Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
binnende grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve wordt gehandhaafd, zoals de rechter ook overigens de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering en het verweer ambtshalve aan het recht toetst. Het ligt zeer voor de hand dat dit althans met betrekking tot dwingend consumentenrecht het gewone geval is en dat dus voor de toepassing van dat dwingende recht in het algemeen niet nodig is dat daarop door de consument een beroep is gedaan. Dit alles komt in hoofdstuk 4 uitvoerig aan de orde.
aanvullendrecht onze aandacht. Weliswaar verschilt dwingend recht van aanvullend recht, maar er zijn ook overeenkomsten, in het bijzonder tussen aanvullend recht en
eenzijdigdwingend recht (dat wil zeggen dwingend recht waarvan niet ten nadele van een bepaalde partij, hier de consument, mag worden afgeweken).
2.Feiten en procesverloop
3.De overeenkomst van opdracht
Het ruime bereik van de wettelijke regeling van de overeenkomst van opdracht
legi generalivan de eerste afdeling toepassing.
tenzijdoor partijen iets anders is overeengekomen of de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid die toepasselijkheid verhindert, is dus niet zomaar in alle gevallen juist. [9] Welnu, wat de wetgever met de uitschakelbepaling van art. 7:411 lid 2 BW Pro heeft gedaan, is wat betreft de bepalingen van de eerste afdeling duidelijk maken hoe hij over de bedoelde volgorde dacht. Het komt erop neer dat het aanvullende recht van de eerste afdeling volgens de bedoeling van de wetgever niet meer is dan ‘een goede mogelijkheid’ en dat de rechter – ook buiten het geval van een afwijkend partijbeding of de (met terughoudendheid te hanteren) beperkende werking van redelijkheid en billijkheid – in plaats van de wettelijke regel ander passend recht mag aanvaarden. Aanvullend recht met zodanige zwakke werking komt meer voor. Een bekend voorbeeld daarvan is de verzuimregeling van art. 6:81 e.v. BW. De in die regeling opgenomen regels van aanvullend recht dienen – niettegenstaande hun gedetailleerde formulering – naar de bedoeling van de wetgever slechts als voorzet voor door de rechter te verrichten maatwerk, in de zin van een redelijke oplossing naar gelang van wat van partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht worden verwacht. [10]
typischgeval van opdracht. Kortom, het antwoord op de eerste prejudiciële vraag dunkt mij eenvoudig.
te allen tijdeopzeggen. Volgens lid 3 is de particuliere opdrachtgever ter zake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd (afgezien van art. 7:406 BW Pro). Lid 3 bevat wat betreft particuliere opdrachtgevers volledig dwingend recht (art. 7:413 lid 1 BW Pro), en lid 1 eenzijdig dwingend recht (art. 7:413 lid 2 BW Pro). De uitschakelbepaling van art. 7:400 lid 2 BW Pro (hiervoor 3.6) mist wat betreft dit dwingende recht toepassing. In ieder geval op het eerste gezicht zijn opzegtermijnen met dit stelsel niet verenigbaar, omdat zij in strijd lijken met het uitgangspunt dat de particuliere opdrachtgever te allen tijde kan opzeggen en ter zake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd is.
Op basis van zo’n bedingzal een makelaar derhalve, in het geval dat de overeenkomst eindigt voordat de opdracht volbracht is, jegens een opdrachtgever als in art. 7:413 lid 2 BW Pro aangewezen, geen recht op courtage kunnen doen gelden
voorzoverdie het “naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon” als in art. 7:411 lid 1 BW Pro bedoeld te boven gaat, zulks overigens onverminderd het bepaalde bij lid 2 van dat artikel.’
nietmet het dwingendrechtelijke karakter van onder meer art. 7:411 BW Pro te verenigen. De soepele hantering van de wettelijke regels in verband met de grote variëteit van opdrachten (hiervoor 3.3) gaat niet zover dat dwingend recht soms toch geen dwingend recht is. Voor zover dit niet reeds vanzelf spreekt, geldt dat het aansluit bij de keuze van de wetgever om dwingend recht van de werking van de uitschakelbepaling van art. 7:400 lid 2 BW Pro uit te zonderen (hiervoor 3.6).
onjuistzou zijn geweest.
4.Ambtshalve handhaving van dwingend recht door de rechter
Inleiding; plan van behandeling
binnende grenzen van de rechtsstrijd dwingend recht veelal ambtshalve handhaaft, zoals de rechter ook overigens de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering en het verweer ambtshalve aan het recht toetst. In de moderne literatuur is door diverse auteurs het alternatief bepleit dat de rechter dwingend recht ambtshalve aan de orde stelt; dit komt hierna 4.112 e.v. aan de orde. Ten slotte trek ik onder 4.120 e.v. conclusies met betrekking tot de ambtshalve handhaving van het eenzijdig dwingende recht van de regeling van de opdracht (art. 7:413 jo Pro. 7:408 lid 3 BW).
dwingendrecht. [43] De reden voor die keuze is zeer vaak dat de wetgever de ene partij bij een bepaalde categorie van rechtshandelingen (bijna altijd: overeenkomsten) voor zwakker houdt dan de andere en daarom wil beschermen. De belangrijkste categorieën van zulke zwakke partijen zijn overbekend: werknemers, huurders en pachters, en daarnaast vooral ook consumenten. De reden voor de keuze voor dwingend recht kan ook gelegen zijn in de belangen van bij de werking van een rechtshandeling betrokken derden. En ook is mogelijk dat de wetgever een hoger belang dan dat van partijen of van
bepaaldederden op het oog heeft, dus een algemeen belang, zoals de zekerheid van het rechtsverkeer of een bijzonder materieel belang van de gemeenschap.
semidwingendrecht. Ook komt het voor dat niet partijen zelf de afwijking in hun macht hebben, maar anderen wel, zoals in gevallen waarin afwijking bij cao (één voorbeeld uit vele: art. 7:670 lid 14 BW Pro) of standaardregeling (bijv. art. 7:6 BW Pro) mogelijk is. Vooral in het arbeidsrecht is in dit verband de term
driekwart dwingendrecht gangbaar. [45] De figuur veronderstelt uiteraard dat een cao respectievelijk standaardregeling een hogere rang heeft dan een individuele overeenkomst. [46] Wat bij individuele overeenkomst niet mag, mag bij de ‘hogere’ cao of standaardregeling wel.
