Conclusie
Wft) die een maximum stelt aan ontslagvergoedingen. Met toepassing van de twee-conclusieregel laat het hof dit verweer buiten behandeling. Volgens Rabobank gaat het hier om een dwingende wetsbepaling die leidt tot absolute nietigheid van de daarin bedoelde rechtshandeling en die bovendien een regel van openbare orde inhoudt. Het hof zou daarom die bepaling ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen hebben moeten toepassen.
1.Feiten
Rabobank VZ).
Rabobank Den Haag). De directie van Rabobank VZ bestond destijds uit [verweerder] (voorzitter) en [betrokkene 1]. De raad van commissarissen van Rabobank VZ werd bij deze besprekingen vertegenwoordigd door [betrokkene 2] (voorzitter) en [betrokkene 3].
een redelijk voorstel vinden waar ze achter staan. Wat hen betreft bezegelen we het voorstel vooralsnog middels een ferme handdruk en in een later stadium, als het relevant lijkt te worden, werken we het voorstel uit in een definitieve vaststellingsovereenkomst".
"Coulance-uitkering vanwege overkreditering”d.d. 4 november 2013, op grond waarvan de bank € 216.776 netto aan [verweerder] verschuldigd is; dit bedrag is op 4 december 2013 betaald.
“Afrekening arbeidsvoorwaarden”d.d. 4 november 2013, op grond waarvan de bank € 243.000 + € 54.000 bruto verschuldigd is. Met betrekking tot het tijdstip van betaling bepaalt deze overeenkomst: “
Conform afspraak van 28 en 29 oktober jl. worden deze bedragen opgenomen in de eindafrekening van januari 2014.”
restant van 150.000€,
nog uit te betalen als discretionaire beloning in januari 2014, tegelijkertijd met de afrekening van de arbeidsvoorwaarden”, omdat “
[m]et mij een budget van 1.336.500€ is afgesproken”. Dit verzoek wordt door de raad van commissarissen afgewezen.
Coulance-uitkering vanwege overkreditering”, (ii) partiële vernietiging van de overeenkomst “
Afrekening arbeidsvoorwaarden”, (iii) (terug)betaling van € 216.776 netto, en (iv) veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
conventieRabobank Den Haag aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 93.000 bruto ter zake van de afrekening arbeidsvoorwaarden. Daartoe overweegt de kantonrechter dat Rabobank Den Haag heeft erkend dit bedrag verschuldigd te zijn, zodat dit bedrag toewijsbaar is. De kantonrechter wijst de vorderingen voor het overige af.
reconventievernietigt de kantonrechter de overeenkomst “
Coulance-uitkering vanwege overkreditering” en (partieel) de overeenkomst “
Afrekening arbeidsvoorwaarden” wegens misbruik van omstandigheden. Verder veroordeelt hij [verweerder] tot (terug)betaling van de € 216.776. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende. De finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst van 1 november 2013 staat er aan in de weg dat nadere vergoedingen aan [verweerder] worden toegekend. Vergoedingen ter zake van niet genoten sabbaticals en opleidingsbudget zijn niet aan de orde, nu de betreffende regelingen daarin niet voorzien. De handtekening van [betrokkene 2] onder de twee documenten van 4 november 2013 zijn onder misbruik van omstandigheden geplaatst. [verweerder] wist dat deze overeenkomsten in strijd waren met de beleidsregels van Rabobank Nederland inzake (onder meer) afscheidsregelingen en heeft [betrokkene 2] daarover bewust een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. [betrokkene 2] heeft met de extra wensen van [verweerder] ingestemd omdat deze anders de fusie niet zou laten doorgaan. [verweerder] wist of moest weten dat [betrokkene 2] zich gedwongen voelde de extra wensen van [verweerder] te honoreren. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
het hof). Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: Rabobank Nederland of Rabobank) is als rechtsopvolgster van Rabobank Den Haag (en indirect van Rabobank VZ) partij in de procedure geworden.
