Conclusie
(...)
prima facievaststaat dat er geen verschoningsrecht op rust.
- subsidiair: SNS Reaal c.s. te bevelen voor nu en in het vervolg,
verbiedt de onderzoekers om in hun onderzoek op enigerlei wijze gebruik te maken van de informatie ten aanzien waarvan SNS Reaal c.s. zich op een afgeleid verschoningsrecht hebben beroepen, tenzij de raadsheer-commissaris op een daarop gericht verzoek van de onderzoekers SNS Reaal c.s. heeft bevolen die informatie aan de onderzoekers te verstrekken;
beveelt SNS Reaal c.s. in het vervolg binnen 14 dagen te voldoen aan informatieverzoeken van de onderzoekers en binnen deze termijn te bepalen of zij verstrekking van enig deel van die informatie willen weigeren met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht;
beveelt SNS Reaal c.s. in het vervolg om, indien zij door de onderzoekers opgevraagde informatie niet willen verstrekken met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht, binnen 14 dagen na het desbetreffende informatieverzoek aan de onderzoekers toe te lichten – zonder dat zij de inhoud van de desbetreffende informatie hoeven prijs te geven – waarom de desbetreffende informatie onder de reikwijdte van het verschoningsrecht van een advocaat of notaris valt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
2.De bespreking van de cassatiemiddelen
Preliminaire opmerkingen
KPNQwest-beschikking van de Hoge Raad van 20 november 2009 volgt dat op een verzoek als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW Pro “de bepalingen van de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn, vanzelfsprekend voor zover uit de wet niet anders voortvloeit (art. 261 Rv Pro).” [17] Voor art. 2:352 lid 1 BW Pro vloeit, anders dan in art. 2:350 lid 4 BW Pro het geval is voor de aanwijzing van de raadsheer-commissaris als bedoeld in die bepaling, uit de wet niet voort dat beroep in cassatie niet openstaat. In de literatuur wordt aangenomen dat beroep in cassatie openstaat van een beschikking van de raadsheer-commissaris op de voet van art. 2:352 lid 1 BW Pro. [18] Ik concludeer dat de onderzoekers kunnen worden ontvangen in hun principale cassatieberoep.
Ogem-beschikking uit 1990 aan de wetsgeschiedenis heeft ontleend:
fairzijn. [50] De onderzoeksfase is door de jaren heen geformaliseerd. [51] Die formalisering blijkt onder meer uit de introductie van de raadsheer-commissaris in het enquêterecht (zie onder 2.2 hiervoor) en uit de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures (zie onder 2.16 hierna). [52] De achtergrond van deze formaliseringstendens is volgens mij dat het vaststellen van wanbeleid en het aanwijzen van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn een opstap naar civielrechtelijke aansprakelijkheid kan vormen. [53] Hierdoor is behoefte ontstaan aan meer processuele waarborgen in de onderzoeksfase. De tendens naar formalisering van het onderzoek heeft een keerzijde. Het gevaar bestaat dat, naarmate de gedragsregels voor onderzoekers specifieker worden, zij als een soort keurslijf gaan werken en de voortvarendheid - een sterk punt van de enquêteprocedure - gaan belemmeren. [54]
Saunders-uitspraak van het EHRM [57] de vraag opgeworpen of dit meewerken niet zou kunnen neerkomen op zelfincriminatie en of betrokkenen zich, met een beroep op het
nemo tenetur-beginsel, niet zouden kunnen verschonen wegens het gevaar van een civielrechtelijke vervolging. [58] Deze vraag wordt in civielrechtelijke rechtspraak en in de enquêterechtelijke literatuur - terecht - ontkennend beantwoord. [59] Ik wijs er bovendien op dat uit de
Saunders-uitspraak volgt dat het
nemo tenetur-beginsel samenhangt met het zwijgrecht en zich niet uitstrekt tot zogenoemd wilsonafhankelijk materiaal. [60] Bij het aan onderzoekers geven van inzage in notulen, besluiten en correspondentie gaat het om dergelijk wilsonafhankelijk materiaal. Het door (voormalige) functionarissen van de betrokken vennootschappen weigeren wilsafhankelijk materiaal - inlichtingen in de vorm van het beantwoorden van vragen van de onderzoekers - te verschaffen, omdat daarmee zou worden geprejudicieerd op civielrechtelijke aansprakelijkheid blijkt uit het volgende praktijkvoorbeeld:
nemo tenetur-beginsel bij de inlichtingenplicht van art. 47 AWR Pro. [62] Op grond van die fiscaalrechtelijke bepaling is een ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Deze bepaling vertoont enige gelijkenis met art. 2:351 lid 1 BW Pro uit het enquêterecht (zie ook onder 2.21 hierna).