eenzijdig dwingend recht,in onderscheid van meerzijdig dwingend recht
. [47] Uiteraard bestaat er een rechtstreeks verband met de reden voor het verbod op afwijking: is die reden gelegen in de bescherming van een zwakkere partij, dan ligt voor de hand inderdaad wél toe te staan dat ten gúnste van die partij van de door de wetgever geformuleerde regel wordt afgeweken. De term eenzijdig dwingend recht impliceert dat naar de andere zijde van dwingend recht géén sprake is; in zoverre is de door de wetgever gegeven regel juist aanvullend. Dit is eenvoudig te illustreren aan de hand van het in deze procedure centraal staande art. 7:411 BW Pro. De belangrijkste regel die dat artikel bevat, is dat bij een voortijdig einde van de opdracht de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon, dat in het geval het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen, het volle loon kan zijn. Volgens art. 7:413 lid 2 jo Pro. 7:408 lid 3 BW kan van deze regel niet ten nadele van de particuliere opdrachtgever worden afgeweken. Dit betekent dus dat voor zover art. 7:411 BW Pro de particuliere opdrachtgever faciliteert, dus in de zin dat deze niet meer dan een redelijk deel van het loon verschuldigd is, van écht dwingend recht sprake is: afwijking van de door de wetgever gegeven regel is niet toegelaten, ook niet in bepaalde vorm (géén semidwingend recht) of bij cao of standaardregeling (géén driekwart dwingend recht). Intussen, voor zover art. 7:411 BW Pro de opdrachtnemer faciliteert door hem een aanspraak op een redelijk deel van het loon toe te kennen, is sprake van
aanvullendrecht. Afwijking van de door de wetgever gegeven regel is in zoverre gewoon toegelaten. [48]
relatief dwingend recht. [49] Ook deze variant veronderstelt dat de wetgever de bescherming van een van partijen beoogt.
hoogste niveauvan rechterlijke activiteit met betrekking tot dwingend recht handhaaft de rechter het verbod op afwijkende bedingen geheel zelfstandig ten opzichte van de procespartijen. Dit niet alleen in die zin dat onverschillig is welk standpunt partijen met betrekking tot de geldigheid van het beding hebben ingenomen, maar ook in de zin dat de rechter actief de voor de toepassing van het dwingende recht relevante feiten onderzoekt. Uiteraard is de rechter wat betreft de feiten tot op zekere hoogte altijd van de voorlichting door partijen afhankelijk, maar hij kan wel naar aanleiding van bepaalde kenmerken van de hem voorgelegde zaak aan partijen vragen stellen en/of andere maatregelen van instructie nemen. Uitgaande van het door mij bedoelde hoogste niveau van rechterlijke activiteit doet hij dit zodra hij ook maar de mógelijkheid van de toepasselijkheid van het dwingende recht vermoedt. Doet de rechter dit toch niet, dan kan daarover in een hogere instantie worden geklaagd. Op dit hoogste niveau van rechterlijke activiteit is de werking van het dwingende recht maximaal. Zodra de rechter vermoedt dat dwingend recht ter zijde is gesteld, is hij actief. Uiteraard is hiermee de werking van het dwingende recht nog steeds verre van volmaakt. Niet alleen kan de presentatie van de zaak door partijen de rechter op het verkeerde been zetten, zodat de toepasselijkheid van het dwingende recht onvermoed blijft, ook zijn er zeer veel gevallen die de rechter nooit bereiken en waarin afwijkingen van dwingend recht niet worden geredresseerd.
laagste niveauvan rechterlijke activiteit dient te gelden: de rechter handhaaft het verbod op afwijkende bedingen slechts in volstrekte afhankelijkheid van partijen; hun omlijning van het geschil, zowel feitelijk als juridisch, wordt door hem volmaakt gerespecteerd. Volgens dit laagste niveau van rechterlijke activiteit gaat de rechter niet alleen niet zelfstandig op zoek naar de feitelijke elementen die nodig zijn om te kunnen vaststellen of het dwingende recht van toepassing is, maar ontziet hij met het dwingende recht strijdige bedingen ook dan wanneer die toepasselijkheid evident is, maar geen van partijen zich op die toepasselijkheid beroept. Daarbij is onverschillig – ik beschrijf nog steeds het láágste prototypische niveau van rechterlijke activiteit – om welke reden partijen zich niet op het dwingende recht beroepen. Die reden kan bewust zijn (beide partijen menen dat handhaving van het dwingende recht niet in hun belang is), maar ook onbewust (onwetendheid bij een procespartij en/of een mogelijke fout van diens advocaat of andere rechtshulpverlener). In al deze gevallen blijft de schending van het dwingende recht dus zonder gevolgen; het met het dwingende recht strijdige beding heeft ‘gewoon’ zijn werking. Wordt wél door een partij op het dwingende recht een beroep gedaan en worden de voor de toepassing ervan benodigde feiten door die partij gesteld, dan past de rechter het dwingende recht uiteraard wel toe. [50] Doet hij dit toch niet (bijvoorbeeld omdat hij ten onrechte meent dat aan de toepassingsvoorwaarden voor het dwingende recht niet is voldaan), dan kan dit in het algemeen door het aanwenden van een rechtsmiddel worden geredresseerd.
middenniveauvan rechterlijke activiteit met betrekking tot de handhaving van dwingend recht is: indien de toepasselijkheid van het dwingende recht volgt uit de feiten zoals die zonder nader onderzoek van de rechter vaststaan, handhaaft de rechter het dwingende recht, ook al heeft geen van partijen op het bestaan van het dwingende recht een beroep gedaan. Een onderzoek naar de feiten buiten hetgeen partijen hem presenteren, doet de rechter op dit middenniveau echter niet.
prototypevan nietigheid en is een vordering van een belanghebbende nodig volgens het
prototypevan vernietigbaarheid (wat juist minimale ambtshalve activiteit van de rechter impliceert). Waar Meijers de variëteit van rechtsverschijnselen benadrukt, is echter geïmpliceerd dat ook met betrekking tot de vraag naar de mate van ambtshalve rechterlijke activiteit zich allerlei overgangsfiguren kunnen voordoen. [60]
honorerenvan een vordering of verweer op een rechtsgrond die door partijen niet is genoemd. Denk aan het geval van het klassieke
Rijwielzadel-arrest: eiser vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en legt daaraan een tussen partijen gemaakte afspraak ten grondslag; de rechter wijst de vordering toe op grond van wanprestatie (dus toerekenbare tekortkoming). [69] Déze taak van de rechter veronderstelt dat de partij die aldus door de rechter wordt ‘geholpen’, de voor de toepassing van de juiste rechtsgrond benodigde feiten heeft gesteld en mogelijk daarnaast ook dat deze partij op grond van die feiten ook zakelijk hetzelfde rechtsgevolg heeft ingeroepen. [70] Wie bij het aanvullen van rechtsgronden alleen aan deze laatstbedoelde taak denkt, verstaat de vraag of de rechter dwingend recht ambtshalve handhaaft gemakkelijk wezenlijk anders dan Vriesendorp (vergelijk de hierna 4.60 e.v. besproken discussie tussen H.J. Snijders en Hartkamp, en in het bijzonder onder 4.70).
binnende grenzen van de rechtsstrijd; de rechter toetst immers steeds of de grondslag van de vordering respectievelijk het verweer volgens het geldende recht deugdelijk is en dus tot het ingeroepen rechtsgevolg leidt. Volgens Vriesendorp is deze middengroep ‘aanmerkelijk uitgebreider’ dan die van de gevallen waarin voor toepassing nodig is dat op het dwingende recht door partijen een beroep is gedaan. [75]
a fortiori,behoudens niet door Cleveringa beschreven uitzonderingsgevallen.
