Conclusie
De ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam (hierna: de
OK) heeft bij wijze van onmiddellijke voorziening ex art. 2:349a BW de interim-bestuurder (voor zover zij vanaf 1 juli 2019 niet langer bestuurder is) benoemd tot tijdelijke bestuurder van de coöperatie, bepaald dat zij zelfstandig bevoegd is de coöperatie te vertegenwoordigen, en bepaald dat de benoeming in ieder geval zal duren totdat de OK een beslissing op de overige verzoeken heeft genomen en heeft besloten of en op welke wijze alsdan in het bestuur van de coöperatie zal moeten worden voorzien. Deze benoeming van de interim-bestuurder tot tijdelijke bestuurder is door de OK bij nadere beschikking gehandhaafd, waarbij omwille van de duidelijkheid in het belang van de Coöperatie is bepaald dat zij geen stemrecht in de algemene vergadering van de coöperatie heeft.
allebesluiten door de algemene vergadering kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee van de drie leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten van de coöperatie en/of contractueel tussen de coöperatie en haar leden anders is bepaald. De OK heeft een onderzoek gelast, maar de aanwijzing van de onderzoeker vooralsnog aangehouden opdat kan worden bezien of reeds door de getroffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt.
Met haar over vijf onderdelen en diverse subonderdelen verspreide klachten, voert verzoekster tot cassatie (één van de drie leden van de coöperatie) vanuit diverse invalshoeken aan dat de OK deze onmiddellijke voorzieningen niet had mogen treffen, althans dat deze voorzieningen door de OK onvoldoende zijn gemotiveerd. De coöperatie voert verweer. Het cassatieberoep treft m.i. geen doel.
1.De feiten
Mutsaers) is een jeugdzorg- en GGZ-instelling met een maatschappelijke, mensgerichte oriëntatie. Mutsaers biedt diensten aan op het gebied van zorg en in samenwerking met haar partners onderwijs. [bestuurder 1] (hierna:
[bestuurder 1]) is bestuurder van Mutsaers.
De Wijnberg) vormt samen met Mutsaers een full service centrum voor (sociale) kindergeneeskunde, steun bij complexe opvoedingsvraagstukken, psychiatrische zorg voor kinderen, jongeren en volwassenen, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, aanpak huiselijk geweld, vrouwenopvang, opleidingen en onderzoek. [bestuurder 1] , [bestuurder 2] , [bestuurder 3] en [bestuurder 4] zijn bestuurders van De Wijnberg.
Aloysius) biedt kinderen en jongeren van 4 tot 27 jaar expertise in onderwijs, begeleiding en ondersteuning. Aloysius houdt een aantal speciaal onderwijsscholen in Nederland in stand. In Roermond houdt Aloysius SO Spoorzoeker en VSO Ortolaan in stand. In nabijgelegen gemeenten houdt Aloysius ook andere scholen in stand, waaronder SO Latasteschool in Horn, SO Widdonckschool in Heibloem en VSO De Ortolaan in Heibloem. Bestuurder van Aloysius is [bestuurder 5] (hierna:
[bestuurder 5]).
SWV), De Wijnberg, Aloysius en Mutsaers een overeenkomst gesloten. De overeenkomst vermeldt onder meer dat:
Masterplan) op te stellen, waarin voor wat betreft de beoogde samenwerking tussen de betrokken partijen een aantal zaken nader wordt uitgewerkt. Het Masterplan dateert van 14 februari 2014 en vermeldt in paragraaf 6.7 onder meer:
Coöperatie) is opgericht op 2 april 2014. De statuten van de Coöperatie zijn op 9 juli 2015 voor het laatst gewijzigd. Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius zijn de oprichters en leden van de Coöperatie. Anders dan aanvankelijk beoogd, is SWV geen lid van de Coöperatie geworden. Sinds de oprichting zijn geen nieuwe leden toegetreden. Bij de oprichting van de Coöperatie zijn [bestuurder 5] en [bestuurder 1] tot bestuurders van de Coöperatie benoemd. De doelstelling van de Coöperatie is het beheer en de exploitatie van het gebouw waarin de Roermondse vestigingen van de leden zijn gevestigd, het bieden van ondersteuningsdiensten aan onderwijs- en zorginstellingen, meer in het bijzonder ten aanzien van integrale onderwijs- en (jeugd)zorgarrangementen (“één kind, één plan”) en het behartigen van de maatschappelijke belangen van de leden. De Coöperatie heeft geen (wezenlijke) eigen inkomsten. Zij is voor de financiering van haar uitgaven afhankelijk van de contributie die de leden willen betalen.
[betrokkene 1]) is in 2016 benoemd als directeur. [betrokkene 1] is in dienst van Mutsaers.
Overeenkomst gemene rekening) gesloten. In art. 5 van Pro de Overeenkomst gemene rekening staat:
Mantelovereenkomst) gesloten.
SWV 31), Aloysius en Stichting Onderwijs Midden-Limburg een uitvoeringsovereenkomst (hierna: de
Uitvoeringsovereenkomst) gesloten met betrekking tot een orthopedagogisch didactisch arrangement.
KEC) heeft zitten dan begroot en (iv) de oorzaak van en verantwoordelijkheid voor de extra kosten van de bouw en de kosten die nodig zijn voor het herstel.
[verweerster 4]) benaderd met de vraag of zij als interim-bestuurder van de Coöperatie aan de slag wil gaan.
mr. Eikelboom) namens Aloysius aan [verweerster 4] onder meer geschreven dat [verweerster 4] zich jegens Aloysius niet kan beroepen op het aanvaarden van de offerte van [verweerster 4] , dat opzegging van de offerte niet nodig is en dat voor zover de in de offerte vastgelegde voorwaarden nog van toepassing zijn deze zijn opgezegd per direct althans per 30 juni 2019.
KvK) met het verzoek een onderzoek in te stellen naar de inschrijving van [verweerster 4] als bestuurder van de Coöperatie per 30 juni 2019.
mr. Vielvoye) van 14 juli 2019 heeft mr. M. Mussche (hierna:
mr. Mussche) namens de Coöperatie gereageerd op de brief van 11 juli 2019 bedoeld onder 1.38 hiervoor. In de brief staat dat de Coöperatie en [verweerster 4] de door Mutsaers en De Wijnberg geuite zorgen en bezwaren onderschrijven, dat Aloysius enerzijds de besluitvorming binnen de Coöperatie frustreert en nalaat haar (contractuele) verplichtingen als lid van de Coöperatie na te komen, terwijl zij anderzijds weigert de Coöperatie te verlaten. De opstelling van Aloysius is naar het oordeel van de Coöperatie en [verweerster 4] de voornaamste oorzaak van de huidige impasse binnen de Coöperatie. Verder staat in de brief dat noodzakelijke maatregelen ter verbetering van de veiligheidssituatie vanwege de impasse in de besluitvorming niet kunnen worden genomen en dat een afschrift van de bezwarenbrief en de reactie aan mr. Eikelboom is gezonden.
2.Het procesverloop
In feitelijke instantie bij de OK
allebesluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in en vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel anders is bepaald;
allebesluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van tenminste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel anders is bepaald.