” en “Coulance-uitkering vanwege overkreditering
” (hierna: de overeenkomsten) rechtsgeldig en zonder wilsgebreken tot stand zijn gekomen en dat Rabobank Nederland gehouden is de daarmee gemoeide bedragen te betalen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling (…).”
. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft Rabobank Nederland als “extra argument” tegen toewijzing van de vorderingen van [verweerder] aangevoerd dat de overeenkomsten strijdig zijn met art. 1:125 lid 2 Wet Pro Financieel Toezicht (WFT) en daarom op grond van art. 1:116 lid 3 WFT Pro nietig zijn. Het hof zal dit verweer niet beoordelen. De in art. 347 lid 1 Rv Pro besloten liggende tweeconclusieregel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op verweren die in een later stadium dan in de memorie van antwoord worden aangevoerd, tenzij zich een van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel voordoet (zie recentelijk HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2906, r.o. 3.5). Het verweer is in strijd met deze in beginsel strakke regel eerst bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd. Omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van deze regel zijn gesteld noch gebleken. Daar komt bij, dat het eerst in dit stadium van het geding aanvoeren van bedoeld verweer tevens in strijd is met de goede procesorde.De wettelijke regels waarop Rabobank Nederland zich beroept zijn niet van openbare orde, zodat het hof niet ambtshalve (art. 25 Rv Pro) gehouden is deze toe te passen.” (onderstreping toegevoegd; AG)
Het hof verwerpt het beroep op misbruik van omstandigheden, om de volgenderedenen in onderlinge samenhang bezien.
3.De normering van ontslagvergoedingen op grond van de Wft
Wbfo) is een pakket aan regels geïntroduceerd dat financiële ondernemingen verplicht tot het voeren van een beheerst beloningsbeleid. Deze wet vormt een nieuw hoofdstuk 1.7 (art. 1:111- art. 1:129) van de Wft. [7]
De variabele beloning die een financiële onderneming met zetel in Nederland aan een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid, bedraagt ten hoogste 20% van de vaste beloning van die persoon op jaarbasis.”
1. (…)
Op grond van de bestaande zelfreguleringsnormen was afwijking van die normen mogelijk gelet op het principe van de codes: «pas toe, of leg uit». Dat betekende dat zeer hoge vertrekvergoedingen nog steeds konden voorkomen. Alleen al om die reden was een wettelijke regeling op dit punt noodzakelijk en gaat het wetsvoorstel verder dan de codes omdat niet van de wettelijke regeling kan worden afgeweken. Verder is de reikwijdte van het wetsvoorstel groter nu de regeling ten aanzien de maximale vertrekvergoeding van toepassing is op alle dagelijks beleidsbepalers in plaats van alleen op bestuurders, zoals in de codes. Ten slotte bedraagt de in zelfregulering opgenomen maximale vertrekvergoeding 100% van de vaste beloning, met de mogelijkheid tot 200%.”
In het derde lid wordt een overgangstermijn opgenomen tot 1 juli 2015 voor vertrekvergoedingen die reeds voor 1 januari 2015 waren overeengekomen. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bestuurders van banken of verzekeraars, omdat op hen de normen van de Code Banken en Governance Principes Verzekeraars reeds van toepassing zijn op het moment dat het onderhavig wetsvoorstel in werking zal treden, die een maximum vertrekvergoeding kennen die in beginsel gelijk is aan het wettelijke maximum.”