overgangsfiguurtussen nietigheid en vernietigbaarheid. [96] In plaats daarvan lijkt de rechter een keuze te moeten maken tussen nietigheid en vernietigbaarheid, waarbij dan de ambtshalve door de rechter te bieden bescherming een overweging is. Ik begrijp dit zo dat in de gevallen waarin die overweging zwaar weegt, nietigheid de aangewezen sanctie is.
keuzeheeft tussen vernietigbaarheid en nietigheid. Continuïteit is er ook in zoverre dat weer een gezichtspunt is de bescherming die een partij ook zonder uitdrukkelijk beroep op het dwingende recht kan behoeven, waaronder ook in verstekzaken. (Net als G.E. Langemeijer was W. Snijders lid van de rechterlijke macht. [99] )
a contrariouit art. 48 Rv Pro (oud) werd afgeleid. Ook de toelichting op art. 25 Rv Pro suggereert niets dan continuïteit ten opzichte van het oude recht: [110]
Van Schijndel [123] en
[…]. [124] Daarbij verdedigt hij dat voor de ambtshalve beoordeling van geldigheid van rechtshandelingen niet vereist is dat het desbetreffende dwingende recht van openbare orde is. [125] Daarbij ziet Hartkamp onder ogen dat volgens de meeste procesrechtelijke literatuur voor aanvulling van rechtsgronden buiten de grenzen van de rechtsstrijd, strijd met de openbare orde wél vereist is. [126]
/[…](2013) achterhaald: de rechter doet ook ambtshalve onderzoek naar oneerlijke bedingen, zodra hij vermoedt dat een overeenkomst onder het bereik van de richtlijn valt en een beding bevat dat oneerlijk is (hierna 5.3 onder a).
buitende grenzen van de rechtsstrijd plaatsvindt. De grondslag daarvoor is hetzij de al genoemde openbare orde, hetzij iets dat op vergelijkbare wijze activiteit buiten die grenzen gebiedt, namelijk de strekking van de desbetreffende EU-regel om effectief consumenten te beschermen: [128]
[…]/[…]is wat betreft de regels met betrekking tot oneerlijke bedingen sprake van recht dat gelijkwaardig is aan de nationale regels van openbare orde. [129] Ik zal dit echter straks nuanceren (hierna 4.80).
buitende grenzen van de rechtsstrijd plaatsvindt, zich verwijderde van de opvatting van Vriesendorp en zijn tijdgenoten. Wat betreft Vriesendorp is voor de begrenzing van de rechtsstrijd niet bepalend of op de ongeldigheid van de desbetreffende rechtshandeling een beroep is gedaan; in plaats daarvan zijn de vordering en het daartegen gevoerde verweer bepalend, in de zin dat de rechter aan de hand van de uit het dossier blijkende feiten zelfstandig de deugdelijkheid van de vordering en het verweer onderzoekt. Althans in gewone gevallen van nietigheid (de middengroep bij Vriesendorp, hiervoor 4.29) hield dit voor Vriesendorp en de zijnen mede in dat voor zover een vordering of verweer op een nietige rechtshandeling steunt, de rechter de nietigheid ambtshalve constateert: een nietige grondslag is niet een deugdelijke grondslag. Wat betreft de nietigheid wegens schending van een vormverzuim springt dit mogelijk het meest rechtstreeks in het oog, maar ook voor andere gronden voor nietigheid geldt dit. En hoewel vernietigbaarheden op het eerste gezicht wezenlijk anders geaard zijn, verdienen zij in verband met de wetsgeschiedenis van art. 3:40 BW Pro (hiervoor 4.41 e.v.) en hetgeen Hartkamp en W. Snijders in het verlengde daarvan hebben betoogd (hiervoor 4.46 e.v.) veelal een vergelijkbare behandeling als gewone nietigheden, althans wat betreft de door de rechter ambtshalve te ontplooien activiteit.
binnende grenzen van de rechtsstrijd viel, plaatst Hartkamp – mogelijk/waarschijnlijk onopzettelijk –
buitendie grenzen. Daarmee kwam de kwestie in een andere sleutel te staan, om niet te zeggen: in een ongelukkig frame. Hartkamp doet alsof de toetsing van de geldigheid van rechtshandelingen een wezenlijk andere toepassing van art. 25 Rv Pro is dan de beoordeling van de deugdelijkheid van de vorderingsgrondslag (ik neem die korte formulering nu even over, maar de lezer zij erop bedacht dat ook de grondslag van het verweer ambtshalve wordt beoordeeld). [132] Voor Vriesendorp was de kwestie van de vorderingsgrondslag een medaille met twee kanten, namelijk met (1) een positieve verplichting van de rechter om eventueel rechtsgronden bij te brengen die tot toewijzing van de vordering of het verweer kunnen leiden, maar niet door respectievelijk eiser en verweerder zijn benoemd, en (2) een negatieve verplichting om de vordering af te wijzen respectievelijk een verweer te passeren, indien – uitgaande van de ten processe gebleken feiten – die vordering of dat verweer volgens het geldende recht ondeugdelijk is, waarbij onder dit laatste begrepen is het geval dat de vordering of het verweer op een nietige rechtshandeling steunt (althans wat betreft de meeste nietigheden, de middengroep van gevallen, hiervoor 4.29).
buitende grenzen van de rechtsstrijd wordt toegepast. De maatstaf daarbij was voor hem en zijn tijdgenoten de openbare orde. Wat in deze categorie gevallen extra plaatsvindt, is dat de rechter zich niet beperkt tot de feiten die uit het dossier (eenduidig) blijken, maar naar de juiste feiten actief onderzoek doet (opnieuw hiervoor 4.29). De kwalificatie ‘buiten de grenzen van de rechtsstrijd’ ziet op dit extra’s (boven wat ook binnen de grenzen van de rechtsstrijd plaatsvindt), dus op het actieve onderzoek door de rechter ook buiten de reeds ten processe gebleken feiten (welk onderzoek hem alleen vrijstaat in geval van potentiële strijd met recht van openbare orde).
binnende grenzen van de rechtsstrijd plaatst. Onder Nederlandse juristen lijkt vrijwel algemeen geworden de opvatting dat als op een nietigheid ten processe geen beroep is gedaan, de rechter die nietigheid in beginsel niet toepast (conform Snijders). Bijna steeds stelt men
meteende vraag of de nietigheid van openbare orde is (of gelijkwaardig aan de nationale openbare orde), dus zonder dat men zich de vraag stelt of met de gewone ambtshalve beoordeling van de deugdelijkheid van de vorderingsgrondslag, de nietigheid niet reeds in beeld is.
