Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
in het licht vanwat objectief kenbaar is – ook al blijven de statuten alleen zelf het
objectvan uitleg – waaronder in ieder geval de inhoud van wettelijke bepalingen zoals die ten tijde van de oprichting respectievelijk de statutenwijziging luidden. [10] Mijns inziens mag daarnaast ook worden gelet op algemeen gangbare inzichten die bijvoorbeeld aan de bedrijfseconomie kunnen worden ontleend, of algemeen bekende belangen en posities van categorieën van deelnemers aan het maatschappelijk verkeer. Buiten beschouwing blijven echter inzichten, belangen en posities die de kennis veronderstellen van hen die bij de oprichting van de individuele rechtspersoon en de formulering van de inhoud van diens statuten waren betrokken.
op zichzelfook niet tot andere rechtsgevolgen te leiden, maar eerst na toetsing aan de gedragsmaatstaf van (de aanvullende of beperkende werking van) redelijkheid en billijkheid.
Als zodanigis op de tekst van de bepaling wel degelijk de Haviltexmaatstaf van toepassing en wel zonder bezwaar in geheel subjectieve trant. [29] Treedt een nieuwe aandeelhouder toe, dan onderwerpt hij zich aan de inhoud van de statuten, ook voor zover daarin verplichtingen tussen de aandeelhouders onderling zijn vastgelegd. Is die toetreding voorafgegaan door onderhandelingen met de zittende/blijvende aandeelhouders, of zijn na de toetreding in de onderlinge verhouding tussen de aandeelhouders verwachtingen gewekt, dan is dat van belang voor de uitleg van de aandeelhoudersovereenkomst zoals die daarmee ook met de nieuwe aandeelhouder is tot stand gekomen. Ook voor die overeenkomst met de nieuwe aandeelhouder geldt ‘subjectieve Haviltex’, naast een objectieve uitleg van de statuten. [30]
eerste onderdeelbevat 14 bladzijden lang, bovendien te lezen in samenhang met de inleiding van het middel, een groot aantal onderling sterk verwante of zelfs inhoudelijk gelijke klachten met betrekking tot het uitlegoordeel van het hof en het niet toelaten van [eiseres] tot tegenbewijs. Ik meen dat ik uw Raad en andere lezers van deze conclusie dien door de diverse klachten samen te vatten en te groeperen, als volgt:
zoubetrekken (wat moet worden verstaan als daadwerkelijk betrekken van een derde en niet
mogelijk), (b) dat partijen in het geheel niet over de redactie van artikel 15 van Pro de statuten hebben gesproken en daarom de wijziging van de statuten waarop [verweerders 2 en 3] zich beroepen, niet zijn overeengekomen althans niet zo hebben bedoeld. Het hof heeft dit alles in de rechtsoverwegingen 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8 miskend, dan wel geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven. (Subonderdelen 2.1.2-I, 2.1.2-II, eerste alinea, 2.1.3-I, 2.1.3-III, 2.1.3-V slot, 2.1.4-I, 2.1.4-II, 2.1.4-III, de eerste met dat nummer, 2.1.4-III, de tweede met dat nummer, en 2.1.4-IV)
hiervoor onder 1bedoeld, geldt dat het mij maar beperkt duidelijk is van welke rechtsopvatting de steller van het middel uitgaat.
hiervoor onder 2bedoeld, kunnen mijns inziens geen doel treffen. Anders dan de steller van het middel meent, is tegenbewijs tegen de inhoud van statuten zoals neergelegd in een oprichtingsakte of in een akte houdende wijziging van de statuten, niet verenigbaar met het karakter van statuten als een regeling van het rechtsregime van de rechtspersoon, noch met de verplichte notariële vorm en publiciteit van de statuten. Iets anders is dat naast de statuten tussen partijen een aandeelhoudersovereenkomst kan bestaan, en dat voor zover hetzij in de statuten hetzij in enige andere akte de inhoud van die overeenkomst is vastgelegd, tegenbewijs wél is toegelaten. Dat tegenbewijs kan gelet op de op die overeenkomst toepasselijke Haviltexmaatstaf betrekking hebben op alle omstandigheden van het geval. [32] Maar nogmaals, in het onderdeel lees ik niet een beroep op het bestaan en de rechtsgevolgen van een aandeelhoudersovereenkomst.
