ECLI:NL:HR:2022:596

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
20/03566
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:203 BWArt. 25 RvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofarrest over wettelijke handelsrente bij terugbetaling wegens dwaling

Partijen sloten koopovereenkomsten over afdeksystemen voor biogasinstallaties in Polen. Het hof vernietigde deze overeenkomsten wegens dwaling en veroordeelde Wiefferink tot terugbetaling van de betaalde koopsommen van €415.657,50 aan Poldanor, plus wettelijke handelsrente vanaf 8 september 2015.

In cassatie klaagde Wiefferink terecht dat de toekenning van wettelijke handelsrente op grond van art. 6:119a BW onjuist was, omdat de terugbetaling geen primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst betreft maar een vordering uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW Pro). De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten onderzoeken of een rechtsgrond bestond voor de rentevordering en dat art. 6:119a BW niet van toepassing is op terugbetalingen wegens vernietiging van overeenkomsten.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover de wettelijke handelsrente was toegewezen en veroordeelde Wiefferink tot betaling van de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf 8 september 2015. De kosten van het cassatiegeding werden aan Poldanor opgelegd.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarrest voor wettelijke handelsrente en veroordeelt tot betaling van wettelijke rente vanaf 8 september 2015.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/03566
Datum22 april 2022
ARREST
In de zaak van
WIEFFERINK B.V.,
gevestigd te Oldenzaal,
EISERES tot cassatie,
hierna: Wiefferink,
advocaat: J.A.J. Leeman,
tegen
POLDANOR S.A., handelend onder de naam GOODVALLEY AGRO S.A,
gevestigd te Prdzechlewo, Polen,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Poldanor,
advocaat: M.E. Bruning.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/08/176295 / HA ZA 15-496 van de rechtbank Overijssel van 15 maart 2027;
het arrest in de zaak 200.217.164 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2020.
Wiefferink heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Poldanor heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging en tot afdoening als in de conclusie onder 3.24 vermeld.
De advocaat van Wiefferink heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

Partijen hebben koopovereenkomsten met elkaar gesloten over afdeksystemen voor biogasinstallaties in Polen. Het hof [1] heeft deze overeenkomsten vernietigd op grond van dwaling en Wiefferink veroordeeld tot terugbetaling aan Poldanor van de betaalde koopsommen van € 415.657,50. Het hof heeft bovendien geoordeeld dat Wiefferink geen toegespitst verweer heeft gevoerd tegen de rentevordering van Poldanor en Wiefferink daarom veroordeeld tot betaling van de wettelijke handelsrente over het terug te betalen bedrag vanaf 8 september 2015. (rov. 4.57-58 en onder 6.3 van het dictum)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 2 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat Wiefferink wettelijke handelsrente is verschuldigd over het door hem terug te betalen bedrag van € 415.657,50. Het onderdeel voert daartoe aan dat de verplichting tot terugbetaling van de koopsommen die uit de vernietiging van de koopovereenkomsten voortvloeit, buiten het bereik van art. 6:119a BW valt. Bovendien is onjuist, aldus het onderdeel, het oordeel van het hof dat de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente toewijsbaar is bij gebreke van een toegespitst verweer terzake.
3.2
Deze klachten slagen. Het hof heeft miskend dat het gehouden was te onderzoeken of een rechtsgrond bestond voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente, ook bij gebreke van verweer van Wiefferink. [2] Het heeft vervolgens ten onrechte de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente toegewezen. Wiefferink moest als gevolg van de vernietiging van de koopovereenkomsten de koopsommen terugbetalen die op grond van die overeenkomsten waren voldaan. Die op Wiefferink rustende verbintenissen tot terugbetaling zijn niet gebaseerd op de koopovereenkomsten, maar vloeien voort uit art. 6:203 BW Pro. Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven, en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling. [3]
3.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.4
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen op de wijze als hierna is vermeld.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2020, maar uitsluitend voor zover daarin de wettelijke handelsrente is toegewezen;
- veroordeelt Wiefferink tot betaling aan Poldanor van de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag van € 415.657,50 vanaf 8 september 2015;
- veroordeelt Poldanor in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Wiefferink begroot op € 7.069,17 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Poldanor deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
22 april 2022.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6121.
2.Zie bijvoorbeeld HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1787, rov. 3.3.2.
3.HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710, rov. 3.1.2.