toewijsbaar is, ook al beroept eiser zich op de regel niet en bijvoorbeeld in plaats daarvan op onrechtmatige daad. [135] De rechtsregels van art. 6:119 BW Pro (wettelijke rente) en art. 6:119a BW (wettelijke handelsrente) zijn in het algemeen van aanvullend recht; [136] partijen mogen bijvoorbeeld een hogere rente overeenkomen, eventueel ook een rente ter hoogte van de wettelijke handelsrente in een geval waarin volgens het aanvullende recht slechts wettelijke rente verschuldigd is. Toch moet een rechter de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente ambtshalve
afwijzenzo vaak als een zodanig rentebeding niet is gesteld, dus ook bij gebreke van verweer. [137] Waarom? Omdat hij ambtshalve de deugdelijkheid van de vorderingsgrondslag beoordeelt en de bedoelde rechtsnorm voor die deugdelijkheid nu eenmaal medebepalend is. Zoals het arrest
Wiefferink/Poldanorhet zegt
:
nietambtshalve zou worden vastgesteld? De rechtsregel waaruit die nietigheid voortvloeit (dus het dwingende recht) bepaalt toch ook mede de deugdelijkheid van de vorderingsgrondslag?
buitende grenzen van de rechtsstrijd zou moeten doen. Dit ging H.J. Snijders als processualist veel te ver en dat is op zichzelf begrijpelijk, omdat voor wat de rechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd doet, traditioneel de maatstaf van de openbare orde bepalend was en trouwens nog steeds grotendeels is. [140] Hoe jammer echter dat de processualist Snijders het debat niet alsnog in het juiste spoor heeft gebracht! Dit ondanks dat hijzelf in zijn ‘Maten van dwingend recht’ (1999) terecht het gevaar benoemde dat een partij in verband met haar onwetendheid niet de met (eenzijdig) dwingend recht beoogde bescherming ontvangt (hiervoor 4.58-4.59). Dat gevaar verdwijnt, in ieder geval grotendeels, [141] indien binnen de grenzen van de rechtsstrijd, dus bij de beoordeling van de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering en het verweer, nietigheden ambtshalve worden toegepast (met toepassing van de ten processe vaststaande feiten) en in het verlengde van de wetsgeschiedenis van het BW (overeenkomstig Hartkamp en W. Snijders) bovendien vernietigbaarheden ten behoeve van de beschermde partij óók. Dit laatste lijkt vrijwel iedereen [142] als vanzelfsprekend te reserveren voor toetsing aan Europees consumentenrecht.
buitende grenzen van de rechtsstrijd valt (wat hij een ‘enge opvatting van de rechtsstrijd’ noemt). Aarzelend komt hij tot de opvatting dat als de rechter een overeenkomst binnen de grenzen van de rechtsstrijd ‘aantreft’ (kennelijk in de zin dat de vordering of eventueel het verweer op die overeenkomst steunt), de rechter die overeenkomst toetst op eventuele nietigheid
binnende grenzen van de rechtsstrijd (nu volgens een ‘ruime opvatting’ van die strijd), maar dan uitsluitend op basis van door partijen expliciet aan hun vordering of verweer ten grondslag gelegde gegevens (en niet overige informatie uit het dossier). [144] Mijns inziens zit Ancery aldus maar gedeeltelijk op het spoor van Vriesendorp en zijn tijdgenoten, want een beperking tot expliciet aan de vordering of het verweer ten grondslag gelegde gegevens, vind ik bij dezen niet (vergelijk hiervoor 4.26).
[…]/[…]. [145] Ik benoemde reeds (hiervoor 4.67) dat dit arrest leert dat die ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen erop berust dat sprake is van recht gelijkwaardig aan de nationale regels van openbare orde. Wie de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU naslaat (waarnaar uw Raad in
/[…]ook verwijst [146] ), ziet dat dit klopt als een bus. [147] Op het eerste gezicht sluit deze kwalificatie aan bij de opvatting van H.J. Snijders, die immers de ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen met de openbare orde verbond, en daarbij ook reeds rekening hield met een daaraan gelijk te stellen categorie in verband met een effectieve bescherming van consumenten (hiervoor 4.66).
[…]/[…]als nationaal ijkpunt
,heeft duidelijk gemaakt dat het zo niet is en dat de rechter ook ambtshalve onderzoek naar de feiten moet doen, namelijk zodra hij vermoedt dat een overeenkomst onder het bereik van de richtlijn valt en een beding bevat dat oneerlijk is (hierna 5.3 onder a). Welnu, zoveel ambtshalve activiteit van de rechter benadert het hiervoor 4.12 bedoelde hoogste prototypische niveau van rechterlijke activiteit. Dat zou ook Vriesendorp in termen van openbare orde hebben benoemd en als een verplicht treden
buitende rechtsstrijd (vergelijk hiervoor 4.29). Zou de toetsing van oneerlijke bedingen echter niet verder gaan dan Snijders veronderstelde (dus beperkt tot hetgeen uit de processtukken blijkt), dan zou Vriesendorp dat
nietin termen van openbare orde hebben benoemd, maar als gewone ambtshalve aanvulling van rechtsgronden
binnende grenzen van de rechtsstrijd, want een beoordeling van de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering en het verweer.
buiten de grieven omdient toe te passen. Voor die vraag is de openbare orde uiteraard wél de maatstaf. De bedoelde auteurs onderscheiden die vraag echter ten onrechte niet van de vraag waartoe de rechter in eerste aanleg verplicht is, alsook van de vraag waartoe de appelrechter verplicht is op het terrein waar zijn rol dezelfde is als die van de rechter in eerste aanleg, namelijk op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep. [157]
ter sprake mag brengen, teneinde zo te bevorderen dat de zaak alsnog op basis van de juiste tussen partijen toepasselijke rechtsregels kan worden beslist (vergelijk hierna 4.116).
toegevoegd(hiervoor 4.4)
.Uiteraard heeft de wetgever ook met het nationale kartelverbod rechtsgevolgen beoogd, maar die zijn uitsluitend negatief van aard (nakoming kan niet worden afgedwongen; en verrichte prestaties kunnen in beginsel [170] als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd). Ik maak dit onderscheid omdat mijns inziens min of meer vanzelfsprekend is dat dwingend recht
in eigenlijke zinbinnen de grenzen van de rechtsstrijd aan de orde dient te komen. Indien voor de vordering of het verweer een beroep wordt gedaan op een beding dat met dwingend recht in strijd is, is het onderzoek naar de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering respectievelijk het verweer onvolledig indien het dwingende recht daarbij buiten beschouwing blijft. In het geval van andere nietigheden ontbreekt deze vanzelfsprekendheid veelal.