hiervoor onder 3bedoelde klachten falen.
hiervoor onder 4bedoelde klachten zien op het door [eiseres] gedane bewijsaanbod. Ervan uitgaande dat het oordeel van het hof dat [eiseres] voor een andere uitleg van artikel 15 van Pro de statuten onvoldoende heeft aangevoerd, stand houdt, kunnen deze klachten niet slagen (art. 149 lid 1 tweede Pro volzin Rv).
hiervoor onder 6bedoeld, het volgende.
daadwerkelijkbij de samenwerking betrokken. Hoe dit in de tekst van artikel 15 lid 1 onder Pro g zou kunnen worden gelezen, wordt echter door [eiseres] in cassatie niet begrijpelijk toegelicht, noch verwijst zij naar een dergelijke toelichting in de feitelijke instanties. Bovendien is het de vraag hoe [verweerders 2 en 3] van een overdracht van certificaten of de aanstelling van een derde als bestuurder op de hoogte zouden moeten raken; zij lijken daarvoor in ieder geval mede afhankelijk van inlichtingen van [eiseres] . [33] Dat doet mijns inziens evenzeer afbreuk aan de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de door [eiseres] verdedigde uitleg.
hiervoor onder 7bedoeld, falen mijns inziens eveneens. In de eerste plaats is wat betreft de uitleg van statuten mijns inziens niet juist dat de bedoeling van partijen ook kan worden afgeleid uit hun handelen ná het sluiten van de overeenkomst, omdat dit onverenigbaar is met het karakter van statuten als een regeling van het rechtsregime van de rechtspersoon en evenmin met de verplichte notariële vorm en publiciteit van de statuten. Zou dit al anders zijn, dan geldt in de tweede plaats dat [eiseres] zich beroept op wat tussen haar en de notaris zich rond de certificering van de Stak en de aandelenoverdracht heeft afgespeeld, zonder dat zij aanvoert dat [verweerders 2 en 3] hierbij op enigerlei wijze waren betrokken. Zulke voor de wederpartij niet kenbare omstandigheden hebben naar hun aard echter geen invloed op wat die wederpartij redelijkerwijs moet begrijpen (vergelijk art. 3:35 BW Pro), zodat die omstandigheden ook bij de ‘meest subjectieve’ opvatting van de Haviltexmaatstaf buiten beschouwing blijven. Ook de omstandigheid dat [betrokkene 1] de certificaten feitelijk steeds in eigen hand heeft gehouden en steeds enig bestuurder is geweest, is op zichzelf – afgezien van door verklaringen of gedragingen van [verweerders 2 en 3] naar aanleiding daarvan gewekt vertrouwen – niet van betekenis.
tweede onderdeelvan het middel. Vertrekpunt van dat onderdeel is dat, naast de acht als zodanig genummerde grieven, de memorie van grieven in de inleiding een negende grief bevat met een betoog dat verwijst naar de aanvullende en beperkende werking van redelijkheid en billijkheid en dat door de steller van het middel als volgt wordt samengevat:
waaromondanks de gestelde volledige wanverhouding het beroep op (de draconische gevolgen van) artikel 15 van Pro de statuten niet in strijd is met de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW Pro. (Subonderdeel 2.2.3)
hiervoor onder iweergegeven, kunnen niet slagen. Op zichzelf is juist dat als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. [35] Wezenlijk is echter niet het
aantalgrieven waarvan het hof is uitgegaan. Zou al juist zijn dat het hof tot negen had moeten tellen in plaats van tot acht, dan heeft [eiseres] bij een klacht daarover op zichzelf nog geen belang. Waar het om gaat is of het hof voldoende op alle grieven heeft gerespondeerd. Of het hof dit heeft gedaan met betrekking tot wat de steller van het middel aanduidt als ‘de negende grief’, is met de klachten onder ii e.v. aan de orde.
hiervoor onder iiweergegeven, geldt het volgende.
