlijk beding.
8.Gevolgen van vernietiging van een oneerlijk beding (vragen 1B onder b, 2 en 5)
- het beding mag voor de toekomst niet meer worden toegepast, hetgeen bij een geliberaliseerde huurprijs bij het ontbreken van een wettelijke huurverhogingsregeling betekent dat geen huurverhoging meer mogelijk is;
- de huurder kan teveel betaalde huur terugvorderen.
Bank M) − moet een als oneerlijk aangemerkt contractueel beding in beginsel worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben bevonden, wordt hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen. [184] Dit is anders als de consument afziet van de bescherming die de Richtlijn oneerlijke bedingen hem biedt. [185]
Hieraan doet niet af dat de nationale rechter volgens de rechtspraak van het HvJEU niet verplicht is om naast het oneerlijk verklaarde beding ook bedingen buiten toepassing te laten die niet als oneerlijk zijn aangemerkt. [186] De nationale rechter moet per beding beoordelen of het oneerlijk is. Dit kan inhouden dat de rechter zich met het oog op de oneerlijkheidstoets afvraagt of een beding, dat zich op het eerste gezicht als één beding aandient, op inhoudelijke gronden moet worden gesplitst in meerdere bedingen (zie hiervoor onder 6, i.h.b. nr. 6.8.4). Indien echter het object van beoordeling is vastgesteld (‘het huurprijswijzigingsbeding’ of ‘het opslagbeding’) en geoordeeld is dat dit beding oneerlijk is, moet de rechter daaraan het gevolg verbinden dat het beding de consument niet bindt.
verdergaan dan ongedaanmaking van hetgeen onverschuldigd is betaald (met wettelijke rente). In de zaak
Bank Mging het om de mogelijkheid van een afzonderlijke vordering van de consument op het bedrijf (naast die uit onverschuldigde betaling) bijvoorbeeld op de grond dat het bedrijf heeft kunnen profiteren van door de consument onverschuldigd betaalde bedragen (vgl. punt 29). Ten aanzien van dergelijke vorderingen heeft het HvJEU wel gewezen op het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Een dergelijke vordering kan niet worden geacht in strijd te zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien daarmee het in de Richtlijn oneerlijke bedingen neergelegde verbod op oneerlijke bedingen concreet ten uitvoer wordt gelegd (punt 72). Wat betreft het evenredigheidsbeginsel dient de nationale rechter te toetsen of een dergelijke vordering niet verder gaat dan nodig is om de doelstellingen van de Richtlijn oneerlijke bedingen te bereiken (punt 73).
Bank Mhad de bank aangevoerd dat indien de geldverstrekkers (als gevolg van een oneerlijk rentebeding en daarmee nietig verklaring van de kredietovereenkomst) geen vergoeding mogen vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het geleende kapitaal en, in voorkomend geval, de betaling van vertragingsrente, de consument een ‘gratis’ lening zou krijgen. Ook voerde de bank aan dat het ontbreken van een rentevergoeding de stabiliteit van de financiële marken in gevaar zou brengen. [192] Het HvJEU overweegt in dit kader dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag, noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt. [193] Het argument betreffende de stabiliteit van de financiële markten snijdt volgens het HvJEU geen hout in het kader van de uitlegging van de Richtlijn oneerlijke bedingen, die tot doel heeft de consument te beschermen. Bovendien kan volgens het HvJEU niet worden aanvaard dat verkopers de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen kunnen omzeilen met het argument dat de stabiliteit van de financiële markten moet worden gewaarborgd. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van de banken om hun activiteiten in overeenstemming met deze richtlijn te organiseren. [194]
vraag 1B onder bluidt ontkennend.
Indien het onderhavige huurprijswijzigingsbeding wordt aangemerkt als één beding en dit beding oneerlijk is bevonden, is er vervolgens geen mogelijkheid om het beding alsnog te splitsen in een eerlijk deel en een oneerlijk deel met het oog op de gevolgen van het oordeel dat het beding oneerlijk is.
Het is wel mogelijk om te oordelen dat het huurprijswijzigingsbeding moet worden aangemerkt als twee verschillende bedingen, een indexatiebeding en een opslagbeding, die elk moeten worden getoetst. Indien die toetsing leidt tot het oordeel dat het indexatiebeding eerlijk is, dan wordt dat beding niet buiten toepassing gelaten. Zie voorts het antwoord op vraag 1B onder a (hiervoor onder 6).
vraag 2luidt dat de vaststelling in rechte dat een beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg heeft dat de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben bevonden, wordt hersteld. Dit betekent voor een oneerlijk huurprijswijzigingsbeding dat de verschuldigdheid van iedere verhoging van de huurprijs na de aanvang van de huurovereenkomst, voor zover die verhoging op het oneerlijke beding is gebaseerd, vervalt. Voor zover in het verleden op basis van het oneerlijke beding doorgevoerde huurverhogingen door de huurder aan de verhuurder zijn betaald, zijn deze onverschuldigd betaald (art. 6:203 BW Pro), zodat op de verhuurder een verbintenis rust om het om de onverschuldigd betaalde bedrage aan de huurder terug te betalen. Toekomstige huurverhogingen op basis van het oneerlijke beding zijn niet mogelijk.
vraag 5luidt dat de Hoge Raad niet kan oordelen of een beperking in de tijd van de gevolgen van het oneerlijkheidsoordeel mogelijk is. Daarover kan alleen het HvJEU beslissen.