Afrekening arbeidsvoorwaarden” had moeten plaats vinden (januari 2014). Toen op 5 januari 2016 Rabobank (vertegenwoordigd door haar interne advocatenkantoor) in deze procedure haar memorie van antwoord nam, was de Wfbo dus al bijna een jaar in werking. Toch heeft Rabobank pas bij pleidooi op 2 september 2016 beroep gedaan op art. 1:125 lid 2 jo Pro. art. 1:116 lid 3 Wft Pro. Dat is opmerkelijk, ook omdat Rabobank al in 2015 partij was geweest bij een vergelijkbare procedure over de vraag of zij met een beroep op genoemde Wft-bepalingen onder een vaststellingsovereenkomst met een voormalig directeur van een lokale Rabobank (Alkmaar) uit kon. [17]
art. 1 EP Pro).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
3.5 De in art. 347 lid 1 Rv Pro besloten liggende tweeconclusieregel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd, tenzij zich een van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel voordoet (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154).”
3.3.2 Zoals in HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7 is beslist, geldt ook voor verweren die door de geïntimeerde worden aangevoerd tegen de vordering van de oorspronkelijke eiser, dat wijziging of uitbreiding daarvan dient plaats te vinden in de eerste conclusie in hoger beroep. Nadat de in art. 347 lid 1 Rv Pro genoemde conclusies zijn genomen, is de mogelijkheid om verweren aan te voeren die niet in het verlengde liggen van de aldus door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel beperkt tot de uitzonderingen die zijn genoemd in HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154. Daarbij is niet van belang of het verweer kan worden aangemerkt als een nieuwe grief (vgl. HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224, NJ 2016/218).
Pressers/Ru-Pro, vormt voor onderhavige zaak een relevant precedent. Het Hof Den Bosch had bij pleidooi ambtshalve aan de orde gesteld of een transactie tussen partijen in strijd was met het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW Pro) en daarom nietig was. Partijen kregen gelegenheid zich daarover uit te laten. Appellante, Ru-Pro, heeft toen toegehapt en haar eis gewijzigd. Het hof Den Bosch heeft daarop de transactie nietig verklaard en de aangepaste vordering toegewezen. Deze gang van zaken vond geen genade in de ogen van de Hoge Raad:
4.1.4 Het hof heeft geoordeeld dat zich een uitzondering op deze in beginsel strakke regel voordoet nu de eiswijziging is ingegeven door de eerder tijdens de pleidooizitting door het hof ambtshalve opgeworpen vraag of de aanvullende overeenkomst in strijd is met art. 3:84 lid 3 waardoor Pro de overdracht van het bedrijfspand een geldige titel zou ontberen. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat de eiswijziging plaatsvond naar aanleiding van de door het hof aan partijen voorgelegde vraag rechtvaardigt, anders dan het hof heeft aangenomen, niet een uitzondering op die regel. (…)
Pressers/Ru-Prowél had gedaan, maar volgens de Hoge Raad juist niet had mogen doen.
Doornenbal/Van der Spek.. In die zaak werd het Hof Arnhem-Leeuwarden (Pachtkamer) teruggefloten omdat het na memorie van grieven en memorie van antwoord de vernietigbaarheid (mede in het licht van art. 1 EP Pro) van een beding, waarbij de pachter in strijd met de wet afstand deed van zijn recht op compensatie bij onteigening, ambtshalve aan de orde had gesteld. [21] Het ging daar dus om een ambtshalve aan de orde gestelde rechtsregel die geïntimeerde een nieuw verweer opleverde. De Hoge Raad overwoog:
3.4 Ook onderdeel 4.1 treft doel. Uitgangspunt dient te zijn dat, zoals is beslist in HR 20 juni 2008 (LJN BC4959, NJ 2009/21) en 19 juni 2009 (LJN BI8771. NJ 2010/154) )met betrekking tot het tijdstip waarop in hoger beroep grieven dienen te worden aangevoerd en een wijziging van eis dient plaats te vinden, ook voor verweren die door de geïntimeerde worden aangevoerd tegen de vordering van de oorspronkelijke eiser, geldt dat uitbreiding daarvan dient plaats te vinden in de eerste conclusie in hoger beroep. Nadat de in art. 347 lid 1 Rv Pro genoemde conclusies zijn genomen, is de mogelijkheid daartoe beperkt tot de uitzonderingen die zijn genoemd in beide voormelde arresten.