Artikel 53b. Wat de toepassing van het recht van enquête betreft, is het opgevallen dat artikel
53bwel de inzage van boeken en bescheiden toestaat, maar dat het horen van personen, dat toch van essentiële betekenis voor het onderzoek kan zijn, niet wordt vermeld. Ligt het in de bedoeling, dat recht niet toe te kennen en zo het horen van personen wèl in de bedoeling ligt waarom is het dan niet expliciet in artikel
53bvermeld? Kunnen personeelsleden, wanneer zij gehoord worden zich op bedrijfsgeheim beroepen, hetgeen onlogisch zou zijn aangezien het wezen van een enquête is, feiten en omstandigheden die geheim zijn, op het spoor te komen? [curs. in origineel. A-G]” [67]
behoudens uiteraard de mogelijkheid van verschoning. Zo kan het noodzakelijk zijn voormalige bestuurders, commissarissen of werknemers, of buitenstaanders die tot de rechtspersoon in enigerlei (zakelijke) relatie staan of stonden (accountants, adviseurs e.d.) als getuigen te horen. De mogelijkheid tot het als getuige onder ede horen van personen in de loop van een enquêteprocedure zal naar de mening van de raad de effectiviteit van de enquête kunnen bevorderen. Met name zal van die mogelijkheid een preventieve werking kunnen uitgaan: zij zal weigeringen om aan een enquête mee te werken en inlichtingen te verschaffen, kunnen tegengaan [curs. toegevoegd, A-G].” [71]
Polisol-zaak was de als getuige opgeroepen persoon een notaris die een beroep op zijn verschoningsrecht deed. Tot een beslissing van de ondernemingskamer daarover is het in die zaak niet gekomen, omdat de Hoge Raad de beschikking waarbij het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap is bevolen heeft vernietigd en verzoekster niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek tot het bevelen van een onderzoek, waardoor verdere onderzoekshandelingen, zoals het horen van de notaris, niet meer aan de orde konden komen. [76] Hermans stelt in zijn annotatie onder de gecasseerde
Polisol-beschikking van de ondernemingskamer:
Unilever-enquête uit 2005: [78]
De rechtspersoon, de verzoekers en andere belanghebbenden kunnen zich wenden tot de raadsheer-commissaris met het verzoek om een beslissing te nemen met het oog op de goede gang van zaken van het onderzoek. Daarmee wordt gedoeld op de procesmatige kant van het onderzoek en niet op de inhoud.” [85]
formal investigationdoor “one or more competent inspectors to investigate the affairs of a company” is, afgezien van enkele toegevoegde bepalingen in section 1035 e.v. Companies Act 2006, gehandhaafd in de Companies Act 1985. [98] Als
inspectorsworden door de Secretary of State veelal een Queens Counsel (QC) en een chartered accountant benoemd. [99] In section 452 van de Companies Act 1985 is geregeld dat de
inspectorsniet gerechtigd zijn tot
privileged information. [100] In een handboek over Brits vennootschapsrecht wordt opgemerkt:
priviliged informationvergelijkbaar met section 452 Companies Act 1985. Dat neemt niet weg dat het verschoningsrecht ook van toepassing kan zijn in het Nederlandse enquêterecht. In de
Notaris Maas-beschikking heeft de Hoge Raad overwogen dat de grondslag van het functionele verschoningsrecht, dat toekomt aan een beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd, zoals notarissen en advocaten, [102]
eersteplaats volgt uit de
Notaris Maas-beschikking dat het in die beschikking geformuleerde algemene rechtsbeginsel zijn werking slechts verliest, indien uit een wettelijke regeling of de bijbehorende wetsgeschiedenis de strekking blijkt om het functionele verschoningsrecht bij de toepassing van die regeling buiten werking te stellen. [105] Zoals ik hiervoor heb uiteengezet blijkt uit de regeling van het enquêterecht en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan niet dat de wetgever het functionele verschoningsrecht in de enquêteprocedure geheel of gedeeltelijk buiten werking heeft willen stellen. Dat het onderzoek is gericht op materiële waarheidsvinding en dat de onderzoeksbevoegdheden zijn toegekend om “het gewenschte licht” (zie onder 2.12 hiervoor) te verspreiden nemen niet weg dat betekenis kan toekomen aan het verschoningsrecht in het enquêterecht. Er zijn ook andere aanwijzingen die erop duiden dat aan het verschoningsrecht werking toekomt in de onderzoeksfase van de enquêteprocedure. Het mijns inziens belangrijkste argument daarvoor ligt besloten in het stelsel van de onderzoeksbevoegdheden van art. 2:351-352a BW. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:352a BW en uit de literatuur, met name naar aanleiding van de
Polisol-zaak, blijkt dat de getuige die op de voet van art. 2:352a BW wordt gehoord onder omstandigheden een beroep op het verschoningsrecht kan doen (zie onder 2.14 hiervoor). Art. 2:352 BW Pro en art. 2:352a BW kunnen worden beschouwd als dwangmiddelen, die de onderzoekers ter beschikking staan als stok achter de deur wanneer hun wordt geweigerd overeenkomstig art. 2:351 BW Pro de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te raadplegen of zich de bezittingen te doen tonen of aan hen inlichtingen te verschaffen. [106] Art. 2:352 BW Pro en art. 2:352a BW vullen elkaar aan. Art. 2:352 BW Pro vormt de stok achter de deur in geval van weigering inzage te verstrekken in boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en art. 2:352a BW vervult die functie wanneer door bijvoorbeeld (voormalige) bestuurders of commissarissen wordt geweigerd inlichtingen te verschaffen aan de onderzoekers. Dat het verschoningsrecht ook werking kan hebben in het kader van art. 2:352 BW Pro blijkt voorts uit bepaling 5.6 van de Leidraad. Hoewel de bepaling nieuw is opgenomen is sprake van een bestendige lijn, omdat voordat de raadsheer-commissaris zijn intrede in de enquêteprocedure deed, onderzoekers onder omstandigheden ook al een weigering om verschoningsgerechtigde informatie aan de onderzoekers te verstrekken accepteerden.