indirectde concurrentie beperkt of vervalst. Dat dit geval zich inderdaad voordoet zal zich in het algemeen niet eenvoudig laten vaststellen. De ACM heeft er diepgravende onderzoeken voor nodig en de uitkomst van die onderzoeken berusten vooral ook op een interpretatie van relevante marktgegevens; voor een zodanige interpretatie is de rechter niet geëquipeerd, althans niet zonder een onderzoek van deskundigen. Dat het weinig aanlokkelijk is om aan de civiele rechter op te dragen om ook buiten de rechtsstrijd het nationale kartelverbod te handhaven, spreekt tegen deze achtergrond vanzelf. Daarom wekt het ook weinig verwondering dat uw Raad van een zodanige opdracht niet heeft willen weten. [171]
Gemeente Heerlen/Whizzniet in dat voor de in art. 6 Mw Pro voorziene nietigheid (lid 2: ‘van rechtswege nietig’) noodzakelijk is dat daarop door een procespartij een beroep is gedaan. In plaats daarvan zegt uw Raad: [172]
binnende grenzen van de rechtsstrijd de nietigheid van art. 6 Mw Pro wél wordt toegepast. Als dit juist is, wordt een vordering die strekt tot een verbod van andere prijzen dan tussen partijen overeengekomen of tot het aanbieden van goederen of diensten buiten het tussen partijen overeengekomen gebied, dus ambtshalve door de rechter afgewezen, eenvoudig omdat dit behoort tot de taak die hij binnen de grenzen van de rechtsstrijd heeft. Aldus zou de middengroep van gevallen, zoals door Vriesendorp beschreven (hiervoor 4.29), nog steeds bestaan. In die middengroep handhaaft de rechter nietigheden bij de ambtshalve toetsing van de deugdelijkheid van de vorderingsgrondslag; hij doet dit slechts voor zover de nietigheid hem uit de processtukken blijkt. [173]
Rabobankuit 2018 niet van openbare orde. [175] Daarom was het hof niet gehouden tot ambtshalve toepassing van de in de bepaling voorziene nietigheid van een te hoge vertrekvergoeding
buiten het door de grieven ontsloten gebied.Opnieuw is niet sprake van dwingend recht in eigenlijke zin: de wetgever geeft aan beëindigingsovereenkomsten met bankmedewerkers niet dwingend een bepaalde inhoud. Wel is een te hoge vertrekvergoeding verboden en is een rechtshandeling in strijd met dat verbod nietig.
Rabobankniet dat de nietigheid van art. 1:125 lid 2 jo Pro. 1:116 lid 3 Wft ook niet
binnende grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve door de rechter wordt toegepast, dus in de zin dat voor toepassing van de nietigheid nodig zou zijn dat door een procespartij op die nietigheid een beroep is gedaan. [176] In de zaak
Rabobankhad de rechtbank de nietigheid niet toegepast. Daartegen richtte zich in hoger beroep geen grief [177] en
Rabobankdeed ook anderszins in de eerste conclusiewisseling op de nietigheid geen beroep. Dáárom liet het hof de nietigheid buiten toepassing en omdat de openbare orde niet in het geding was, was dit juist.
Rabobank(evenals bijvoorbeeld in Trudo [179] ) die aanduiding als synoniem voor de omvang van het hoger beroep, dus van de scheidslijn tussen het deel van de uitspraak in eerste aanleg dat in het appel is betrokken en (voor zover van toepassing) het deel van de uitspraak waarvoor dit niet geldt en dat daarom reeds in kracht van gewijsde is gegaan. Deze begrenzing is te onderscheiden van het door de grieven ontsloten gebied. Ook aan deze laatste begrenzing is de appelrechter echter gebonden, behoudens de openbare orde en wat daaraan is gelijk te stellen. We moeten ons daarom niet op het verkeerde been laten zetten door de overweging van uw Raad in het arrest
Rabobankdat het hof niet gehouden was ‘om art. 1:125 lid 2 Wft Pro in verbinding met art. 1:116 lid 3 Wft Pro (binnen de grenzen van de rechtsstrijd van partijen in appel, maar) buiten het door de grieven ontsloten gebied ambtshalve toe te passen’. Deze formulering impliceert niet dat ook voor een rechter in eerste aanleg de nietigheid van art. 1:125 lid 2 Wft Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd ligt; het begrip ‘grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep’ zoals door uw Raad onder meer in
Rabobankgebruikt, mag niet worden vereenzelvigd met het begrip grenzen van de rechtsstrijd in de zin van art. 25 Rv Pro. [180]
Gemeente Heerlen/Whizzen
Rabobankniet volgt dat de nietigheden van respectievelijk art. 6 Mw Pro en art. 1:125 lid 2 Wft Pro in verbinding met art. 1:116 lid 3 Wft Pro niet
binnende grenzen van de rechtsstrijd moeten worden toegepast, bedoel ik niet te ontkennen dat er ook nietigheden zijn waarop door een procespartij een beroep moet zijn gedaan. Daarvan ging reeds Vriesendorp uit (hiervoor 4.28) en het ligt voor de hand dat dit nog steeds zo is. Gelet op de algemene belangen die met de beide genoemde nietigheden worden gediend (vrije mededinging respectievelijk het tegengaan van excessieve variabele beloningen voor bankiers), meen ik echter dat het niet waarschijnlijk is dat voor déze nietigheden inderdaad geldt dat zij door de rechter niet mogen worden toegepast behalve indien een procespartij er een beroep op doet. In plaats daarvan zal het gaan om nietigheden uit de middengroep (vergelijk hiervoor 4.29) die wel degelijk ambtshalve worden toegepast, maar uitsluitend
binnende grenzen van de rechtsstrijd (en in hoger beroep ook binnen het door de grieven ontsloten gebied).
Gratis mobiele telefoon II. [181] In dat arrest was onder meer de vraag aan de orde of de rechter de bepaling van het toenmalige art. 7A:1576 lid 2 BW ambtshalve toepast. [182] Volgens die bepaling was een overeenkomst van koop op afbetaling ‘niet van kracht’ indien de prijs niet in de overeenkomst is bepaald. Van dwingend recht in eigenlijke zin is geen sprake; de nietigheid (daar komt het niet van kracht zijn van de overeenkomst althans op neer) dient niet om de toepasselijkheid van bepaalde door de wetgever beoogde positieve rechtsgevolgen van een koop op afbetaling af te dwingen. In plaats daarvan is sprake van een geldigheidsvereiste voor een koop op afbetaling als zodanig: het ontbreken van een in de overeenkomst bepaalde prijs leidt ertoe dat de overeenkomst niet bindt.
Gratis mobiele telefoon II:
Fa-Medmet betrekking tot art. 6:96 leden Pro 5-7 BW. [184] Die bepalingen betreffen wel dwingend recht in eigenlijk zin, preciezer gezegd
eenzijdigdwingend recht: van de regels van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten kan niet ten nadele van de consument-schuldenaar worden afgeweken (art. 6:96 lid 5 tweede Pro volzin BW) en met betrekking tot een zodanige consument-schuldenaar geldt dat de vergoeding niet verschuldigd is dan na een zogenaamde veertiendagenbrief (art. 6:96 lid 6 BW Pro). Ook deze laatste bepaling bevat in verband met zijn strekking eenzijdig dwingend recht: de schuldeiser kan niet bedingen dat de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ook zonder veertiendagenbrief verschuldigd is.