moet worden toegepast. Buiten de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel [22] (die zich hier niet voordoen) moet er een zeer zwaarwegende reden zijn waarom de rechter verplicht zou zijn deze ‘in beginsel strakke regel’
buiten toepassing te latenten einde een tardief verweer toch te behandelen en daarop te beslissen. Rabobank stelt dat een dergelijke zeer zwaarwegende reden zich hier voordoet: art. 1:125 lid 2 Wft Pro zou een regel van openbare orde zijn, althans een dwingende wetsbepaling zijn die leidt tot absolute nietigheid van de daarin bedoelde rechtshandeling. Rabobank leidt daaruit af dat het hof art. 1:125 lid 2 jo Pro. art. 1:116 lid 3 Wft Pro ambtshalve had moeten toepassen, zelfs als door haar geen beroep op die bepalingen zou zijn gedaan. Rabobank gaat er van uit dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen had moeten treden om de genoemde Wft-bepalingen toe te passen. [23]
Heesakker/Voetsen
Ebecek/Stichting Trudo. [25] In laatstgenoemd arrest overweegt de Hoge Raad:
moetde rechter de vordering afwijzen, ongeacht of geïntimeerde die regel (tijdig) heeft ingeroepen. [30] In zoverre is de appelrechter niet gebonden aan de grenzen van de rechtsstrijd in de aangegeven zin van het partijdebat. [31] Wel moet hij steeds over voldoende feiten beschikken om die regel van openbare orde op de voor hem liggende zaak te kunnen toepassen. [32]
ofart.1:125 lid 2 Wft Pro recht van openbare orde bevat.
strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast.” [33] Ook wordt wel opgemerkt dat het moet gaan om een rechtsregel waarvan de rechtsgevolgen niet ter vrije beschikking van partijen staan, [34] die het algemeen belang raken en die van zo fundamentele betekenis voor de rechtsorde zijn dat de partijautonomie daarvoor moet wijken. [35] Er zijn categorieën rechtsregels, overwegend van procedurele aard, waarvan (positief) is uitgemaakt dat zij van openbare orde zijn. [36] Men kan ook denken aan materiële rechtsregels, zowel regels ter bescherming van bepaalde personen als regels die rechtstreeks raken aan grondprincipes van de rechtsstaat.
Onderdeel 1.1 is gebaseerd op de opvatting dat art. 81 EG Pro (in het licht van de rechtspraak van het HvJEG) meebrengt dat de rechter, ook als hij daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou treden, zo nodig ambtshalve de nietigheid van een (beding in een) overeenkomst wegens ongeoorloofde verhindering van de mededinging zou moeten vaststellen, althans ambtshalve onderzoek daarnaar zou moeten instellen. Wat er ook zij van de juistheid van die opvatting met betrekking tot art. 81 EG Pro, zulks gaat in ieder geval niet op in het onderhavige geval aangezien - zoals het hof in rov. 5.1, in cassatie onbestreden, heeft vastgesteld - hier geen sprake is van een beperking van de handel tussen lidstaten, zodat niet art. 81 EG Pro doch alleen art. 6 Mw Pro aan de orde is.Art. 6 Mw Pro bevat evenwel geen recht van openbare orde dat de rechter, ook als hij daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou treden, ambtshalve moet toepassen. Reeds hierom faalt het onderdeel.” (onderstreping toegevoegd; AG).
nietkan worden aangenomen dat het recht van openbare orde bevat. Deze bepaling maakt deel uit van regelgeving in antwoord op de bankencrisis en is strenger dan de Europese regels over beheerst beloningsbeleid (zie nr. 26). Hoofdstuk 1.7 van de Wft moet tevens worden geplaatst tegen de achtergrond dat bepaalde banken (Rabobank overigens niet) met belastinggeld overeind moesten worden gehouden. Als publiek geld in banken is gepompt mag dat er niet via ruimhartige beloningen aan het personeel weer uitspuiten. Met deze wettelijke maatregelen ter beperking van beloningen in de financiële sector worden daarom zonder meer zwaarwegende algemene belangen gediend.