tweedegevolgtrekking uit de
Notaris Maas-beschikking is dat het in Nederland geldende algemene rechtsbeginsel in alle rechtsgebieden van toepassing is. [107] Rechtspraak over het verschoningsrecht in bijvoorbeeld strafzaken kan dus ook relevant zijn voor de toepassing van het verschoningsrecht in een civielrechtelijke procedure, zoals de onderhavige. [108] Disharmonieën tussen de verschillende rechtsgebieden tracht de rechtspraak zo veel mogelijk te vermijden. [109] Niettemin wordt wel aanvaard dat de nadruk op bepaalde facetten van het verschoningsrecht per rechtsgebied kan verschillen. [110]
algemeen maatschappelijkebelangen. In de beschikking van 26 juli 2018 heeft de ondernemingskamer het verkrijgen van openheid over het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal c.s. in de sleutel van een algemeen maatschappelijk belang geplaatst:
een algemeen maatschappelijk belangbestaat bij het verkrijgen van openheid van zaken over het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal c.s. en bij een eventueel oordeel van de rechter daarover. De Ondernemingskamer volgt de Staat daarom niet in zijn standpunt dat het openbaar belang zich verzet tegen een enquête [curs. toegevoegd, A-G].” [112]
Notaris Maas-beschikking heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het functionele verschoningsrecht van - in dat geval - de notaris:
het algemene maatschappelijk belangdat men zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het aan hem toevertrouwde tot hem als vertrouwenspersoon kan wenden, en derhalve niet in het individuele belang van degenen die van zijn bijstand gebruik maken [curs. toegevoegd, A-G].” [113]
Notaris Maas-beschikking volgt dat het eerste maatschappelijk belang, dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel - afgezien van zeer uitzonderlijke omstandigheden (rov. 3.6) – moet wijken voor laatstgenoemd maatschappelijk belang (dat men zich vrijelijk en zonder vrees etc.). [114] In de literatuur is de vraag opgeworpen of deze rechtspraak in het huidige tijdsgewricht nog wel stand kan houden:
medegezocht wordt in het
individuelebelang van de hulpzoekende cliënt?
Nu (…) het verschoningsrecht functioneel is ten aanzien van het beroepsgeheim, ligt het in de rede dat naar hedendaagse inzichten het verschoningsrecht óók gebaseerd is op het individuele belang bij vertrouwelijkheid. De vraag rijst dan ook of de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin het verschoningsrecht uitsluitend op het maatschappelijke belang wordt gefundeerd, nog wel gelijke tred heeft gehouden met de maatschappelijke opvattingen.
[H]et leerstuk van het verschoningsrecht moet opnieuw tegen het licht worden gehouden. Hierbij gaat het niet alleen om de enkele gevallen waarin de rechter een beroepsbeoefenaar als getuige hoort. Het gaat in de kern om het doordenken van de vraag hoe de rechter in het huidige tijdsgewricht moet omgaan met het conflict dat er bestaat tussen het belang van vertrouwelijkheid van mondelinge én schriftelijke informatie, en het belang van waarheidsvinding, waarbij op de achtergrond het maatschappelijk belang bij vertrouwelijkheid van ‘existentiële informatie’ een rol speelt. In ieder geval zou de rechter dit belangenconflict meer inhoudelijk moeten kunnen benaderen, zodat, aan de hand van verschillende gezichtspunten, van geval tot geval kan worden beoordeeld welk belang het zwaarste weegt [curs. in origineel, A-G].” [115]
Tradman/Staat-arrest uit 2012 dat
Tradman/Staat-arrest wordt in het kader van art. 47 AWR Pro gesproken van een
weigeringsrechtvan de cliënt. [121] Mijns inziens kan naar analogie bij de toepassing van art. 2:351 BW Pro ook worden gesproken van een weigeringsrecht op inzage dat door de rechtspersoon kan worden ingeroepen met een beroep op het functionele verschoningsrecht.