Fa-Med:
nietals een toereikende grond voor zulke toewijzing kan gelden, zonder dat daarvoor nodig is dat de consument is verschenen en nietigheid of vernietigbaarheid van het beding heeft ingeroepen. Een tussenstap volgens welke het dwingende recht van art. 6:96 leden Pro 5-7 BW van openbare orde is of aan recht van openbare orde gelijkwaardig is, maakt uw Raad niet. [185]
Fa-Medniet spreekt van recht van openbare orde, vindt zijn bevestiging in het arrest
Intermaris. [187] Volgens dat arrest toetst de voorzieningenrechter die moet beslissen op een verzoek om een verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis niet ambtshalve of de arbiter art. 6:96 lid 6 BW Pro (de veertiendagenbrief) op juiste wijze heeft toegepast, omdat die bepaling geen dwingend recht van openbare orde bevat. Ik citeer het arrest:
[…]/Ru-Pro [192] en
[…]/[…] [193] zien op de vraag of de rechter ambtshalve nietigheden handhaaft. Geen van beide ziet echter op dwingend recht in eigenlijke zin en al helemaal niet op dwingend consumentenrecht. [194] Bovendien speelt in beide arresten de tweeconclusieregel en dus het appelprocesrecht een wezenlijke rol. [195] In het kader van de voorliggende zaak zijn deze arresten daarom mijns inziens niet werkelijk van belang.
Lindorff/Nazier) de tijd rijp is om de bakens te verzetten. Vooral waar het gaat om materieelrechtelijke regels van dwingend recht die bedoeld zijn om partijen die in het algemeen in hun rechtsverhouding tot de wederpartij zwak staan een zekere bescherming te bieden, zouden in het kader van een effectieve rechtsbescherming die partijen ook extra waarborgen in het proces dienen te krijgen. Een dergelijke waarborg kan zijn dat de rechter waakt over de bescherming die het materiële recht hun belooft, door die regels ook buiten de aangevoerde feitelijke grondslag ambtshalve toe te passen.
binnende grenzen van de rechtsstrijd. Die grenzen wordt bepaald door de vordering en het verweer en hetgeen partijen daaraan ten grondslag hebben gelegd. Het is een misverstand dat de omstandigheid dat niet door een procespartij een beroep op een nietigheid is gedaan, betekent dat daarmee die nietigheid zich buiten de grenzen van de rechtsstrijd bevindt. Nee, de rechter beoordeelt op grond van art. 25 Rv Pro ambtshalve de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering respectievelijk het verweer. En zoals de rechter een vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente afwijst in de gevallen waarin slechts de gewone wettelijke rente verschuldigd is (vergelijk hiervoor 4.76), zo ook wijst hij een vordering af voor zover deze op een nietige rechtshandeling steunt (eventueel nadat hij partijen nader heeft gehoord, ter voorkoming van een verrassingsbeslissing).
5.Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
Inleiding, de verplichting tot ambtshalve toetsing en plan van behandeling
[…]/[…]uit 2013 [204] mijns inziens nauwelijks gewijzigd. In het kader van de voorliggende zaak volstaan mijns inziens de volgende hoofdlijnen: [205]
Euriborhypothekenvan eind 2019 [214] (hierna 5.9 e.v.).
Euriborhypothekenis de stand van het recht wat betreft de inhoud van de oneerlijkheidstoets mijns inziens niet wezenlijk gewijzigd. Aan dat arrest kunnen daarom eenvoudig de volgende hoofdlijnen worden ontleend:
Dexia Nederlandvan het Hof van Justitie van de EU valt aan de hoofdlijn onder j nog toe te voegen: [227]
bisIn dit verband dient te worden gelet op de omstandigheden rond de sluiting van de betrokken overeenkomst en moet worden uitgegaan van de datum van die sluiting. Ter beoordeling staat of, uitgaande van die omstandigheden en die datum, het beding gedurende de uitvoering van die overeenkomst het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk kan verstoren, ook al zou deze verstoring alleen onder bepaalde omstandigheden tot uiting kunnen komen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument.
Maximaalin de zin dat in het geval van een annulering meer dan een maand vóór aanvang van de opvang, het te vergoeden loon lager is en dat geen loon verschuldigd is indien de annulering tenminste twee maanden vóór aanvang plaatsvindt. In geval van zo’n vroege annulering kan het kindercentrum wel aanspraak maken op een vergoeding van onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht die niet in het loon zijn begrepen als bedoeld in art. 7:406 lid 1 BW Pro, met name in verband met de inschrijving van het kind en het opstellen van het contract. Vergelijk hiervoor 3.22, 3.43 en 3.44. Voor zover een beding met betrekking tot annulering niet verder gaat dan dit, plaatst het de consument dus niet in een ongunstiger positie dan die welke uit het geldende Nederlandse recht voortvloeit.
mogelijkheiddat de opengevallen plaats zeer spoedig door een ander kind kan worden opgevuld, is een omstandigheid die reeds op het moment waarop de overeenkomst werd gesloten, voor het kindercentrum kenbaar was (vergelijk hiervoor 5.9 onder f). Het beding dat niet in de verrekening van het eventueel voor het kindercentrum optredende voordeel voorziet, plaatst de consument in een juridisch minder gunstige positie dan die welke uit de wettelijke regeling van de opdracht voortvloeit (hiervoor 5.9 onder j). Vervolgens is de vraag of we die aantasting van de rechten van de consument als voldoende ernstig kwalificeren (nogmaals hiervoor 5.9 onder j) en wat de fictieve-onderhandelingstoets ons zegt (hiervoor 5.9 onder k). Aldus verloopt de beoordeling op maat. De vraag of zo’n beoordeling op maat achterwege kan blijven in verband met strijd met het eenzijdige dwingende recht van de wettelijke regels met betrekking tot opdracht, dus in de zin dat daaruit op zichzelf reeds volgt dat het beding oneerlijk is, komt hierna 5.42 e.v. aan de orde.
voorlopigachterwege laten, dat wil zeggen behoudens door de gebruiker van het beding te stellen en zo nodig te bewijzen feiten en omstandigheden die het beding alsnog als niet-oneerlijk kunnen rechtvaardigen? [228] Reden om ook de zwarte en de grijze lijsten in onze beschouwingen te betrekken, is er niet alleen vanwege de vergelijkbaarheid met de kwestie van het eenzijdige dwingende recht van de regeling van de opdracht. Hiervoor 3.41 nam ik aan dat het beding dat een langere opzegtermijn dan één maand bevat, onder art. 6:237 aanhef Pro en onder o BW valt, dus de grijze lijst. En een beding volgens welke de opzegging tegen een bepaalde kalenderdag (bijvoorbeeld de eerste van de maand) moet plaatsvinden, valt onder art. 6:236 aanhef Pro en onder r BW, dus de zwarte lijst. Vergelijk hiervoor 3.19 en voetnoot 26. Ook in de context van de algemene voorwaarden van kindercentra doet zich dus de vraag voor in hoeverre de zwarte en grijze lijst mede de oneerlijkheidstoets bepalen.
binnen de grenzen van de rechtsstrijdambtshalve toe en vernietigt hij zo nodig ambtshalve bedingen die met dat dwingende recht in strijd zijn. De toetsing van oneerlijke bedingen gaat een stap verder, want daarbij beperkt de rechter zich niet tot wat uit het dossier volgt en neemt hij zo nodig ambtshalve maatregelen van instructie. [229]
niet onnodigingewikkeld en subtiel is. Het samenspel tussen nationaal en Europees consumentenrecht levert ons diverse hersenkrakers op. De uitdaging van zulke hersenkrakers ga ik aan met liefde voor het vak. Maar dat mag niet doen vergeten dat de hanteerbaarheid van het recht een belangrijke waarde is, zowel in het belang van de kenbaarheid van het recht voor rechtzoekenden als in het belang van de rechtspraak in feitelijke aanleg, waar voor de beoordeling van een zaak nu eenmaal aanzienlijk minder tijd is dan in cassatie of in een prejudiciële procedure. Indien zonder schade aan wezenlijke waarden van het recht, subtiliteiten kunnen worden opgeruimd, behoort dat mijns inziens te gebeuren.