door een rechter toegekendevertrekvergoeding niet onder de reikwijdte van art. 1:125 lid 2 Wft Pro valt. Dat lijkt mij een indicatie dat deze wetsbepaling
nietis bedoeld als bepaling van openbare orde, omdat dat laatste zopu betekenen dat de rechter die bepaling ambtshalve zou moeten toepassen.
Gemeente Heerlen/Whizz Croissanterieheeft Snijders vooralsnog de Hoge Raad aan zijn zijde. Immers, als de Hoge Raad Hartkamp had willen volgen (diens standpunt was toentertijd al bekend), dan had op grond van het feit dat overeenkomsten in strijd met het kartelverbod van art. 6 lid 1 Mw Pro van rechtswege nietig zijn op grond van art. 6 lid 2 Mw Pro volstaan om te beslissen dat de rechter gehouden is art. 6 lid 1 Mw Pro ambtshalve (en zo nodig buiten de rechtsstrijd van partijen) toe te passen. Dat is niet gebeurd: de Hoge Raad heeft het geschilpunt afgedaan op de grond dat art. 6 Mw Pro (in zijn geheel) geen recht van openbare orde bevat.
Cagemax/Staat,gaat niet over een rechtsregel die tot absolute nietigheid leidde en ook niet over een horizontale rechtsbetrekking, zoals hier aan de orde. [55] Dat de Hoge Raad daarin niet verwijst naar de openbare orde lijkt mij voor de discussie in deze zaak daarom niet relevant.
Staalbankiers/Elco(zie hiervoor nr. 48), [56] zegt de Hoge Raad dat een bepaling moet worden aangemerkt als van openbare orde indien zij ambtshalve moet worden toegepast. Hartkamp noemt dat “een verbetering”:
Nu staat voorop wat voorop moet staan, namelijk de beoordeling of een bepaling zo belangrijk is dat zij ambtshalve moet worden toegepast. Of men dan, in het bevestigende geval, van een bepaling van openbare orde spreekt (Staalbankiers
) of niet (Cagemax
), is van weinig belang.” [57]
andere redenkan zijn om tot ambtshalve toepassing over te gaan – komt op mij gezocht over
.Sterker:
it begs the question. De vraag is wat de
redenis om een rechtsregel ambtshalve te moeten toepassen. Dan kan moeilijk een andere reden zijn dan dat die regel van openbare orde is.
Pressers/Ru-Proen
Doornenbal/Van der Spek, heb ik in nrs. 39 en 40 besproken. De Hoge Raad hield in beide zaken vast aan de twee-conclusieregel: in de eerste zaak ten aanzien van een tardieve eisvermeerdering van appellant; in de tweede zaak ten aanzien van een door geïntimeerde tardief naar voren gebracht verweer. In beide gevallen was aanleiding voor de eiswijziging respectievelijk het nieuwe verweer dat de appelrechter het betrokken punt ambtshalve aan de orde gesteld. Deze beide arresten pleiten duidelijk tegen het standpunt van Hartkamp, dat Rabobank in het middel tot de hare maakt.