Beschikking I), 31 oktober 2019 (hierna ook: de
Beschikking II) en 1 november 2019 (hierna ook: de
Beschikking III). De Coöperatie heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Uitgangspunten in cassatie, plan van behandeling
Aspecten van de Coöperatie
‘Curatieve enquêtes’ en onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW
Ogem-beschikking aan de wetsgeschiedenis heeft ontleend: [20]
Ook de
SkyGate-zaak [25] en de
Inter Access-zaak [26] zijn treffende voorbeelden van curatieve enquêtes. [27] Het komt mij dienstig voor eerst kort in te gaan op de
SkyGate-beschikking van de Hoge Raad, die zich heeft ontwikkeld tot vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de OK over onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW, alvorens dit laatste nader te bezien onder 3.4 hierna; [28] de
Inter Access-zaak komt o.a. onder 3.5 en 3.7 hierna aan bod. In de
SkyGate-zaak stond centraal de door de OK op de voet van (het toen geldende) art. 2:349a BW getroffen onmiddellijke voorziening, waardoor zonder de statutair vereiste meerderheid over een financieringsplan (‘noodzaakfinanciering’) kon worden besloten. Het betrof een in aandelen converteerbare lening die ertoe kon leiden dat de meerderheidsaandeelhouder (‘FTS’) haar meerderheidsbelang kwijtraakte aan de minderheidsaandeelhouder. [29] De Hoge Raad overwoog: [30]
Een kleine geschiedenis van onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW
SkyGate-beschikking van de Hoge Raad op de wetsgeschiedenis van (de invoering van) art. 2:349a BW, waaruit verwantschap blijkt met het treffen van onmiddellijke voorzieningen in een kortgedingprocedure (naar huidig recht ex art. 254 Rv Pro). [33] In de memorie van toelichting bij het desbetreffende wetsvoorstel tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête, heeft de toenmalige staatssecretaris van Justitie over die verwantschap met het kort geding onder meer opgemerkt: [34]
SkyGate-beschikking van de Hoge Raad dat de staatssecretaris bij het trekken van de parallel met voorzieningen in kort geding kennelijk doelde op deze vaste rechtspraak. [38] Mok werkt dit nader uit, door erop te wijzen dat het treffen van voorlopige voorzieningen met mogelijk onomkeerbare gevolgen in kort geding niet is toegestaan voor zuiver declaratoire beslissingen (zoals het vaststellen van de onrechtmatigheid van een handeling of het vaststellen van de nietigheid van een rechtshandeling) en dat ook het geven van bepaalde constitutieve beslissingen die een definitieve wijziging teweegbrengen in de rechtspositie van partijen (zoals het vernietigen of ontbinden van een overeenkomst) niet behoort tot de bevoegdheid van de voorzieningenrechter, maar dat andere constitutieve beslissingen (zoals het schorsen van een bestaande rechtsbetrekking en het treffen of opheffen van conservatoire maatregelen) wel zijn toegestaan. [39] Mok komt tot de conclusie dat de in de
SkyGate-zaak bestreden voorziening vergelijkbaar is met bijvoorbeeld een onmiddellijke voorziening tot benoeming van een bestuurder die bij het staken van de stemmen een doorslaggevende stem heeft. De bestuursbesluiten die na het treffen van die voorziening worden genomen, kunnen voor partijen evenzeer onomkeerbare gevolgen hebben. Van een constitutieve beslissing waarbij een bepaalde rechtstoestand wordt gecreëerd, gewijzigd of opgeheven is dan echter geen sprake. [40] Zoals blijkt uit de onder 3.3 hiervoor aangehaalde passage uit de
SkyGate-beschikking heeft de Hoge Raad zijn A-G gevolgd, waarbij in de derde zin van rov. 3.6 van de beschikking ook duidelijk die rechtspraak met betrekking tot voorzieningen in kort geding doorklinkt. [41] Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête, blijkt dat deze parallel met voorzieningen in kort geding nog steeds geldt. Ik citeer de relevante passages. [42]
(…) De Ondernemingskamer kan zich (…) niet beperken tot een afweging van de belangen van de rechtspersoon en de verzoeker(s). Daarom wordt een andere formulering voorgesteld, die naar mijn mening tegemoet komt aan de gedachte die aan dit onderdeel van het SER-advies ten grondslag ligt.
DSM-beschikking van de Hoge Raad. [48] Ik wijs er nog op dat art. 2:355 lid 3 BW Pro onder meer art. 2:349a BW van overeenkomstige toepassing verklaart, wat onderstreept dat deze laatste bepaling ook relevant is voor de ‘tweede procedure’ (ook wel ‘tweede fase’ genoemd) waaruit het in de wet vastgelegde stelsel van het recht van enquête bestaat, en waarin, kort gezegd, wordt voortgebouwd op de ‘eerste procedure’ (‘eerste fase’) in die zin dat daarin centraal staan (het verslag van) het in de eerste procedure gelaste onderzoek en de desverzochte beoordeling door de OK op basis van dat verslag van de vragen of sprake is geweest van wanbeleid (art. 2:355 lid 1 BW Pro) en zo ja, welke voorzieningen dan eventueel dienen te worden getroffen. [49] Dit laatste speelt in de onderhavige zaak vooralsnog niet, nu daarin de ‘eerste procedure’ (‘eerste fase’) aan de orde is.
sacrosanctitatis causa[is] geschreven: de Ondernemingskamer moet de altijd al toegepaste gedachtegang aan het papier toevertrouwen” [curs. in origineel, A-G], en: “Zogezegd gaat het in de DSM-beschikking en in artikel 2:349a lid 3 BW slechts om aan de motivering te stellen eisen en wijken zij noch af van eerdere rechtspraak van de Ondernemingskamer onderscheidenlijk brengen zij noch nieuw - materieel - recht.” [50] Op de motiveringseisen die voortvloeien uit art. 2:349a leden 2 en 3 BW kom ik nog terug (onder 3.13-3.14 hierna). Waar het mij hier om gaat, is dat deze wetswijziging de bestaande praktijk van de OK en enquêteprocedures inzake onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW niet heeft gewijzigd. [51] Die praktijk hield ook voordien en houdt nog steeds in dat, met name bij curatieve enquêtes zoals de onderhavige (zie ook onder 3.3 hiervoor), “het accent van de enquêteprocedure is verschoven van gevallen waarin onderzoek wordt bevolen naar gevallen waarin uiteindelijk alleen onmiddellijke voorzieningen worden opgelegd” en waarbij het onderzoek “dat in de opzet van de wettelijke regeling de kern van de enquêteprocedure is (…) niet meer dan een overbodig aanhangsel van het geding [is].” [52] Het treffen van onmiddellijke voorzieningen hoeft niet gepaard te gaan met het laten aanvangen van het onderzoek (zie nader onder 3.5 hierna), dat volgens de
Gucci-beschikking van de Hoge Raad “de kern van het in de wet neergelegde stelsel van het enquêterecht [vormt].” [53] In de literatuur wordt echter onderkend dat “[d]e onmiddellijke voorzieningen zich kwantitatief en kwalitatief zo [hebben] ontwikkeld dat niet langer gezegd kan worden dat het onderzoek de enige kern van het enquêterecht is” [54] en dat “[d]e OK, wat betreft het enquêterecht, in feite uitgegroeid (of scheefgegroeid?) [is] tot een
OKGK, een
ondernemingskortgedingkamer” [55] [curs. in origineel, A-G].