beperkendewerking. Niet wordt uiteengezet dat en waarom sprake is van een leemte in de statutaire regeling, die door de redelijkheid en billijkheid behoort te worden aangevuld. Uiteraard is niet voldoende dat in feitelijke instanties in algemene zin is verwezen naar art. 2:8 BW Pro en niet naar art. 2:8 lid 2 BW Pro. Een beroep op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid veronderstelt meer dan de verwijzing naar de wettelijke bepaling die die werking erkent. Het voorgaande wordt niet werkelijk anders indien ik ook de inleiding van het cassatiemiddel onder 1.7 en 1.8 in de beoordeling betrek. Daar wordt verwezen naar de memorie van grieven onder 5. Op zichzelf is juist dat daar de
woorden‘aanvullende werking’ worden gebruikt, maar opnieuw zonder dat blijkt dat daarmee iets anders wordt bedoeld dan dat dat [verweerders 2 en 3] geen beroep kunnen doen op artikel 15 van Pro de statuten en zonder aanduiding van enigerlei leemte in de statutaire regeling. [36] De klachten met betrekking tot de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid missen dus feitelijke grondslag.
hiervoor onder iiiweergegeven, geldt het volgende.
hiervoor onder ivweergegeven slaagt niet. In dit verband is van belang dat voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid een maatstaf geldt die de rechter tot terughoudendheid noopt. Gelet op die terughoudendheid volstaat voor een beslissing waarbij een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid wordt verworpen, veelal dat de rechter die over de feiten oordeelt duidelijk maakt welke feiten en omstandigheden hij in zijn afweging heeft betrokken. Aan die motivering kunnen veelal niet al te hoge eisen worden gesteld, anders dan in geval van een beslissing waarbij niettegenstaande de bedoelde terughoudendheid een beroep op de beperkende werking wordt aanvaard. Ik vermag niet in te zien waarom dat hier anders zou zijn.
contractuelevorm: schending van een contractuele verplichting geeft de wederpartij in beginsel recht op ontbinding (art. 6:265 BW Pro). Een samenwerkingsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, is zelfs zonder tekortkoming in beginsel vatbaar voor opzegging door de wederpartij. [38] De door [eiseres] gebezigde kwalificaties ‘volledige wanverhouding’ en ‘draconische gevolgen’ brengen mijns inziens niet mee dat hogere eisen behoren te worden gesteld aan de motivering van de verwerping van het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid door het hof, nog daargelaten dat in de processtukken van de feitelijke instanties door [eiseres] niet geheel dezelfde kwalificaties zijn gebruikt. [39]
hiervoor onder vweergegeven geldt het volgende.
medelaten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. [40] Zou de steller van het middel dit laatste bedoelen, dan geldt weer dat hij niet begrijpelijk uiteen zet waaruit volgt dat het hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan.
hiervoor onder vizijn in feite varianten op die onder iv en v en delen in het lot van die klachten: er is geen aanleiding voor de lezing dat het hof niet heeft onderkend dat art. 2:8 BW Pro een gedragsmaatstaf behelst, en een nadere motivering door het hof van zijn beslissing dat het beroep van [eiseres] op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid geen doel treft, was niet vereist.
hiervoor onder viibevatten ten opzichte van de voorgaande klachten maar beperkt iets nieuws. Aangevoerd wordt dat bij de gedragsmaatstaf van de redelijkheid en billijkheid zou passen dat aan [eiseres] een termijn was gegund om de certificering ongedaan te maken, maar een vindplaats in de stukken van de feitelijke instanties wordt niet gegeven. Ten overvloede: [eiseres] had ook zonder termijnstelling de certificering naar aanleiding van de bezwaren van [verweerders 2 en 3] eerder ongedaan kunnen maken dan zij feitelijk heeft gedaan (namelijk na het eindvonnis van de rechtbank).
hiervoor onder viiizien op wat het hof heeft overwogen over het argument van [eiseres] dat inmiddels decertificering heeft plaatsgevonden en dat de aandelenoverdracht is teruggedraaid.
derde onderdeelbevat uitsluitend voortbouwklachten, die geen afzonderlijke bespreking behoeven.