Euriborhypothekenook uitdrukkelijk zegt, [232] de bescherming van consumenten tegen oneerlijke bedingen binnen de Nederlandse rechtsorde verloopt via de nationale norm van onredelijkbezwarendheid van art. 6:233 onder Pro a BW. Welnu, volgens de aanhef van art. 6:236 BW Pro wordt bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (kort gezegd, bij consumentenovereenkomsten [233] ), een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat onder de zwarte lijst valt ‘als onredelijk bezwarend aangemerkt’. En volgens de aanhef van de grijze lijst van art. 6:237 BW Pro wordt een beding in algemene voorwaarden als op die lijst bedoeld bij eveneens consumentenovereenkomsten ‘vermoed onredelijk bezwarend te zijn’.
nietmede bepalen, komt dat er dus op neer dat, hoewel de bescherming van consumenten tegen oneerlijke bedingen binnen de Nederlandse rechtsorde verloopt via de nationale norm van onredelijkbezwarendheid van art. 6:233 onder Pro a BW, dit niet geldt voor zover de zwarte en grijze lijsten van art. 6:236 en Pro 6:237 BW aan die norm invulling geven. Anders gezegd, de consequentie van die opvatting is dat er twee categorieën van onredelijk bezwarende bedingen zijn, namelijk bedingen die op grond van art. 6:233 onder Pro a BW onredelijk bezwarend zijn en daarmee ook oneerlijk, en bedingen die weliswaar onredelijk bezwarend zijn, namelijk op grond van de zwarte of grijze lijst, maar daarmee nog niet noodzakelijk oneerlijk. [234] Mijns inziens is een zodanige opvatting onnodig subtiel, zo niet hopeloos complicerend. Die opvatting behoort daarom te worden vermeden. In verband met het minimumkarakter van de richtlijn kan dat ook.
Intermaris, [235] namelijk wat betreft de bepaling van art. 6:236 aanhef Pro en onder n BW, volgens welke arbitragebedingen zonder de mogelijkheid voor de consument van een optout binnen een maand als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. Wat betreft de door de voorzieningenrechter aan te leggen toets, heeft uw Raad als volgt overwogen:
strijd met de openbare ordesprake is (art. 1065 lid 1 aanhef Pro en onder e Rv). Die bijzondere maatstaf veronderstelt, zoals het arrest
Intermarisook zegt, [237] dat de inhoud of uitvoering van het arbitrale vonnis strijd oplevert met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd.
Intermarisinderdaad in deze zin moet worden begrepen, wordt mijns inziens bevestigd door de wijze waarop de overwegingen onder 2.8.2 en 2.8.3 zijn geformuleerd. Die overwegingen zijn een inleiding op de hiervoor aangehaalde overweging omtrent de ambtshalve toetsing door de voorzieningenrechter. In die inleiding komt eerst de bepaling van art. 6:236 aanhef Pro en onder n BW aan de orde en vervolgens de
door de arbiterte verrichten ambtshalve toetsing:
onredelijk bezwarend is.In die sleutel komt vervolgens de bepaling van art. 6:236 aanhef Pro en onder n BW aan de orde, en nu zonder een aanduiding van de bijzondere strekking van die bepaling. In plaats daarvan wordt eenvoudig vermeld dat een beding als in die bepaling bedoeld als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt (overweging onder 2.8.3, eerste alinea).
als geheel(en niet slechts de bijzondere bepaling onder n). Ik meen dat hierin moet worden gelezen dat de verplichting tot ambtshalve toetsing van de arbiter ziet op álle bepalingen van de zwarte lijst van art. 6:236 BW Pro, ook al was in de zaak
Intermarisalleen de bepaling onder n aan de orde.
Intermarisom aan te nemen dat als een beding onder de zwarte lijst van art. 6:236 BW Pro valt, dat beding daarmee oneerlijk is, mét de daaraan verbonden gevolgen. Indien de rechter inderdaad steeds ambtshalve aan de zwarte lijst toetst en zijn oordeel dat een beding onder die lijst valt en dus als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt inderdaad impliceert dat het beding oneerlijk is, is vervolgens een oordeel op maat over de eerlijkheid van het beding niet meer nodig.
bisNaar Nederlands recht vindt dit onderzoek mede plaats aan de hand van de zwarte en grijze lijsten van art. 6:236 en Pro 6:237 BW. Ook aan die lijsten toetst de rechter ambtshalve. Komt hij op grond van die lijsten tot het oordeel dat een beding onredelijk bezwarend is, dan geldt het daarmee ook als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13. [239]
Intermaris, dunkt mij de vraag hoe over nationaal dwingend consumentenrecht moet worden geoordeeld, niet moeilijk meer. Dwingend consumentenrecht gaat ten opzichte van de zwarte lijst juist één stap verder. Waar plaatsing van een beding op de zwarte lijst een afwijking van het wettelijke regime (van aanvullend recht) verhindert voor zover die afwijking in algemene voorwaarden plaatsvindt, verhindert dwingend consumentenrecht
iedereafwijking van het wettelijke regime, dus ook bij individueel beding. Bij dat karakter van een stap verder past mijns inziens bijzonder slecht om wat betreft de oneerlijkheidstoets juist een
stap terugte doen, in de zin dat nationaal dwingend consumentenrecht de vraag of een beding als oneerlijk is te beschouwen,
nietbeslist, met als gevolg dat daarvoor nog een beoordeling op maat nodig is.
Intermaris [240] een aanwijzing in tegengestelde zin worden gelezen, maar dit is opnieuw gezichtsbedrog (vergelijk hiervoor 5.32). Volgens het arrest toetst de voorzieningenrechter die een verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis beoordeelt, niet of de arbiter art. 6:96 lid 6 BW Pro (met betrekking tot de zogenaamde veertiendagenbrief) deugdelijk heeft toegepast. Ook art. art. 6:96 lid 6 BW Pro bevat nationaal dwingend consumentenrecht. De verklaring hiervoor is echter opnieuw dat een verlof tot ten uitvoerlegging niet zomaar wordt geweigerd; daarvoor geldt de hoge drempel van de openbare orde. Dit is ook duidelijk uit de overweging van uw Raad:
Fa-med.Volgens dat arrest past de rechter in zijn gewone rol art. 6:96 leden Pro 5-7 BW ambtshalve toe. Daaruit volgt op zichzelf nog niet dat bedingen in strijd met het dwingende recht van art. 6:96 leden Pro 5-7 BW steeds oneerlijk zijn, maar die vraag was in de zaak
Fa-medook niet aan de orde.
terIndien volgens nationaal dwingend consumentenrecht (in de zin van dwingend recht ter bescherming van een consument in diens verhouding tot een professionele wederpartij) een beding nietig of vernietigbaar is, geldt het beding daarmee ook als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13.