Inter Access-beschikking gesauveerd met, kort gezegd, de overweging dat “[d]eze gang van zaken niet in strijd [is] met het stelsel van de wet”. [56] Zolang het minimaal vereiste verband tussen onmiddellijke voorzieningen en het onderzoek niet uit het oog wordt verloren en het treffen van de onmiddellijke voorzieningen voldoende wordt gemotiveerd (zie ook onder 3.13-3.14 hierna), wordt aan de OK bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen dus de nodige rekkelijkheid geboden om het functioneren van de rechtspersoon te bevorderen, in lijn met de gerichtheid van het enquêterecht op het belang van de rechtspersoon die voorwerp is van de enquêteprocedure als bedoeld in art. 2:345 BW Pro (zie ook onder 3.2-3.3 hiervoor).
allebesluiten door de algemene vergadering kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius anders is bepaald (rov. 3.12 en 4). In de literatuur wordt aangenomen dat deze onmiddellijke voorzieningen voldoen aan de door art. 2:349a lid 2 BW gestelde eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit. [58]
Het gezegde: “Nood breekt wet”
Versatel-beschikking van de Hoge Raad uit 2007 volgt dat de OK bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen op grond van art. 2:349a BW niet alleen mag afwijken van de statuten, maar ook van voorschriften van dwingend recht: [59]
Versatel-beschikking van de Hoge Raad: [60]
Versatel-beschikking schept duidelijkheid over de reikwijdte van de volgende overweging uit zijn eerdere
Zwagerman Beheer-beschikking, waarin de Hoge Raad in het kader van door de OK getroffen voorzieningen op de voet van art. 2:356 BW Pro onder meer het volgende heeft overwogen: [61]
Versatel-beschikking laat zien, volgt uit die overweging uit zijn eerdere
Zwagerman Beheer-beschikking in ieder geval niet [63] dat de OK bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW niet mag afwijken van dwingendrechtelijke bepalingen van Boek 2 BW; dat mag zij, onder omstandigheden, wel. [64] De OK is na de
Zwagerman Beheer-beschikking van de Hoge Raad ook onmiddellijke voorzieningen blijven treffen waarmee bijvoorbeeld dwingende regels van vennootschapsrecht opzij werden gezet. [65] In de literatuur wordt in dit verband wel gesproken van een tijdelijke bestuurder of tijdelijke commissaris met “bijzondere” of “extra” bevoegdheden. [66]
allebesluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen (in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden), wijkt dus weliswaar (mede) af van de statuten van de Coöperatie, maar is niet in strijd met Boek 2 BW (zie ook onder 3.2 hiervoor).
SkyGate-beschikking van de Hoge Raad, geciteerd onder 3.3 hiervoor: [69]
SkyGate-zaak had de ‘potentieel benadeelde partij’ FTS (zie ook onder 3.3 hiervoor) zelf na de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW - in theorie - nog de mogelijkheid, door wel of niet te participeren in de in aandelen converteerbare lening (welke participatiemogelijkheid niet op voorhand was uitgesloten), te voorkomen dat zij haar positie als meerderheidsaandeelhouder zou kwijtraken. In de
Inter Access-zaak had de ‘potentieel benadeelde partij’ Marigot Investments N.V., anders dan in de
SkyGate-zaak, zelf na de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW niet meer - ook niet in theorie - de mogelijkheid de op handen zijnde verwatering van haar aandelenbelang van 59,5% tot ongeveer 11%, tegen te houden. [71] Dit laatste stond niet in de weg aan de toepassing door de OK van art. 2:349a BW in die zaak, zo leert de
Inter Access-beschikking van de Hoge Raad: daarin sauveert hij de desbetreffende beschikking van de OK, [72] gelijk de beschikking van de OK in de
SkyGate-zaak ook de toets der kritiek kon doorstaan (zie ook onder 3.3 hiervoor).
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden), niet langer standaard de mogelijkheid eigenstandig - via een ‘veto’ - bepaalde besluiten van de algemene vergadering tegen te houden. Dit neemt echter niet weg dat, ook volgend op Beschikking II, voor Aloysius bijvoorbeeld wel onverminderd de mogelijkheid bestaat die besluitvorming van de Coöperatie te beïnvloeden door daaraan deel te nemen (zelf of bij vertegenwoordiger), in dat kader het woord te (doen) voeren en daarbij het stemrecht uit te (doen) oefenen in verband met het voorgestelde besluit van de algemene vergadering. Het was en is op voorhand niet een gegeven wat, volgend op Beschikking II, gedurende het onderhavige geding en bij handhaving van de getroffen onmiddellijke voorzieningen in concrete gevallen de uitkomst van besluitvorming door de algemene vergadering van de Coöperatie zal zijn.
Cancun-beschikkingen van de Hoge Raad, [75] voor de hand dat ook een commissaris van een coöperatie in het kader van zijn taakvervulling, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW Pro, zorgvuldigheid dient te betrachten met de belangen van al degenen die bij de coöperatie en haar onderneming zijn betrokken en dat deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat de commissaris bij het dienen van dat coöperatiebelang ervoor zorgt dat daardoor de belangen van al degenen die bij de coöperatie of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad, wat steeds zal afhangen van de omstandigheden van het geval. [76] Ik wijs voorts erop dat het bepaalde in art. 2:8 BW Pro ook geldt voor de Coöperatie en haar overige leden, Mutsaers en De Wijnberg: zij moeten zich, gelijk de tijdelijke commissaris (alsmede [verweerster 4] als tijdelijke bestuurder) van de Coöperatie en het lid Aloysius zelf, op grond van art. 2:8 BW Pro jegens elkaar (dus ook jegens het lid Aloysius) gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. [77] Ook een besluit van de algemene vergadering van de Coöperatie kan in rechte worden getoetst, zoals op de voet van art. 2:15 BW Pro. [78]
Versatel-beschikking van de Hoge Raad als daar aangehaald, wat zich ook laat toepassen op de verwijzing in art. 2:8 lid 2 BW Pro naar een tussen die betrokkenen krachtens “statuten” geldende regel. Anderzijds, en daar komt het voorgaande in beeld, dient ook bij de besluitvorming door de algemene vergadering van de Coöperatie die na de door de OK in Beschikking II ex art. 2:349a BW getroffen onmiddellijke voorzieningen kan plaatsvinden op basis van een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, op grond van diezelfde bepaling, in het bijzonder art. 2:8 lid 1 BW Pro, door de betrokkenen anders dan het lid Aloysius op gepaste wijze rekening te worden gehouden ook met de gerechtvaardigde belangen van het lid Aloysius (net zo goed als dat geldt voor het lid Aloysius in verhouding tot die andere betrokkenen, alsmede de Coöperatie).
Voor de OK ook bij onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW geldende bepaaldheidseis
Zwagerman Beheer-zaak [79] slaagde, naast de onder 3.6 hiervoor weergegeven grond, tevens met betrekking tot een ander onderdeel van de OK. Ik citeer wederom de Hoge Raad in die
Zwagerman Beheer-beschikking: [80]
allebesluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van tenminste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel anders is bepaald” [curs. in origineel, A-G]. De OK acht de onmiddellijke voorzieningen waarbij een tijdelijke commissaris met extra bevoegdheden (één doorslaggevende stem in de algemene vergadering) wordt benoemd “mede (…) noodzakelijk” (rov. 3.12, tweede zin van Beschikking II), omdat daarmee “een situatie in het leven wordt geroepen waarbij ten aanzien van de financiële aangelegenheden van de Coöperatie beslissingen kunnen worden genomen” (rov. 3.12, eerste zin van Beschikking II). De OK heeft hier dus in de eerste plaats het oog op art. 6 van Pro de statuten.
allebesluiten door de algemene vergadering” door de OK in rov. 3.12 en het dictum van Beschikking II. Uit de door de OK vastgestelde feiten (zie met name onder 1.13 hiervoor) blijkt duidelijk om welke besluiten van de algemene vergadering het kan gaan. [82]
‘Doorslaggevende stem’ of ‘beslissende stem’ van een tijdelijke bestuurder of tijdelijke commissaris
beslissendestem houdt in dat de stem van de tijdelijke bestuurder of tijdelijke commissaris bepalend is. In de rechtspraak van de OK komen verschillende varianten van de beslissende stem voor, die ik hier verder onbesproken laat, omdat die hier niet aan de orde zijn. [85] De meest voorkomende en gebruikelijke uitleg van de
doorslaggevendestem van de tijdelijke bestuurder of tijdelijke commissaris is een stem die de doorslag geeft als de stemmen staken. [86] Als de OK in haar rechtspraak toelicht wat met een doorslaggevende stem wordt bedoeld, wat - zoals de onderhavige zaak illustreert - niet altijd het geval is, is dat normaliter ook de wijze waarop zij zo’n stem toelicht. [87]
allebesluiten van de algemene vergadering van de Coöperatie, uitgaande van een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden. Ik geef enkele voorbeelden.