Gevolgen van het oordeel dat een huurprijswijzigingsbeding oneerlijk is voor de vorderingen van de verhuurder (vragen 3 en 4)
De rechter kan de verhuurder in de gelegenheid stellen de nakomingsvordering aldus nader toe te lichten, maar kan eventueel ook zelfstandig aan de hand van de publiek beschikbare inflatiecijfers bepalen welk deel van de vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Dit laatste veronderstelt wel dat de rechter beschikt over gegevens waaruit kan worden afgeleid wanneer en met welk percentage de huurprijs in het verleden is verhoogd. Bij gebreke van dergelijke gegevens is denkbaar dat de rechter niet kan bepalen in welke mate de nakomingsvordering voor toewijzing in aanmerking komt, bijvoorbeeld indien bij een langlopende huur de verhuurder slechts stelt wat de thans geldende huurprijs is en welk bedrag niet is betaald door de huurder.
Profi Credit Bulgaria [199] van het HvJEU af dat de nationale rechter verplicht is om ambtshalve te verrekenen indien de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid dit meebrengen (rov. 22 VV). Het lijkt de kantonrechter niet doeltreffend wanneer een huurachterstand wordt toegewezen, indien vaststaat dat verhuurder op basis van het oneerlijk beding een terugbetalingsplicht heeft voor een groter bedrag dan de huurachterstand, althans indien de verhuurder niet kan onderbouwen dat er met verrekening van dit saldo nog een huurachterstand bestaat (rov. 23 VV).
Profi Credit Bulgariavolgt dat de rechter op grond van art. 6 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen verplicht is om alle consequenties te trekken die naar nationaal recht voortvloeien uit de vaststelling dat een beding in een consumentenovereenkomst oneerlijk is, zodat hij kan waarborgen dat de consument niet door die overeenkomst gebonden is (zie punten 41-43). Dit leidt in beginsel niet tot de verplichting voor de rechter om de op grond van dat beding verrichte betalingen ambtshalve te verrekenen met het uit hoofde van die overeenkomst verschuldigde saldo (zie punten 44 en 49). Dit kan anders zijn indien het niet ambtshalve verrekenen door de rechter leidt tot strijdigheid met het gelijkwaardigheidsbeginsel of het doeltreffendheidsbeginsel (zie punt 46).
Profi Credit Bulgariablijkt dat de omstandigheid dat de betrokken consument een afzonderlijke procedure moet inleiden voor de uitoefening van zijn recht, op zichzelf niet tot strijdigheid met het doeltreffendheidsbeginsel leidt, ook al vereist dit een actieve houding van de consument en de inleiding van een procedure op tegenspraak (zie punten 45 en 48). De inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel kan niet zodanig ver worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen (zie punt 49). [201]
Eigen Haardblijkt (i) dat het aan de feitenrechter is om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden en (ii) dat de rechter dit ook in verstekzaken moet toetsen. [203]
Bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering van de verhuurder tot nakoming van de verplichting tot betaling van de huurprijs (‘de huurachterstand’), dient de rechter verhogingen van de huurprijs die zijn gebaseerd op een oneerlijk beding buiten beschouwing te laten. De rechter kan daarbij niet ambtshalve overgaan tot verrekening van de vordering van de verhuurder met een vordering van de huurder uit hoofde van onverschuldigde betaling.
Bij de beoordeling van de vorderingen van de verhuurder tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde dient de rechter te onderzoeken of de tekortkoming in het licht van de omstandigheden van het geval de ontbinding rechtvaardigt. Daarbij kan relevant zijn dat de huurder in het verleden op grond van toepassing van een oneerlijk huurprijswijzigingsbeding te veel heeft betaald.
Vraag 3 onder c en dbehoeft geen beantwoording.
De vraag heeft betrekking op de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de huurder op de verhuurder in het geval dat een beding over huurprijswijziging oneerlijk is en de huurder op basis van dat beding bepaalde bedragen aan huurverhoging heeft betaald aan de verhuurder.
10.Beantwoording van de prejudiciële vragen
vraag 1B onder a), 7.10 (
vraag 1A onder b), 7.83 (
vraag 1A onder a), 8.11 (
vraag 1B onder b), 8.12 (
vraag 2), 8.13 (
vraag 5) en 9.12 (
vraag 3 onder a en b) van deze conclusie.
vraag 4behoeven geen beantwoording.
loonstijging)+
opslag
loonstijging)+
opslag
1,5= 4,0
2= 4,5
4= 6,5
1,5= 2,5
2= 3,0
4= 5,0
1,5= 2,1
2= 2,6
4= 4,6
1,5= 1,8
2,5= 2,8
4= 4,3
1,5= 2,9
2,5= 3,9
4= 5,4
1,5= 3,1
2,5= 4,1
4= 5,6
1,5= 4,1
2,5= 5,1
4= 6,6
1= 2,4
1= 3,3
= 3.1210
1= 4,1
= 5,8210
1= 5,5
4,5+
1= 5,5
1= 6,8