Met betrekking tot informatie in 104 documenten (notulen, besluiten en correspondentie) is wel een beroep gedaan op een “afgeleid verschoningsrecht”. De inzage van die documenten kan niet volledig worden geweigerd, maar slechts voor zover daarin passages zijn opgenomen die vallen onder het verschoningsrecht. In de praktijk kunnen de desbetreffende passages worden weggelakt en kunnen de “geschoonde” stukken aan de onderzoekers ter beschikking worden gesteld (rov. 2.7). [124]
Voor de hand ligt dat SNS Reaal c.s. vooral stukken hebben overgelegd die steun bieden aan hun verweeren dat zij in deze procedure niet hebben gestreefd naar volledige openheid van zaken. Het ligt mede daarom voor de hand dat er nog talloze andere interne stukken van SNS Reaal c.s. bestaan die licht kunnen werpen op het beleid en de gang van zaken met betrekking tot de hierboven besproken onderwerpen in de periode 2006 tot 1 februari 2013. (…) [curs. A-G].” [125]
Unilever-zaak (zie onder 2.15 hiervoor). Daar ging het overigens om de schriftelijke adviezen van advocaten en notarissen als zodanig en niet om verschoningsgerechtigde informatie in andere stukken (vgl. rov. 3.14 van de bestreden beschikking). Indien de onderzoekers menen dat het weigeringsrecht onterecht wordt ingeroepen, of als zij menen dat het beroep op het verschoningsrecht op zichzelf terecht is, maar zij van mening zijn dat het belang van waarheidsvinding in casu zwaarder dient te wegen, kunnen zij de raadsheer-commissaris inschakelen om daarover te oordelen. Om zich een dergelijk oordeel te kunnen vormen moeten de onderzoekers wel in de gelegenheid worden gesteld het noodzakelijke te doen om de aannemelijkheid van de bewering dat het om verschoningsgerechtigde informatie gaat te kunnen staven. [126] In het geval van verschoningsgerechtigde informatie in notulen en andere schriftelijke stukken kan dat door de namen van de advocaten en notarissen en hun kantoren niet weg te lakken. Het voorleggen aan de raadsheer-commissaris kan plaatsvinden op de wijze opgenomen in bepaling 5.6 van de Leidraad (zie onder 2.16 hiervoor), uitmondend in een aanwijzing van de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW Pro of een bevel als bedoeld in art. 2:352 BW Pro. Hierbij moet bedacht worden dat alleen tegen een art. 2:352 BW Pro-beschikking van de raadsheer-commissaris in cassatie kan worden opgekomen (zie onder 2.2 hiervoor). In de onderhavige zaak is sprake van een art. 2:352 BW Pro-beschikking van de raadsheer-commissaris.
Notaris Maas-beschikking is het vaste rechtspraak dat de rechter het standpunt van de verschoningsgerechtigde slechts marginaal toetst aan de hand van het criterium of hij “aan redelijke twijfel onderhevig acht of (…) beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven.” [128] De Hoge Raad is vervolgens ook terughoudend bij het aannemen van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. [129] Die terughoudendheid wordt gemotiveerd vanuit de rechtszekerheid. [130] Deze leer is in de literatuur bekritiseerd. [131] Asser stelt in dit verband:
Notaris Maas-beschikking, A-G] zijn helder maar, anders dan de Hoge Raad in de notaris Maas-beschikking vreesde, kan men heel goed – op het voetspoor van Vranken en De Bock – in concrete gevallen de rechter genuanceerd laten toetsen, als het gaat om de vraag of het verschoningsrecht moet worden doorbroken of juist niet. Een genuanceerde benadering is niet zo vreeswekkend in haar mogelijke gevolgen als de Hoge Raad in die beschikking meent indien de rechter de uitgangspunten ook als zodanig respecteert, namelijk dat afwijking daarvan gereserveerd is voor uitzonderingsgevallen. De toetsing verschilt voor het overige in essentie niet van die in zovele andere gevallen waarin algemene en particuliere belangen aan de orde zijn.” [132]
tweedekanttekening van Van Breukelen deel ik dan ook niet. De onderzoekers worden hiermee volgens rov. 3.15 in de gelegenheid gesteld zich een oordeel te vormen over de aanvaardbaarheid van het beroep op het weigeringsrecht van de informeel verstrekte stukken. Indien zij de informatie alsnog “formeel” willen hebben, is het uiteindelijk de raadsheer-commissaris die daarover beslist op de voet van art. 2:352 BW Pro. [139]
eerstekanttekening van Van Breukelen deel ik evenmin. Het is op zichzelf juist dat de verschoningsgerechtigde en niet de cliënt als eerste in de gelegenheid moet worden gesteld te beoordelen of het (afgeleid) verschoningsrecht van toepassing is (zie onder 2.21 hiervoor). Deze kanttekening ziet eraan voorbij dat het in het geval van de cliënt gaat om het
weigerente voldoen aan de verplichtingen van art. 2:351 BW Pro met een beroep op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met een geheimhouder (advocaat of notaris). De verschoningsgerechtigde wordt door de raadsheer-commissaris vervolgens in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten (rov. 3.15 en rov. 3.16).