‘Twee stemmen voor, twee stemmen tegen’: voorgesteld besluit niet genomen.Stel dat een lid (bijvoorbeeld Aloysius) en de tijdelijke commissaris voor een voorgesteld besluit zouden stemmen en de twee andere leden (dan dus Mutsaers en De Wijnberg) tegen. Het voorgestelde besluit is dan, gelet op de drempel die inherent is aan die vereiste meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen (in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden), niet genomen. [90] Dat de tijdelijke commissaris voor het voorgestelde besluit heeft gestemd, doet daaraan niet af. Anders zou geen sprake zijn van een ‘doorslaggevende’ stem van de tijdelijke commissaris, maar van een ‘beslissende’ stem van die door de OK benoemde functionaris, welke stem dan immers bepalend is (zie daarover ook hierna, aan het slot). De voor-stem van de tijdelijke commissaris is dan in zoverre dus niet ‘doorslaggevend’ dat daardoor het voorgestelde besluit toch genomen is ondanks die drempel, aan zijn stem(recht) komt dan dus niet een dergelijk bijzonder gewicht toe.
‘Twee stemmen voor, een stem tegen’ (en ook de tijdelijke commissaris stemt): voorgesteld besluit niet genomen. Dit geldt ook als naast de tijdelijke commissaris slechts twee van de drie leden van de Coöperatie ter vergadering aanwezig zouden zijn of vertegenwoordigd zouden worden, en niet allen voor een voorgesteld besluit zouden stemmen maar slechts twee van hen, en de ander tegen zou stemmen. Hoewel ook dan is voldaan aan de quorumeis (dus: in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden), geldt ook dan dat het voorgestelde besluit niet is genomen gelet op de vereiste meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen die dan niet wordt gehaald, ook al heeft ook de tijdelijke commissaris voor het voorgestelde besluit gestemd. Dat in dit geval de stemmen van die twee leden staken, doet aan die uitkomst niet af en maakt niet dat die voor-stem van de tijdelijke commissaris aldus ‘doorslaggevend’ is dat daardoor het voorgestelde besluit toch genomen is ondanks die drempel.
‘Drie stemmen voor, een stem tegen’: voorgesteld besluit wel genomen.Zouden naast de tijdelijke commissaris de drie leden van de Coöperatie ter vergadering aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, en zouden twee van de leden plus de tijdelijke commissaris voor het voorgestelde besluit stemmen en het andere lid tegen, dan zou die stem van de tijdelijke commissaris doorslaggevend zijn om de vereiste meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen te halen, aldus dat zonder die stem die vereiste meerderheid niet zou worden gehaald. Deze doorslaggevende stem van de tijdelijke commissaris heeft dan niet van doen met stakende stemmen, net zo min als wanneer de drie leden al voor het voorgestelde besluit zouden stemmen, wat voldoende is voor het nemen van het besluit (een voor-stem van de tijdelijke commissaris komt daar bovenop, een tegen-stem van de tijdelijke commissaris doet daaraan niet af). De stem van de tijdelijke commissaris is in zo’n ‘drie stemmen voor, een stem tegen’-situatie ‘doorslaggevend’ in de gangbare, taalkundige, betekenis van het woord, [91] dat zijn stem bij twee stemmen voor en één stem tegen, gelet op de vereiste meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen, de doorslag geeft voor het al dan niet nemen van het voorgestelde besluit.
‘Drie stemmen voor’ (en ook de tijdelijke commissaris stemt): voorgesteld besluit wel genomen.Dit geldt ook als naast de tijdelijke commissaris slechts twee van de drie leden van de Coöperatie ter vergadering aanwezig zouden zijn of vertegenwoordigd zouden worden, en in aanvulling op die twee leden ook de tijdelijke commissaris voor een voorgesteld besluit zou stemmen. Ook dan is voldaan aan zowel de quorumeis als de vereiste meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen, waarbij weer gezegd kan worden dat met die voor-stem van de tijdelijke commissaris die minimaal vereiste meerderheid wordt gehaald en deze stem aldus ‘doorslaggevend’ is.
beslissendestem toe te kennen bij alle besluiten van de algemene vergadering. Alle drie de leden (dus Aloysius, Mutsaers en De Wijnberg) zouden dan wat betreft stemverhoudingen buiten spel zijn gezet bij de besluitvorming door de algemene vergadering, wat insluit dat de stem van de tijdelijke commissaris ten faveure van het voorgestelde besluit dan bepalend is, ongeacht het tegenstemmen door een of meerdere leden (zie ook onder 3.10 hiervoor). [92] Het zal duidelijk zijn dat die variant dieper ingrijpt in de stemverhoudingen binnen (en daarmee de besluitvorming door) de algemene vergadering van de Coöperatie dan de door de OK gekozen variant, waarbij de tijdelijke commissaris slechts één - in bovenbedoelde zin ‘doorslaggevende’ - stem in de algemene vergadering heeft en voor
allebesluiten door de algemene vergadering een vereiste meerderheid geldt van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen (in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden). In deze door de OK gekozen variant kan weliswaar één lid besluitvorming door de algemene vergadering niet tegenhouden, maar zijn, naast de voor-stem van de (ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde) tijdelijke commissaris, nog wel steeds de voor-stemmen van ten minste twee (ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde) leden nodig om te kunnen komen tot het nemen van het voorgestelde besluit van de algemene vergadering (en daarmee van de Coöperatie). Aldus bezien gaat de door de OK gekozen variant ook minder ver dan de verzoeken van Mutsaers en De Wijnberg respectievelijk van de Coöperatie. Mutsaers en De Wijnberg hebben onder meer verzocht te bepalen dat bij besluiten van de algemene vergadering van de Coöperatie die conform de statuten unanimiteit vereisen, de stem van een tijdelijke bestuurder beslissend is (zie ook onder 2.1 hiervoor). De Coöperatie heeft onder meer verzocht te bepalen dat besluitvorming door de algemene vergadering van de Coöperatie kan plaatsvinden door een gewone (volstrekte) meerderheid van stemmen, waarbij een onafhankelijke functionaris fungeert als vierde lid dat een doorslaggevende stem heeft indien de stemmen staken (zie ook onder 2.2 hiervoor).
