Conclusie
en volgende. Daarmee moet bedoeld zijn: de artt. 426 t/m 429. Deze zeven wetsartikelen bevatten een hele reeks van bepalingen. Zelfs in het eerste lid van art. 426, waarom het hier gaat, zijn nog twee verschillende bepalingen te onderkennen. Door exclusieve werking toe te kennen aan art. 2:359 BW Pro zou slechts één van die twee bepalingen terzijde gesteld worden; de tweede (cassatietermijn) uiteraard niet.
uitdrukkelijkzou vermelden of noodzakelijk zou meebrengen. Een uitdrukkelijke vermelding is er net niet en van noodzakelijk meebrengen is geen sprake.
bij de vennootschapwanbeleid is gevoerd en daardoor worden verzoekers, zoals reeds bleek, niet in rechtstreekse zin gebonden.
essentiëlestellingen van partijen aan de aandacht van het hof zijn ontsnapt [40] . Daarbij laat ik nog in het midden of men de voormalige voorzitter van de raad van bestuur van Ogem Holding, [verzoeker 3] , in dit geding wel als
partijmag beschouwen.
ten tijde vande algemene vergadering (nog) niet kende naar de letter juist. Het stond het hof echter vrij de gegevens waarover het de beschikking had te interpreteren zoals het heeft gedaan. Het stond voorts aan het hof te beoordelen of er aanleiding was hierover nog partijen (of andere belanghebbende) te horen of inlichtingen in te winnen.
waarbij tot opzegging kon worden overgegaan. De hier door mij gecursiveerde woorden komen echter in de (hierboven grotendeels weergegeven) overwegingen van de ondernemingskamer niet voor.
kanzij (indien verzocht of gevorderd) de voorzieningen treffen, die zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht. Het vernietigen van de besluiten inzake de jaarrekeningen heeft de ondernemingskamer in deze zaak niet geboden geacht. Dat discretionair oordeel is noodzakelijkerwijs van feitelijke aard. De ondernemingskamer heeft dit oordeel gemotiveerd in de tweede alinea van r.o. 4.12.