ECLI:NL:HR:2007:AZ8210
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- A. Hammerstein
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en omvang van enquêteverzoek bij onderzoek ATR-vennootschappen
De Stichting Jan Rebel verzocht de Ondernemingskamer een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de ATR-vennootschappen over de periode van 30 december 2002 tot 2 februari 2005, met machtiging tot inzage in boeken en bescheiden van betrokken vennootschappen en verbonden personen. LBF Management B.V. en een andere belanghebbende bestreden dit verzoek onder meer met een beroep op niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 2:349 lid 1 BW Pro, stellende dat de Stichting niet tijdig schriftelijke bezwaren had kenbaar gemaakt.
De Ondernemingskamer wees het verzoek toe en bepaalde dat het onderzoek zich ook zou uitstrekken tot 5 mei 2005, de datum van staking van de ondernemingen. LBF en de andere belanghebbende stelden beroep in cassatie tegen deze beschikking, terwijl de Stichting incidenteel cassatieberoep instelde. De Hoge Raad oordeelde dat het verweer op niet-ontvankelijkheid uitsluitend toekomt aan het bestuur van de vennootschappen en verwierp het beroep van LBF en de andere belanghebbende. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat de Ondernemingskamer een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de omvang en periode van het onderzoek en dat zij niet gebonden is aan de exacte grenzen van het verzoek zoals ingediend.
De Hoge Raad benadrukte dat de Ondernemingskamer geen verrassingsbeslissingen mag nemen en dat partijen gelegenheid moeten hebben zich uit te laten over de consequenties van de beslissing. De Hoge Raad verwierp het incidentele beroep van de Stichting en bepaalde dat ieder van de partijen de eigen kosten van het cassatiegeding draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ruime beoordelingsvrijheid van de Ondernemingskamer bij het bevelen van een onderzoek.