Aqualectra-beschikking, uitgaande van een kapitaalvennootschap: [93]
CBW) over het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:282 lid 3 BWC Pro in verbinding met art. 2:283 BWC Pro, vergelijkbaar met art. 2:356 BW Pro. In het Curaçaose enquêterecht bestaat ook de mogelijkheid tot het treffen van ‘voorlopige’ voorzieningen op de voet van art. 2:276 BWC Pro, [97] welke bepaling is geïnspireerd door art. 2:349a BW. [98] Over de aanduiding als ‘voorlopige’ voorzieningen in art. 2:276 BWC Pro wordt in de memorie van toelichting opgemerkt: [99]
NJ2014/388, A-G], r.o. 3.1 sub v, r.o. 3.2.1 en 3.2.3, en opnieuw in [
NJ2014/389, A-G], r.o. 3.1, sub v en vi telkens weer en zonder aarzeling voor de term ‘voorlopige voorziening’ kiest, en slechts een enkele maal - en dan zonder aanwijsbare redenen - terugvalt op de term ‘onmiddellijke voorziening’. Hoe zit dat nu? Onder 12 hiervoor vestigde ik de aandacht op de aan Inter Access [
NJ2011/335, A-G] ontleende, weinig gelukkige tournure in r.o. 3.3.2 van [
NJ2014/389, A-G], waarin gesproken wordt van een voorziening met ‘onomkeerbare gevolgen’ die ‘naar haar aard’ een voorlopige is. Heeft de Hoge Raad, die weet dat het eigenlijk gaat om een ‘voorlopige voorziening’ in de zin van art. 223 Rv Pro, genoeg van de bastaard-term in art. 2:349a lid 2 BW? Zo ja, dan is het misschien tijd om, wanneer de gelegenheid zich voordoet, de daar gebruikte term in de nu door de Hoge Raad gewezen richting te veranderen. Dat zou in elk geval de systematiek en het denken over de voorzieningen op de voet van art. 2:349a lid 2 ten goede komen. Aan een aparte categorie voorzieningen die naar hun aard voorlopig zijn, bestaat dan geen behoefte meer. Ook niet aan een
rechtsregeldat een onder die categorie vallende voorziening tot onomkeerbare gevolgen mag leiden. Aan het gegeven dat een voorziening als bedoeld in artikel 2:3[49]a lid 2 BW in de praktijk tot onomkeerbare gevolgen kàn leiden, zal overigens niets veranderen. Dat geldt voor alle voorlopige voorzieningen in de zin van art. 223 Rv Pro. Trouwens ook voor de ‘onmiddellijke’ voorziening in kort geding.” [curs. in origineel, A-G]
SkyGate-beschikking van de Hoge Raad betreft, waarop hij dus voortbouwt in onder meer zijn
Inter Access-beschikking (zie ook onder 3.3 hiervoor).
DSM-beschikking van de Hoge Raad: [111]
DEM-zaak, samenvattend, tot de slotsom: [114]
Vredo/Veenhuis-arrest van de Hoge Raad. [117]
De Hoge Raad kan zowel (i) de vraag of de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek aanleiding geeft tot het treffen van voorzieningen, als (ii) de vraag welke onmiddellijke voorzieningen geïndiceerd zijn, alleen marginaal toetsen. Beoordeeld wordt of de Ondernemingskamer in redelijkheid tot het treffen van een onmiddellijke voorziening heeft kunnen besluiten. Aldus heeft de Ondernemingskamer een ruime discretionaire bevoegdheid bij het treffen van voorzieningen. Het is begrijpelijk dat de Hoge Raad zich op dit punt terughoudend wenst op te stellen. Een beoordeling van de vraag welke onmiddellijke voorzieningen in het concrete geval geïndiceerd zijn betreft een beoordeling van de omstandigheden van het geval, welke beoordeling is voorbehouden aan de feitenrechter. De toetsing in cassatie is in wezen een toetsing of de Ondernemingskamer door het treffen van een bepaalde voorziening niet zodanig heeft gehandeld dat geen sprake meer is van een
fair balancein het licht van de op het spel staande belangen. Een toetsing op proportionaliteit derhalve.” [125] [curs. in origineel, noten niet overgenomen, A-G]
civil rights and obligations) in het geding zijn: in de onderhavige zaak met name van leden van de Coöperatie. [126] Nu de door de OK in Beschikking II getroffen onmiddellijke voorzieningen ertoe kunnen leiden dat vermogensrechtelijke verplichtingen aan een lid van de Coöperatie worden opgelegd (zie ook onder 3.2 hiervoor), is het minst genomen voorstelbaar dat die horde te nemen valt. [127] Daarvan ga ik hierna dan ook uit.
interim measures. [128] In de
Micallef-uitspraak is het EHRM omgegaan, kort gezegd door te bepalen dat procedures met betrekking tot dergelijke
interim measuresook onder het bereik van art. 6 lid 1 EVRM Pro kunnen vallen. [129] Deze lijn wordt door het EHRM in de
Micallef-uitspraak (onder het kopje “
The new approach”) als volgt uiteengezet: [130]
Vredo/Veenhuis-arrest (zie ook onder 3.13 hiervoor). Daarbij is volgens mij ook van belang, dat de Hoge Raad de minimumeisen uit dat arrest (dus: dat de rechterlijke beslissing tenminste zodanig behoort te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang opdat zij zowel voor partijen als voor derden, en in geval van het openstaan van een hogere voorziening de hogere rechter daaronder begrepen, controleerbaar en aanvaardbaar is) in een faillissementsrechtelijke zaak nader heeft uitgewerkt, onder verwijzing naar EHRM-rechtspraak: [133]
Micallef-uitspraak van het EHRM geen verandering gebracht.
Micallef-uitspraak van het EHRM voor de motivering door de OK van het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW. [136] Hierbij moet worden bedacht dat het EHRM in de
Micallef-uitspraak niets heeft overwogen over de omvang van de motiveringsplicht bij het treffen van
interim measuresen dat mij ook geen EHRM-rechtspraak bekend is die specifiek ingaat op de motiveringseisen die gelden in geval van
interim measures. [137] Eikelboom acht het niettemin “gezien de(…) preoccupatie met de noden van de rechtspersoon (…) mogelijk dat het in de praktijk is voorgevallen dat een verweer in strijd met art. 6 EVRM Pro onbesproken bleef.” [138] Hierbij moet m.i. onder meer bedacht worden dat art. 6 EVRM Pro hier geen andere, althans zwaardere eisen, aan de motivering door de OK stelt dan die welke reeds rechtstreeks volgen uit het Nederlandse burgerlijke procesrecht. In dat licht bezien, begrijp ik ook de onder 3.13 hiervoor aangehaalde conclusie van A-G Timmerman in de
DEM-zaak, waarin wat betreft de motivering door de OK van het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW geen afzonderlijke aandacht wordt besteed aan art. 6 EVRM Pro in het algemeen en het
Micallef-arrest van het EHRM in het bijzonder.
uitwerkingvan die voorziening, over de persoon van die tijdelijke bestuurder, al dan niet zijnde [verweerster 4] . Bij een dergelijke keuze komt aan de OK een ruime discretionaire bevoegdheid toe, die zij hier heeft aangewend in het belang van de Coöperatie en (ook overigens) met inachtneming van de daarbij geldende begrenzingen. Zie ook onder 3.2-3.4 en 3.12-3.14 hiervoor. Daaraan doet niet af hetgeen overigens nog is opgemerkt in het subonderdeel, in de opsomming onder (i) t/m (vi) en de slotalinea (ook weer met een (i) en een (ii)). Daarover merk ik - ten overvloede - nog het volgende op.
de Coöperatiehier centraal staat. [159] Zie ook weer onder 3.2-3.4 en 3.12-3.14 hiervoor. En dat is wat de OK hier heeft gedaan, op toereikend gemotiveerde wijze.
allebesluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen, in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel anders is bepaald. Volgens het onderdeel, dat nog wijst op hetgeen de OK ‘kort samengevat’ in dit kader heeft overwogen (ook wijzend op rov. 3.6-3.10 en 3.15), zijn deze oordelen en beslissingen rechtens onjuist althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen.