Maar Hartkamp heeft gelijk dat het niet aangaat de absolute nietigheid die volgt uit een wetsbepaling die niet een regel van openbare orde bevat, in het proces te negeren enkel omdat die nietigheid geen onderdeel uitmaakt van de rechtsstrijd. De bakens zouden op dit punt verzet moeten worden. Het is naar mijn mening wel degelijk de taak van de rechter om die nietigheid aan de orde te stellen en partijen erop te wijzen dat de rechter in het licht daarvan niet verantwoord zou handelen door te doen alsof zijn neus bloedt. Op die wijze zal het gegeven zonder twijfel deel worden van het debat, ook al wordt het misschien niet expliciet overgenomen in de grondslagen van de partij die bij nietigheid baat heeft. Het is belangrijker dat de partijen ermee geconfronteerd zijn en daarover hun standpunt hebben kunnen uiten dan dat een partij de grond formeel tot de hare maakt. Dat is trouwens ook het recept indien de rechter ambtshalve buiten de rechtsstrijd rechtsgronden van openbare orde zou gaan toepassen: eerst voorleggen om partijen daarop te laten reageren.”
hoede rechter in een dergelijke situatie vanuit processueel oogpunt het beste te werk kan gaan om verrassingsbeslissingen te voorkomen. Ook daar kan ik mij in vinden.
Pressers/Ru-Proen
Doornenbal/Van der Spekjuist het tegendeel.
comfortontlenen. Of dat voor de hier voorliggende kwestie nodig is zou ik echter willen betwijfelen.
Daar komt bij, dat het eerst in dit stadium van het geding aanvoeren van bedoeld verweer tevens in strijd is met de goede procesorde”) een overweging ten overvloede is. De beslissing van het hof dat het niet gehouden was het verweer van Rabobank te behandelen berust op toepassing van de twee-conclusieregel. Rabobank heeft bij deze klacht daarom geen belang. Ten tweede
heefthet hof zijn beslissing op dit punt (kort maar voldoende) gemotiveerd door te verwijzen naar het tijdstip waarop het verweer is aangevoerd (“
het eerst in dit stadium van het geding aanvoeren van bedoeld verweer”). Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. [65] Overigens heeft de rechter bij het toetsen aan de eisen van goede procesorde een ruime beoordelingsvrijheid. Mijns inziens heeft het hof die grens hier niet overschreden.
5. Belang-verweer: is art. 1:125 lid 2 Wft Pro van toepassing op de onderhavige zaak?
niet voor bestuurders. [69] In art. 1:125 lid 3 Wft Pro ligt impliciet besloten dat bestaande overeenkomsten in gevallen waarvoor lid 3 níet geldt, vanaf 7 februari 2015 op grond van art. 1:116 lid 3 Wft Pro en art. 3:40 lid 2 BW Pro nietig zijn voor zover het maximum wordt overschreden. Zie ook de wetsgeschiedenis: [70]
uitkeringvan een vertrekvergoeding (en dus de uitvoering van een daaraan ten grondslag liggende rechtshandeling) het aanknopingspunt is voor de toepasselijkheid van de in art. 1:125 lid 2 Wft Pro neergelegde norm. Uitvoering van een overeenkomst tussen een financiële onderneming en een personeelslid in verband met diens vertrek dient achterwege te blijven als aan die rechtshandeling door deze wetsbepaling ieder gevolg wordt ontzegd. Dat niet het moment van toekenning van de vertrekvergoeding bepalend is ligt voor de hand, omdat een dergelijke vergoeding vaak al is vastgelegd in de arbeidsovereenkomst en dus bij het aangaan daarvan is afgesproken. [71] Een en ander betekent dat vanaf 7 februari 2015 het
uitkerenaan een bestuurder van een vertrekvergoeding die hoger is dan 100% van zijn vaste beloning op jaarbasis, is verboden en dat daarmee strijdige rechtshandelingen nietig zijn.
Coulance-uitkeringis in december 2013 aan [verweerder] uitgekeerd, maar in 2015 door hem terugbetaald [73] omdat de kantonrechter hem daartoe had veroordeeld. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd, zodat Rabobank dit bedrag alsnog moet uitkeren. De vernietiging van het vonnis van de kantonrechter heeft terugwerkende kracht. Daardoor is de rechtsgrond aan hetgeen reeds ter uitvoering van die uitspraak is verricht komen te ontvallen en is op voet van art. 6:203 BW Pro een vordering wegens onverschuldigde betaling ontstaan. [74] Die vordering kan niet worden doorkruist door art. 1:125 lid 2 Wft Pro. De rechtstoestand zoals die zou hebben bestaan als het vonnis van de kantonrechter er niet was geweest, moet worden hersteld.
nakomen.
