Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 januari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een bewoner die op een woonwagenstandplaats woont en de gemeente die de ontruiming vordert. De bewoner was bij zijn partner ingetrokken die de standplaats huurde, maar na het beëindigen van hun relatie bleef hij er wonen. De gemeente vorderde ontruiming omdat de bewoner geen huurder was en het bestemmingsplan wonen op de locatie niet langer toestond.
Het hof Amsterdam wees de vordering tot ontruiming toe en overwoog dat het beroep van de bewoner op het recht op eerbiediging van de woning (artikel 8 EVRM Pro) niet kon leiden tot gedogen van het gebruik, mede omdat de bewoner onvoldoende medische noodzaak had onderbouwd. De bewoner stelde in cassatie dat het hof zijn artikel 8-verweer niet gedetailleerd had onderzocht en onvoldoende had gemotiveerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de relevante argumenten, vooral de stelling dat het vanwege de woningmarkt praktisch onmogelijk is om passende woonruimte te vinden, niet in zijn motivering had betrokken. Hierdoor voldeed het hof niet aan zijn verplichting tot een gedetailleerde toetsing en motivering van het artikel 8 EVRM Pro-verweer. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.
De Hoge Raad veroordeelde de gemeente tevens in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak benadrukt het belang van een volledige en zorgvuldige beoordeling van het recht op eerbiediging van de woning bij ontruimingszaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag wegens onvoldoende motivering van het artikel 8 EVRM-verweer.