onder a, zie ook onder 3.2-3.3 en 3.9 hiervoor), het systeem van bekostiging van het speciaal onderwijs op grond van de Wet op de expertisecentra (zie de stelling
onder b), de statuten (zie de stelling
onder c) en de Mantelovereenkomst (zie de stelling
onder d) doen, reeds naar de aard, niet af aan dat oordeel van de OK over doorbreking van het vetorecht van ieder lid (zie ook de stelling
onder e). Dat met de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen wordt afgeweken van hetgeen in de statuten en in de Mantelovereenkomst is bepaald, wordt overigens uitdrukkelijk door de OK betrokken in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II (“ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel anders is bepaald”). Over het
onder fgenoemde (kort gezegd: dat “aan Aloysius geen verwijt is te maken ten aanzien van het verloop van de besluitvorming”, dat “[d]aar waar de besluitvorming hapert, [dat] komt doordat Mutsaers en De Wijnberg wars zijn van ieder compromis” en “hebben gezocht naar manieren om Aloysius hun wil te kunnen opleggen”, en dat daarmee “niet verenigbaar [is] dat juist de zeggenschap van Aloysius aan banden zou worden gelegd”) merk ik nog het volgende op. Dit heeft de OK, wat daarvan verder zij, mede gelet op het voorgaande niet nader hoeven te betrekken noch prohibitief hoeven achten voor het treffen van de onderhavige onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW. De toestand (het belang) van de Coöperatie staat hier, in het kader van onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW, centraal (zie ook onder 3.2, 3.4 en 3.12 hiervoor). Daarmee strookt dat, ook voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen in gevallen als de onderhavige, in wezen ‘curatieve enquêtes’, niet bepalend is in hoeverre enige betrokkene, zoals het lid Aloysius of de leden Mutsaers en/of De Wijnberg, al dan niet enig verwijt te maken valt omtrent een bepaald punt (zie ook onder 3.3 hiervoor). De stem van de onafhankelijke persoon die door de OK tot tijdelijke commissaris is benoemd, is doorslaggevend in de algemene vergadering van de Coöperatie; deze ordemaatregel is onderdeel van de bredere ingreep door de OK in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II, waarmee zij niet beoogt juist de zeggenschap van Aloysius aan banden te leggen, maar op evenwichtige en doelmatige wijze de vrijwel totale patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie (waardoor belangrijke besluiten niet meer kunnen worden genomen) te doorbreken, wat insluit dat ook weer beslissingen genomen kunnen worden ten aanzien van de financiële aangelegenheden van de Coöperatie (zie ook onder 3.10-3.11 hiervoor). Van belang is daarbij dat de leden Mutsaers en De Wijnberg niet eigenstandig besluiten van de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen ‘doordrukken’ (zie ook onder 3.11 hiervoor) en dat zij, mede gelet op art. 2:8 BW Pro en niettegenstaande rov. 2.2-2.3 van Beschikking II, ieder voor zich in brede zin bij besluitvorming door de algemene vergadering tevens rekening dienen te houden met de gerechtvaardigde belangen van zowel de Coöperatie als het lid Aloysius, waarbij ook betekenis toekomt aan de betrokkenheid van zowel een tijdelijke bestuurder als een tijdelijke commissaris (zie ook onder 3.7 hiervoor). Relevant is voorts dat de OK niet heeft gekozen voor een verdergaande voorziening-variant, waarin aan de tijdelijke commissaris een ‘beslissende’ stem in de algemene vergadering van de Coöperatie zou toekomen of een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen in de algemene vergadering zou volstaan, hetgeen de zeggenschap ook van het lid Aloysius in verdergaande mate had beperkt (zie ook onder 3.11 hiervoor). Verder, en aansluitend op dit laatste, valt ook hier het volgende inzake de stelling onder g te betrekken.
onder g) die de OK, volgens het subonderdeel, als onmiddellijke voorzieningen had kunnen treffen. In het Verweerschrift zijdens Aloysius zijn deze maatregelen als volgt toegelicht: [163]
allebesluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen, in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende tijdelijke commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden. Daarop valt m.i., gelet op het voorgaande, niet noemenswaardig af te dingen. Zie ook onder 3.7 en 3.10-3.11 hiervoor.
WEC) (zie ook de stelling
onder b). De WEC treft wettelijke voorzieningen voor het speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs ter bevordering van een ononderbroken ontwikkeling van de kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is. [166] Op grond van art. 145a lid 1 WEC kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders, de rechtspersoon die de school in stand houdt een aanwijzing geven. Art. 145a lid 2 WEC bevat een limitatieve opsomming van wanbeheer. Het kan daarbij onder meer gaan om “financieel wanbeleid” (sub a) of “ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf dan wel een derde” (sub c). Het (indirect) betalen van facturen waaraan geen overeenkomst en/of geen daadwerkelijke werkzaamheden ten grondslag liggen, kwalificeert volgens Aloysius - ik denk: in beginsel terecht - als wanbeheer in de zin van de WEC. Dat volgens het subonderdeel onder b, welke stelling ook is onderkend door de OK in rov. 3.4 van Beschikking II, “Mutsaers met steun van [verweerster 4] aankoerst op het betalen van honderdduizenden euro’s door de Coöperatie aan Mutsaers voor beweerdelijke inzet van persoon waaraan geen overeenkomst ten grondslag ligt en waarover geen transparantie is betracht”, maakt evenwel niet dat de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen als zodanig in strijd zijn met bepalingen uit de WEC. Het betalen van facturen zonder dat daaraan een overeenkomst en/of daadwerkelijke werkzaamheden ten grondslag liggen/ligt, is feitelijk niet gebeurd (en zal m.i. door de aanwezigheid van de tijdelijke bestuurder, onder toezicht van de tijdelijke commissaris, ook niet snel gebeuren). Een hiervan te onderscheiden punt is de stelling van Aloysius in het subonderdeel onder b dat “het onverenigbaar is met het systeem van bekostiging van het speciaal onderwijs, indien een Lid die het bevoegd gezag is met betrekking tot een school bij meerderheidsbesluit zou kunnen worden gedwongen om een bepaald bedrag aan contributie te betalen. Dat zou immers hoogstwaarschijnlijk betekenen dat gelden die met een bepaald oormerk aan het bevoegd gezag zijn verstrekt op een andere manier worden aangewend.” [167] De OK respondeert m.i. mede (en afdoende) op deze stelling in:
noodzakelijk. Indien de voorzieningen niet het beoogde gevolg hebben, zal nader kunnen worden bezien of
verdergaandeof andere voorzieningen zijn aangewezen.” [curs. toegevoegd, A-G]
Ogem-beschikking verschillende doeleinden heeft ontleend aan “de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht, zoals deze is neergelegd in Boek 2 BW”. In de onderhavige zaak, een zogenoemde ‘curatieve enquête’ (zie ook onder 3.3 hiervoor), gaat het in wezen vooral om “de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon.” De hier door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen zijn, naar de kern genomen, gericht op doorbreking van de vrijwel totale patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen. De OK mag verstrekkende onmiddellijke voorzieningen treffen om dat doel te bereiken. Ik wees onder 3.3-3.4 hiervoor reeds op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad waaruit dat volgt. De onmiddellijke voorzieningen die door het onderdeel worden bestreden, zijn m.i. in lijn met deze rechtspraak van de Hoge Raad door de OK getroffen. Zij zijn voorlopig van aard (“voor de duur van het geding”), er heeft een billijke afweging van de belangen van partijen (onder wie het lid Aloysius) plaatsgevonden en de noodzaak van deze onmiddellijke voorzieningen is voldoende gebleken, waarbij met name van belang is dat de door Aloysius naar voren gebrachte, minder ingrijpende maatregelen niet effectief zouden zijn (zie de behandeling van subonderdelen 2.1 en 2.2). Dat deze door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen het effect kunnen hebben dat door de aldus mogelijk gemaakte besluitvorming door de algemene vergadering Aloysius “in haar portemonnee” wordt geraakt, is wellicht niet onjuist, maar levert hoe dan ook geen strijd op met de strekking van het enquêterecht. [170] De OK was ook niet gehouden nader te motiveren dat en waarom de door haar getroffen onmiddellijke voorzieningen niet in strijd komen met de strekking van het enquêterecht. Ten overvloede merk ik nog op dat het voor zich spreekt dat bij de besluitvorming door de algemene vergadering van de Coöperatie ook inzake financiële aangelegenheden (zie rov. 3.12 van Beschikking II), en bij gezamenlijke voortzetting dan wel afwikkeling van de samenwerking binnen de Coöperatie (zie rov. 3.14 van Beschikking II), in beginsel binnen de voor de leden geldende wettelijke kaders moet worden gebleven, waaronder voor Aloysius de WEC (zie ook onder 3.23 hiervoor). Daarin brengen de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen geen verandering, net zo min als de werking van bijvoorbeeld art. 2:8 BW Pro in dat kader. Zie ook onder 3.2-3.4, 3.7 en 3.11-3.14 hiervoor.
allebesluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen, in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden. Hier gelden dus geen uitzonderingen. Uit rov. 2.8 en 3.6 van Beschikking II blijkt dat de statuten van de Coöperatie voor de meeste besluitvorming door de algemene vergadering reeds een drie/vierde meerderheid van de uitgebrachte stemmen vereisen, uitgaande van een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn (art.17 lid 1 statuten Pro). Uit rov. 2.13 van Beschikking II (zie ook onder 1.13 hiervoor), onder verwijzing naar de Mantelovereenkomst, blijkt welke besluiten van de algemene vergadering enkel met algemene stemmen (unaniem) genomen kunnen worden, in een algemene vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Dat betreft de volgende besluiten:
Zwagerman Beheer-beschikking van de Hoge Raad (zie ook onder 3.8 hiervoor), ook “bepaaldelijk” van welke statutaire bepalingen met de getroffen onmiddellijke voorzieningen tijdelijk wordt afgeweken. Dit zijn, wat betreft het vereiste van een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen: de besluiten waarvoor op grond van de statuten ‘algemene stemmen’ (unanimiteit) zijn (is) vereist. En dit zijn, wat betreft de quorumeis (in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden): alle besluiten, nu de statuten daarvoor verwijzen naar een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Zoals ook uit rov. 3.12 van Beschikking II blijkt, is mede van belang dat “een situatie in het leven wordt geroepen waarbij ten aanzien van de financiële aangelegenheden van de Coöperatie beslissingen kunnen worden genomen.” Dan gaat het met name om besluiten op grond van art. 6 en Pro 11 van de statuten (zie ook rov. 2.9 en 2.13 van Beschikking II). Dat de OK met
allebesluiten mede het oog heeft op niet-financiële aangelegenheden blijkt voorts uit rov. 3.7 en 3.14 van Beschikking II. Zie ook onder 3.9 hiervoor. Gelet op het voorgaande, valt niet in te zien dat en waarom door deze onmiddellijke voorzieningen “de status van de bij het handelsregister gedeponeerde statuten onzeker [wordt]”, zoals gesteld in het subonderdeel. Voor zover het subonderdeel Beschikking II anders leest, gaat het uit van een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag. Overigens geldt dat het bestreden oordeel van de OK dus geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en geen nadere motivering behoefde.
one man[in de zin van ‘
person’, A-G]
, one vote”. [173] “Doorslaggevend” heeft in de onderhavige zaak de gangbare, taalkundige, betekenis van het woord dat de stem van de tijdelijke commissaris bij een ‘drie stemmen voor, een stem tegen’-situatie of een ‘drie stemmen voor’ (en ook de tijdelijke commissaris stemt)-situatie, gelet op de vereiste meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen (in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden), de doorslag geeft voor het al dan niet nemen van het voorgestelde besluit. Zie nader onder 3.10-3.11 hiervoor. Voor zover het subonderdeel Beschikking II anders leest, gaat het uit van een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag. Overigens geldt dat het bestreden oordeel van de OK ook op dit punt dus geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en geen nadere motivering behoefde. Zoals hieruit volgt, kan geen sprake zijn van een “in de praktijk postgevat misverstand” als bedoeld in het subonderdeel. Als De Wijnberg en Mutsaers tegen een voorgesteld besluit stemmen, en Aloysius en de tijdelijke commissaris voor, wordt terecht ervan uitgegaan “dat het besluit is afgewezen”, wat ik aldus versta dat het voorgestelde besluit dan niet is genomen. Zie ook onder 3.11 hiervoor. Ook de in de slotzin van het subonderdeel bedoelde aanname en onduidelijkheid doen zich in werkelijkheid dus niet voor. Dat het in dit geval voor de OK strikt genomen niet nodig was geweest de stem van de tijdelijke commissaris als “doorslaggevend” aan te duiden, nu daaraan geen in juridisch opzicht bijzondere betekenis toekomt, is wellicht niet onjuist, maar vormt hoe dan ook geen reden tot cassatie; te meer niet nu, zoals blijkt uit het subonderdeel en ook wordt bevestigd in het Verweerschrift zijdens de Coöperatie, [174] de doorslaggevende stem van de tijdelijke commissaris bij het nemen van besluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie in de praktijk ook is/wordt begrepen op de m.i. juiste wijze (zie weer onder 3.11 hiervoor). De rechtsgeldigheid van inmiddels genomen besluiten van de algemene vergadering (en daarmee van de Coöperatie) komt dus ook niet om die reden ter discussie te staan. [175]
allebesluiten door de algemene vergadering geldende versterkte meerderheids- en quorumeisen gelden, te weten een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden.
ABN AMRO Bank-beschikking van de Hoge Raad, waarin onder meer het volgende is overwogen: [181]
ABN AMRO Bank-beschikking van de Hoge Raad. [182] Dat is m.i. niet juist. In de
ABN AMRO Bank-zaak was sprake van een koopovereenkomst tussen ‘ABN AMRO Bank’ en een derde, ‘Bank of America’, welke transactie bevoegdelijk (rechtsgeldig) door het bestuur van ABN AMRO Bank met Bank of America was gesloten. Een ‘derde’ wil hier zeggen, zakelijk weergegeven: iemand, te weten Bank of America, die niet (ook) krachtens de wet en statuten betrokken is bij de organisatie van de rechtspersoon, te weten ABN AMRO Bank (vgl. art. 2:8 BW Pro). [183] Het ging hier, anders gezegd, om ‘externe’ (rechts)verhoudingen. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. De Mantelovereenkomst betreft een (op de statuten aansluitende) overeenkomst tussen de Coöperatie en haar drie leden Aloysius, Mutsaers en De Wijnberg, die allen vallen binnen de kring van art. 2:8 BW Pro. Het gaat hier, anders gezegd, en in ieder geval voor doeleinden van art. 2:349a leden 2 en 3 BW, veeleer om ‘interne’ (rechts)verhoudingen. De situatie die voorlag in de
ABN AMRO Bank-zaak, en waarop die overweging van de Hoge Raad toch echt is toegesneden, doet zich in de onderhavige zaak niet voor. Daarmee valt ook reeds de bodem weg onder de passage in de rechtsklacht onder (i) waarbij dat beroep op de
ABN AMRO Bank-beschikking van de Hoge Raad wordt gedaan (“mede aangezien geen onzekerheid mag bestaan over de uitvoering van rechtsgeldig aangegane overeenkomsten”).