Afrekening arbeidsvoorwaarden” is de beoordeling dezelfde. Er had uiterlijk in januari 2014 betaald moeten worden. Dat is niet gebeurd. Het hof heeft geoordeeld dat dit bedrag verschuldigd is, met wettelijke rente
vanaf 1 januari 2014. [76]
Coulance-uitkeringen uitbetaling
Afrekening arbeidsvoorwaarden) materieel gezien betrekking hebben op ‘vertrekvergoedingen’ als bedoeld in art. 1:125 lid 2 Wft Pro. Hierover heeft geen partijdebat plaatsgevonden. Ook valt niet uit te sluiten dat op dit punt nog feitelijk onderzoek nodig is. Ik ga hier niettemin kort op in.
Coulance-uitkering vanwege overkreditering” lijkt mij zonder meer (onderdeel van) een vertrekvergoeding. Deze uitkering is uitdrukkelijk ook onderdeel van het ‘budget’ dat optelt tot € 1.336.500.
Afrekening arbeidsvoorwaarden”ligt dat mogelijk anders. Het gaat daarbij, net als wanneer een werknemer bij het einde van zijn dienstverband niet-opgenomen vakantiedagen in geld krijgt uitgekeerd, om tijdens het dienstverband opgebouwde aanspraken. Dit blijkt ook hieruit dat Rabobank van het aanvankelijk geclaimde totaal van € 297.000 (bruto) een bedrag van € 93.000 als verschuldigd heeft erkend. [78] De restantvordering van € 204.000 heeft betrekking op – niet direct inzichtelijke – posten als niet-genoten sabbaticals en opleidingsbudget. Wat er van die posten ook zij, Rabobank VZ heeft deze aanvaard als onderdeel van wat op grond van de
arbeidsvoorwaardenafgerekend moest worden.
overgangsregelingmet enige eerbiedigende werking deed de Afdeling advisering concluderen dat de regeling zoals voorgesteld niet verenigbaar was met art. 1 EP Pro. [80]
[verweerder]onevenredig geraakt wordt in zijn recht op ongestoorde eigendom ten aanzien van zijn vorderingen niet gegeven kan worden zonder te oordelen over de relevante omstandigheden van het geval. [83] Ook daarover heeft geen partij plaatsgevonden, terwijl dat laatste wel onontbeerlijk is om goed te kunnen oordelen of de toepassing van een wetsbepaling
in een concreet gevalmet art. 1 EP Pro verenigbaar is dan wel dat in dit geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Daarom kan ook niet worden gesteld, zoals [verweerder] in cassatie doet, [84] dat geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat toepassing van art. 1:125 lid 2 Wft Pro voor [verweerder] onverenigbaar met art. 1 EP Pro zou zijn. Bij deze stand van zaken kan het beroep op art. 1 EP Pro derhalve niet de conclusie wettigen dat Rabobank bij haar cassatieberoep geen belang heeft.
indienUw Raad oordeelt dat het middel doel treft en
indienhet belang-verweer niet wordt gehonoreerd op de grond dat art. 1:125 lid 2 Wft Pro
ratione temporisniet van toepassing is, de zaak ter verdere behandeling en beslissing moet worden verwezen, zodat voor het verwijzingshof het partijdebat kan plaatsvinden over met name de vraag of art. 1:125 lid 2 jo Pro. 1:116 lid 3 Wft wegens strijd met art. 1 EP Pro buiten toepassing moet worden gelaten. Zo ver hoeft het evenwel niet te komen nu ik heb geconcludeerd (in nr. 79) dat het middel tevergeefs is voorgesteld.