derdekanttekening van Van Breukelen heeft betrekking op het ontbreken van een rol voor de deken en/of ringvoorzitter. De gedachte achter een rol voor de deken en/of ringvoorzitter is dat de vertegenwoordiger van de beroepsgroep van advocaten (de deken) of het ambt van notaris (de ringvoorzitter) ook geheimhoudingsplichtig en verschoningsgerechtigd is en daarom kennis kan nemen van de achtergronden. [140] In de door de raadsheer-commissaris in de onderhavige zaak geschetste procedure kan de raadsheer-commissaris zo nodig kennisnemen van de verschoningsgerechtigde informatie (rov. 3.16). Die rol kan meebrengen dat de raadsheer-commissaris te zijner tijd geen deel zal uitmaken van de zetel van de ondernemingskamer die heeft te oordelen over wanbeleid op de voet van art. 2:355 BW Pro (rov. 3.17). Deze procedurele gang van zaken sluit aan bij Vranken, die een soort afzonderlijke procedure heeft bepleit voor een rechter die niet over de zaak heeft te oordelen en daarom zo nodig kennis kan nemen van verschoningsgerechtigde informatie. [141] Een adviserende rol voor de deken en/of ringvoorzitter acht ik niet uitgesloten, maar ik kan mij ook voorstellen dat dit een aspect is waar de civielrechtelijke enquêteprocedure verschilt van bijvoorbeeld het strafrecht (vgl. de tweede gevolgtrekking uit de
Notaris Maas-beschikking, onder 2.19 hiervoor).
alleinlichtingen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek;
zonder voorbehoudinzage moet geven in
allestukken die zij nodig achten voor het uitvoeren van het bevolen onderzoek;
Notaris Maas-beschikking volgt dat het functionele verschoningsrecht berust op een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel (zie onder 2.18 hiervoor). Een consequentie daarvan is dat het algemene rechtsbeginsel slechts zijn werking verliest indien in de wettelijke regeling of de totstandkomingsgeschiedenis uitdrukkelijk wordt bepaald dat het uit het algemene rechtsbeginsel voortvloeiende functionele verschoningsrecht in die regeling niet of in beperkte mate werking heeft (zie onder 2.19 hiervoor). Noch in de wettelijke regeling van het enquêterecht, noch in de totstandkomingsgeschiedenis, ben ik een passage van die strekking tegengekomen. Het zwijgen van de wetgever over het verschoningsrecht in de enquêteprocedure kan, anders dan het subonderdeel stelt, niet anders worden opgevat dan dat ervan moet worden uitgegaan dat het algemene rechtsbeginsel uit de
Notaris Maas-beschikking ook in het enquêterecht van toepassing is. De doelstelling van het enquêterecht, de taak en de positie van de onderzoekers daarin en het hun toegekende algemene inzagerecht maken dat niet anders. Daar komt bij dat er verschillende aanwijzingen zijn die erop duiden dat aan het functionele verschoningsrecht in het enquêterecht werking toekomt (zie ook onder 2.19 hiervoor).
De omstandigheid die het subonderdeel onder h aanvoert, dat in een aantal andere wettelijke regelingen wel is voorzien in een weigeringsrecht met een beroep op een verschoningsrecht of geheimhoudingsplicht, doet ook niet af aan de werking van het verschoningsrecht in de enquêteprocedure. De genoemde bepalingen zijn betrekkelijk recent, althans na de
Notaris Maas-beschikking uit 1985, ingevoerd. [142] Art. 53a AWR kent overigens wel een voorloper in art. 53 AWR Pro (oud). [143] In de
Notaris Maas-beschikking heeft de Hoge Raad overwogen dat het algemene rechtsbeginsel met betrekking tot het verschoningsrecht onder meer erkenning vindt in art. 53 AWR Pro (oud). [144] Ook de andere in het subonderdeel genoemde bepalingen kunnen mijns inziens worden beschouwd als uitvloeisel van het algemene rechtsbeginsel uit de
Notaris Maas-beschikking. In de literatuur is geconstateerd dat de wetgever in de loop der jaren niet altijd zorgvuldig – in de woorden van Fernhout “nogal slordig” – is omgesprongen met het verschoningsrecht. [145] Indien de wetgever in een bepaalde wettelijke regeling, zoals in de enquêteprocedure, niet heeft voorzien in een bepaling over het verschoningsrecht, zoals dat kennelijk wel het geval is in enkele andere wettelijke regelingen, bewijst het algemene rechtsbeginsel uit de
Notaris Maas-beschikking goede diensten.