Inter Access-beschikking van de OK, waarin wordt overwogen dat “in acht genomen moet worden of aan het treffen van de als gewenst te beschouwen voorzieningen, wettelijke, contractuele of andere belemmeringen niettemin in de weg staan”. [185] Als contractuele belemmering komt een beroep op een bepaling uit de desbetreffende aandeelhoudersovereenkomst aan de orde. [186] Dit beroep wordt in die zaak als volgt door de OK gepareerd: [187]
Inter Access-beschikking zoals hiervoor geciteerd, door in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II te overwegen en te beslissen dat
allebesluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden
ende commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel (lees dus: in de Mantelovereenkomst) anders is bepaald. [189]
Unilever-beschikking van de Hoge Raad, waarop deze klacht is gebaseerd, [201] is over de vraag of de OK een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon mag gelasten indien aannemelijk is dat tussen de verzoeker en de rechtspersoon die voorwerp is van het gevraagde onderzoek een vermogensrechtelijk geschil bestaat, onder meer het volgende overwogen: [202]
een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen.” [curs. toegevoegd, A-G]
Ogem-beschikking: de sanering en het herstel van de gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon. Zie onder 3.3 hiervoor. Van een geschil van “louter vermogensrechtelijke aard”, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure “niet verwezenlijkt kunnen worden”, is dan ook geen sprake, zoals de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a leden 2 en 3 BW in Beschikking I, Beschikking II en Beschikking III ook illustreren (en waarbij ten aanzien van Beschikking II zij herhaald dat daaruit blijkt dat de statutaire bepalingen waarvan bij wijze van onmiddellijke voorziening wordt afgeweken, tevens in de Mantelovereenkomst zijn vastgelegd, zoals ook hiervoor bedoeld). [203] Daarop stuit deze rechtsklacht reeds af. Daarbij komt dat de
Unilever-beschikking van de Hoge Raad in de sleutel staat van de vraag of, kort gezegd, een enquêteverzoek al dan niet kan worden toegewezen. De beslissing van de OK om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de Coöperatie wordt door Aloysius in cassatie niet ter discussie gesteld (zie ook onder 3.1 hiervoor). In de toewijzing van het enquêteverzoek door de OK ligt besloten dat geen sprake is van een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden.
Unilever-beschikking heeft overwogen over de motiveringseisen met betrekking tot de vraag of een enquête kan worden bevolen: [204]
(ii) Oordelen van de Ondernemingskamer kunnen Mutsaers en Wijnberg in de positie dwingen dat zij geen keus hebben dan om in onderhandeling te treden en een compromis te sluiten, bijvoorbeeld het oordeel dat:
Statuten van rechtspersonen moeten, kort gezegd, objectief worden uitgelegd. [212] Dat geldt ook hier, waar het gaat om uitleg van de statuten van de Coöperatie. De uitleg van een bepaling uit die statuten is hier voorbehouden aan de OK als feitenrechter, maar in cassatie kan wel worden getoetst of de juiste uitlegmaatstaf is gehanteerd en of de gegeven uitleg niet onbegrijpelijk is. Over de door de OK gehanteerde uitlegmaatstaf wordt in cassatie niet geklaagd, enkel over de door de OK gegeven uitleg aan de statuten van de Coöperatie in de slotzin van rov. 3.8 van Beschikking II. Uitgaande van een - m.i. door de OK gehanteerde - objectieve uitleg van art. 6 lid 2 van Pro de statuten, mede gelet op de tekst van die bepaling (‘grammaticale’ uitleg), acht ik het niet onbegrijpelijk dat de OK, met inachtneming ook van rov. 2.9 van Beschikking II, in de slotzin van rov. 3.8 van Beschikking II heeft geoordeeld dat “in de statuten van de Coöperatie ook niet [is] vastgelegd dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de leden een gelijk bedrag aan contributie betalen” (zodat de stelling van Aloysius dat zij niet gehouden is om meer dan een/derde van de contributie te betalen, tenzij zij instemt met een hogere contributie, evenmin juist is). In die statutaire bepaling, waarop het onderdeel is gestoeld, staat op de keper beschouwd immers niet meer dan: (i) dat de leden een jaarlijkse contributie betalen ten behoeve van de exploitatie de Coöperatie; (ii) dat de hoogte van die contributie, dus onder (i), jaarlijks met algemene stemmen (unaniem) wordt vastgesteld door de algemene vergadering in een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn; en (iii) dat de leden daarbij, dus (ii), kunnen worden ingedeeld “in categorieën die een verschillende contributie betalen”. Hier staat niet, noch volgt hieruit dwingend, dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de leden een gelijk bedrag aan contributie betalen. De daaraan door de OK gegeven uitleg is goed te volgen, in het licht van het voorgaande. Tot een nadere motivering was de OK ter zake niet gehouden. Daarop strandt het onderdeel reeds. [213]
Micallef-arrest geoordeeld, “kort samengevat”, dat “ook ten aanzien van het treffen van
interim measuresgeldt dat slechts bij wijze van uitzondering, in uitzonderlijke omstandigheden, een minder uitvoerige motivering volstaat, waarvoor is vereist dat de maatregel slechts effectief kan zijn bij snelle besluitvorming.” Het onderdeel wijst verder erop (“Bovendien geldt”, etc.) dat hoe ingrijpender een bepaalde maatregel is voor de rechtspositie van (een van) de partijen, hoe zwaarder de eisen die aan de motivering daarvan moeten worden gesteld, en dat Aloysius bij de OK herhaaldelijk heeft gewezen op de ingrijpende gevolgen van het ingrijpen in haar rechtspositie. [215] Daarbij komt, volgens het onderdeel, dat ten aanzien van deze onmiddellijke voorziening geen nadere (bodem)procedure volgt. Het onderdeel klaagt voorts dat indien de OK het voorgaande niet heeft miskend, Beschikking I en/of Beschikking II onbegrijpelijk of onvoldoende zijn/is gemotiveerd. [216]
Vredo/Veenhuis-arrest van de Hoge Raad. Zie ook onder 3.13-3.14 hiervoor. Het onderdeel verwijst naar die maatstaf met de klacht dat de OK heeft miskend dat de rechter een beslissing van een zodanige motivering dient te voorzien dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [217] De toelichting op het onderdeel formuleert de kern van de klacht van dit onderdeel als volgt: [218]
Vredo/Veenhuis-arrest van de Hoge Raad. Voor zover het onderdeel voortbouwt op de onderdelen 1 en 2, deelt het (dus) in het lot van die onderdelen. Voor zover het onderdeel meer of andere motiveringseisen afleidt uit het
Micallef-arrest van het EHRM dan reeds volgen uit het Nederlandse burgerlijke procesrecht, gaat het onderdeel uit van een verkeerde lezing van dat arrest en faalt het (dus) reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het onderdeel stelt, heeft het EHRM in het
Micallef-arrest niet uitgemaakt “dat ook ten aanzien van het treffen van
interim measuresgeldt dat slechts bij wijze van uitzondering, in uitzonderlijke omstandigheden, een minder uitvoerige motivering volstaat, waarvoor is vereist dat een maatregel slechts effectief kan zijn bij snelle besluitvorming.” [219] Het EHRM heeft in dat arrest onder meer geoordeeld dat “the Court accepts that in exceptional cases - where, for example, the effectiveness of the measure sought depends upon a rapid decision-making process - it may not be possible immediately to comply with all requirements of Article 6”. Zie ook onder 3.14 hiervoor. Het EHRM heeft in het
Micallef-arrest niets overwogen over de omvang van de motiveringsplicht bij het treffen van
interim measures, zoals onmiddellijke voorzieningen in kort geding (art. 254 Rv Pro) of in een enquêteprocedure (art. 2:349a BW). Zoals tevens uiteengezet onder 3.14 hiervoor, geldt bovendien dat art. 6 EVRM Pro hier m.i. geen andere, althans zwaardere eisen, aan de motivering door de OK stelt dan die welke reeds rechtstreeks volgen uit het Nederlandse burgerlijke procesrecht. Waaraan dus, gelet op het voorgaande, door de OK is voldaan.