AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt overgang stemrecht aan pandhouder en verwerpt cassatie
In deze zaak stond de vraag centraal of het stemrecht over aandelen, dat krachtens pandrecht aan de pandhouder was overgegaan, weer aan de aandeelhouder moest worden teruggegeven vanwege gedragingen van de pandhouder die het belang van de vennootschap zouden schaden.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en het arrest van de ondernemingskamer waarin deze kwestie werd behandeld. De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het arrest van de ondernemingskamer, maar vond dat deze niet konden leiden tot vernietiging van dat arrest.
De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel van de ondernemingskamer nader toe te lichten, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding. Hiermee bevestigde de Hoge Raad de rechtmatigheid van de overgang van het stemrecht aan de pandhouder en het oordeel van de ondernemingskamer.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van de ondernemingskamer bevestigd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/04301
Datum3 april 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: B.I. Kraaipoel,
tegen
ROYAL BANK OF SCOTLAND PLC, gevestigd te Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: RBS,
advocaten: J.W.H. van Wijk en G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/585773 / HA ZA 15-406 van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2015 en 4 mei 2016;
het arrest in de zaak 200.213.190/01 OK van de ondernemingskamer van 10 juli 2018.
[eiser] heeft tegen het arrest van de ondernemingskamer beroep in cassatie ingesteld.
RBS heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor RBS toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van de ondernemingskamer beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RBS begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 3 april 2020.