De wetgever heeft er bij de herziening van het enquêterecht in 1994 (zie onder 2.14 hiervoor) en in 2013 (zie onder 2.2 hiervoor) geen blijk van gegeven het algemene rechtsbeginsel uit de
Notaris Maas-beschikking in de enquêteprocedure geheel of gedeeltelijk buiten werking te willen stellen. De opmerking van de minister van Veiligheid en Justitie in de parlementaire geschiedenis bij de Wet aanpassing enquêterecht uit 2013 waarop het subonderdeel zich beroept is daarvoor mijns inziens te impliciet: [146]
allegegevens inzien die hij voor een juiste taakuitoefening nodig acht. Hij mag de boeken en bescheiden van de rechtspersoon raadplegen. De bestuurders en, indien die er zijn, de commissarissen van de rechtspersoon alsmede degenen die in dienst van de rechtspersoon zijn, zijn verplicht desgevraagd
alleinlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek (artikel 2:351 lid 1 BW Pro) [curs. A-G].” [147]
Notaris Maas-beschikking is ingegaan. Het ligt volgens mij meer voor de hand dat in de parlementaire behandeling niet is stilgestaan bij de vraag naar de werking van het verschoningsrecht in de enquêteprocedure. [148] De werking van het verschoningsrecht speelde zich tot de intrede van de raadsheer-commissaris in het enquêterecht af in de beslotenheid van het onderzoek (zie onder 2.10 en 2.15 hiervoor).
Gelet op het bovenstaande is het voor de rechtspersoon en zijn adviseurs verstandig om in de aanloop naar een enquête, die doorgaans niet uit de lucht komt vallen, goed na te denken over de wijze waarop zij in de enquête willen omgaan met adviezen van adviseurs.” [164]
bedoeldom te worden overgebracht aan een ander. [169] De redenering van het subonderdeel sluit hierbij aan: door verschoningsgerechtigde informatie in de notulen op te nemen wordt het een element van (zowel interne als externe) verantwoording van het beleid van de rechtspersoon en daarmee houdt het volgens het subonderdeel (dus) op “toevertrouwde informatie” te zijn. Met het opnemen van verschoningsgerechtigde informatie in de notulen is mijns inziens niet zonder meer gegeven dat de vennootschap heeft bedoeld de verschoningsgerechtigde informatie vrij te geven. A-G Knigge geeft in zijn conclusie in een strafrechtelijke zaak het volgende voorbeeld:
bedoelingvan de vennootschap in casu ontbreekt om de verschoningsgerechtigde informatie die is opgenomen in de notulen uit de beslotenheid te halen blijkt ook wel uit het feit dat door SNS Reaal c.s. een beroep is gedaan op het weigeringsrecht. [171] A-G Knigge merkt in dezelfde conclusie dan ook op over “de notulen van een vergadering van (of een conference call tussen) medewerkers van een onderneming”:
mutatis mutandisook geldt voor besluiten van de rechtspersoon. Een besluit is immers een wilsverklaring van de rechtspersoon. Door daarin bewust gegevens op te nemen die voorafgaand aan het nemen van het besluit met een verschoningsgerechtigde zijn uitgewisseld, zijn die gegevens een element gaan vormen van verantwoording van dat besluit, aldus het subonderdeel.