Euriborhypothekende volgende hoofdlijnen te ontlenen:
Dexia Nederlanduit 2021 [248] kan namelijk worden ontleend:
Dziubak [251] volgt echter dat ook dit niet toegelaten is:
aanvullendrecht. Redeneren we vervolgens langs de traditionele lijnen van het nationale recht, dan leidt nietigheid (de nietigheid die het gevolg is van vernietiging daaronder begrepen) van een beding dat met dwingend recht in strijd is, eenvoudig ertoe dat de wettelijke bepaling van dwingend recht alsnog zijn volle werking heeft.
dwingendrecht in ieder geval zonder meer mogelijk.’ [261]
Tio Teachuit 2017, [262] en wel specifiek met betrekking tot de vraag of na vernietiging van een oneerlijk beding art. 7:411 BW Pro kan worden toegepast, dus juist de bepaling met betrekking tot particuliere opdracht die ook in de onderhavige zaak aan de orde is.
aanvullendrecht zou betreffen. [263] Vervolgens wees hij op het
Dexia-arrest van uw Raad uit 2017, dat ervan uitging dat na vernietiging schadevergoeding op grond van art. 6:277 BW Pro kan worden toegewezen. [264] (Inmiddels is duidelijk dat dit laatste niet is conform de opvatting van het Hof van Justitie van de EU. Zie hiervoor 5.52.) Daarna vervolgde Wissink:
iszelfs aanvullend recht, in de zin dat afwijking ten nadele van de wederpartij van de beschermde partij, wél is toegelaten. Toegespitst op art. 7:411 BW Pro: voor zover art. 7:411 BW Pro de opdrachtnemer begunstigt door hem een aanspraak op een redelijk deel van het loon toe te kennen, is afwijking van de door de wetgever gegeven regel toegelaten. Zie hiervoor 4.8. Slechts voor zover art. 7:411 BW Pro inhoudt dat de consument
niet meerverschuldigd is dan een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon, is sprake van dwingend recht.
bisAfhankelijk van de strekking van de desbetreffende wetsbepaling van dwingend recht geldt het voorgaande ook voor de vervanging van een oneerlijk beding door de inhoud van een dwingende wetsbepaling, namelijk voor zover die bepaling een element bevat dat de gebruiker van het beding potentieel begunstigt en waaraan deze dus een aanspraak zou kunnen ontlenen. In zoverre is de rechter dus ook niet bevoegd om een bepaling van dwingend nationaal recht in de plaats te stellen van het oneerlijke beding.
verarmingvan het kindercentrum). Zouden we die verrijking toch aannemen, dan wordt deze mijns inziens ten volle gerechtvaardigd door zowel de beoogde effectieve bescherming van de consument als de beoogde afschrikkende werking. Een alternatieve route naar hetzelfde resultaat is om aan te nemen dat schadevergoeding in verband met die afschrikkende werking niet redelijk is (‘voor zover dit redelijk is’, art. 6:212 lid 1 BW Pro).
‘Gratis’ mobiele telefoon Imet betrekking tot het eveneens op een EU-richtlijn berustende art. 7:61 BW Pro (consumentenkrediet) [268] : art. 6:212 BW Pro (ongerechtvaardigde verrijking) biedt geen grondslag voor een vergoeding die in strijd komt met de beoogde effectieve bescherming van de consument en afbreuk doet aan het vereiste dat de sanctie op schending van de consumentenbeschermende bepaling doeltreffend en afschrikwekkend moet zijn. [269]
blijvenzeggen dat uit de Richtlijn oneerlijke bedingen met betrekking tot die aansprakelijkheden in het geheel niets volgt. Via het doeltreffendheidsbeginsel (dus indirect) zegt de richtlijn mijns inziens dan wel degelijk iets over de grenzen van eventuele niet-contractuele aansprakelijkheid. Het recente arrest van het Hof van Justitie met betrekking tot
BNP Parisbas Personal Financeillustreert dit reeds: [270] verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling mag niet in strijd komen met het doeltreffendheidsbeginsel in verband met het door een consument aan de richtlijn te ontlenen recht op terugbetaling van wat op basis van een oneerlijk beding is betaald.
nationaalburgerlijk recht, zoals die met betrekking tot de samenloop van wanprestatie en onrechtmatige daad [271] en van overeenkomst en ongerechtvaardigde verrijking. [272]
6.Beantwoording van de vragen
Vraag 1: Is een overeenkomst met betrekking tot kinderopvang zoals in deze zaak aan de orde een overeenkomst van opdracht zoals bedoeld in artikel 7:400 BW Pro?
binnende grenzen van de rechtsstrijd. Het is een misverstand dat de omstandigheid dat niet door een procespartij een beroep op een nietigheid is gedaan, betekent dat daarmee die nietigheid zich buiten de grenzen van de rechtsstrijd bevindt. Nee, de rechter beoordeelt op grond van art. 25 Rv Pro ambtshalve de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering respectievelijk het verweer. En zoals de rechter een vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente afwijst in de gevallen waarin slechts de gewone wettelijke rente verschuldigd is, zo ook wijst hij een vordering af voor zover deze op een nietige rechtshandeling steunt. Dat in verband met art. 3:40 lid 2 BW Pro een beding in strijd met dwingend recht ‘slechts’ vernietigbaar is omdat het dwingende recht uitsluitend strekt ter bescherming van een der partijen, staat daaraan niet in de weg. De wetgever heeft integendeel bedoeld dat de rechter ook ambtshalve bescherming biedt. In die zin luidt ook reeds de rechtspraak met betrekking tot het dwingende consumentenrecht van art. 6:96 leden Pro 5-7 BW. Zie uitvoerig hoofdstuk 4, met conclusie onder 4.120 e.v.).
Intermaris(hiervoor 5.31 e.v.).
eenzijdig dwingend recht(hiervoor 4.8)
.
Dexia Nederlandvan het Hof van Justitie van de EU blijkt dat het herzieningsverbod mede ziet op een toepassing van aanvullend recht in plaats van het oneerlijk bevonden beding (hiervoor 5.52). Mijns inziens geldt afhankelijk van de strekking van de desbetreffende wetsbepaling hetzelfde voor dwingend recht (hiervoor 5.67 e.v.). Voor zover dwingend recht een element bevat dat de gebruiker van het beding potentieel begunstigt en waaraan deze dus een aanspraak zou kunnen ontlenen, onderscheidt dwingend recht zich niet relevant van aanvullend recht. Dit geldt ook voor het eenzijdige dwingende recht van art. 7:411 BW Pro. De rechter die een tussen partijen overeengekomen beding als oneerlijk ter zijde heeft gesteld, mag dus niet vervolgens de vordering van de opdrachtnemer deels toewijzen op grond van art. 7:411 BW Pro. In plaats daarvan dient hij de op het beding steunende vordering geheel af te wijzen.