Dat deze twee documenten verschoningsgerechtigde informatie bevatten, valt op voorhand niet uit te sluiten. De besluiten als zodanig zullen niet verschoningsgerechtigd zijn, maar het is bijvoorbeeld denkbaar dat zich in de twee desbetreffende documenten mede adviezen van advocaten of notarissen ter onderbouwing van het besluit bevinden. Ook voor de beoordeling van het beroep op een weigeringsrecht ten aanzien van deze documenten met besluiten geldt dat de ondernemingskamer in rov. 3.14 mijns inziens terecht aanneemt dat het aan SNS Reaal c.s. is om toe te lichten waarom hun met betrekking tot deze besluiten een beroep een afgeleid verschoningsrecht toekomt.
8.20 Het middel slaagt.” [179]
4.5 Gelet op het vorenstaande getuigt het oordeel van de Rechtbank dat ten aanzien van de inbeslaggenomen e-mailwisseling tussen W. van K. en M. van D. redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat het standpunt van de klager dat die e-mailwisseling object is van zijn verschoningsrecht onjuist is, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is in het licht van hetgeen aan het beroep op het verschoningsrecht ten grondslag is gelegd toereikend gemotiveerd.
4.6 Het middel faalt.” [180]
vertrouwelijkheid van notulen, besluiten en correspondentie tegenover de onderzoekers
Notaris Maas-beschikking heeft de Hoge Raad een slag om de arm gehouden met de overweging dat zich “zeer uitzonderlijke omstandigheden” kunnen voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. [182] De Hoge Raad is terughoudend bij het aanvaarden van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” (zie ook onder 2.23 hiervoor). [183] A-G Leijten stelde in dit verband in een conclusie: “dat uitzonderlijke omstandigheden al zo zeldzaam zijn dat zeer uitzonderlijke omstandigheden voor een gewoon mens bijna niet denkbaar zijn.” [184] Ook zeer uitzonderlijke omstandigheden hebben niettemin de neiging zich te vermenigvuldigen. [185] Zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn in enkele strafzaken aanvaard. Beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is volgens de Hoge Raad niet in een algemene regel samen te vatten. [186] Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden volgens de Hoge Raad zware motiveringseisen. [187] In de literatuur wordt niet uitgesloten dat “zeer uitzonderlijke omstandigheden” zich ook in een civielrechtelijke zaak kunnen voordoen:
Notaris Maas-beschikking en de
Savanna-beschikking. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Gelet op het uitzonderlijke karakter van het aanvaarden van deze uitzondering, zeker in civiele zaken, was de raadsheer-commissaris niet gehouden rov. 3.9 nader te motiveren. De zware motiveringseisen die gelden voor het aanvaarden van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” gelden niet evenzeer voor het niet-aanvaarden van “zeer uitzonderlijke omstandigheden”. Ik wijs er verder nog op dat de “zwaarwichtige publieke belangen bij het verkrijgen van openheid van zaken” weliswaar niet voldoende zijn voor het aannemen van “zeer uitzonderlijke omstandigheden”, maar wel een rol kunnen spelen in de inhoudelijke toetsing door de raadsheer-commissaris van het weigeringsrecht van de rechtspersoon met een beroep op het verschoningsrecht (rov. 3.15-3.16, zie ook onder 2.22-2.23 hiervoor). Bij die toetsing kan de raadsheer-commissaris alle omstandigheden van het geval in zijn beoordeling betrekken. In de literatuur worden twee stappen in de toetsing door de rechter onderscheiden: de eerste stap is de rechterlijke toetsing van de reikwijdte van het verschoningsrecht en de tweede stap is het nagaan of sprake is van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. [189] Als de eerste stap meer inhoudelijk wordt benaderd, wat ik in deze conclusie in navolging van de literatuur (zie onder 2.20-2.23 hiervoor) en in overeenstemming met de beschikking van de raadsheer-commissaris (zie rov. 3.15-3.16) heb verdedigd, bestaat er ook minder aanleiding om de categorie van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” op te rekken. [190]