Conclusie
Totstandkomingsgeschiedenis
Wet van 1 november 2001
Wet van 1 december 2001
Huidige wettekst
Het wetboek van 1926
Jurisprudentiële ontwikkelingen
Invloed wetswijzigingen
Het wetboek van 1926
Verandering van toepassingscriteria in de jurisprudentie
De invloed van wetswijzigingen
Andere problemen
Het wetboek van 1926
Ontwikkelingen in de jurisprudentie
Toepassing in hoger beroep
Kan een overschrijding van de redelijke termijn grond opleveren voor de
1.Inleiding
2.De bestreden beschikking
3.Wet en wetsgeschiedenis
4.2 Het toezicht op de voortgang van het opsporingsonderzoek
4.Het begrip “vervolging” in art. 36 Sv Pro
upgradenog wel mogelijk is. Zie daarover hierna, onder 5.5 e.v. Anders ligt het met de mogelijkheid om bij “niet-nakoming” van art. 167 Sv Pro een verklaring uit te lokken dat de zaak is geëindigd. Daarvan kan niet gezegd worden dat aan die mogelijkheid geen behoefte bestaat. De moeilijkheid is hier dat de Hoge Raad zich, althans voor zover ik weet, na het besproken arrest niet meer over deze mogelijkheid heeft uitgelaten. Of hij bij zijn in dat arrest uitgesproken opvatting is gebleven, is daardoor niet helemaal duidelijk. Onduidelijk is ook wat die opvatting precies inhield. Had de Hoge Raad met de “niet-nakoming” van art. 167 Sv Pro enkel het oog op het uitblijven van een beslissing nadat het opsporingsonderzoek is afgerond? Of bedoelde hij toepassing van art. 36 Sv Pro ook mogelijk te maken in gevallen waarin het opsporingsonderzoek zelf niet voortvarend plaatsvindt? Aan deze onduidelijkheid lijkt de lagere jurisprudentie zich weinig gelegen te hebben laten liggen. Die ging, zoals uit het navolgende mogen blijken, haar eigen weg. Aan het arrest van de Hoge Raad werd, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet gerefereerd.
criminal chargein art. 6 EVRM Pro, koos voor een uitleg van art. 36 Sv Pro die de wetgever van 1926 niet voor ogen kan hebben gestaan. Het EVRM moest immers in 1926 nog het licht zien.
criminal chargein art. 6 EVRM Pro bepalend is. Ook in Rb Limburg 2 april 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:3208 (waarin het eerste verhoor door de politie als begin van de vervolging werd aangemerkt) en in Rb Zeeland-West-Brabant 28 april 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:2734 (waarin de aanhouding van de verdachte als startpunt van de vervolging werd aangemerkt) werd uitdrukkelijk overwogen dat van een formele daad van vervolging nog geen sprake was, maar dat aansluiting moest worden gezocht bij het begrip
criminal chargeals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Naast deze beschikkingen staan beschikkingen waarin, hoewel van een formele daad van vervolging geen sprake was, impliciet werd geoordeeld dat het verzoek ontvankelijk was. Ik noem Rb Zutphen 18 juni 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BM8269 (waarin de verdachte na de inbeslagneming van zijn auto niets meer van het OM had gehoord en de rechtbank de beslissing op het verzoek aanhield op de voet van art. 36 lid 2 Sv Pro) en Rb Noord-Holland 27 juni 2016, NBSTRAF 2016/157 (waarin de verdachte na zijn aanhouding was heengezonden en de rechtbank het verzoek om toepassing te geven aan art. 36 Sv Pro toewees). In de gepubliceerde beschikkingen van de afgelopen decennia ben ik geen beschikkingen tegengekomen waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoek op de grond dat van een formele daad van vervolging nog geen sprake was. De opvatting dat een vervolging in de zin van art. 36 Sv Pro geen formele daad van vervolging vereist, lijkt dus wijd verbreid. [21]
5.Beoordelingsmaatstaf
ne bis in idemniet als voorbeeld wordt genoemd. [22] De verklaring daarvoor lijkt mij te zijn dat dat het hier niet om een rechtsgevolg gaat dat in het algemeen aan het einde van de zaak is verbonden, althans dat dit rechtsgevolg niet voor alle wijzen van beëindigen van de zaak gelijk is. Het verlies van vervolgingsrecht dat art. 255 Sv Pro aan onder meer een kennisgeving van niet verdere vervolging en een buitenvervolgingstelling verbindt, is geclausuleerd: nieuwe bezwaren doen het vervolgingsrecht herleven. Dat geldt niet voor het verlies van vervolgingsrecht dat art. 68 Sr Pro aan een onherroepelijke einduitspraak over “het feit” verbindt. Aan een einduitspraak waarin niet over het feit is beslist, verbindt noch art. 68 Sr Pro, noch een andere wetsbepaling het rechtsgevolg van verlies van vervolgingsrecht. Een nieuwe vervolging is dan ook na bijvoorbeeld een vonnis waarin de nietigheid van de dagvaarding is uitgesproken, allerminst uitgesloten. Het zal mede daarom zijn dat de positie van de verdachte na een dergelijke einduitspraak in de toelichting wordt opgevoerd om de noodzaak van het voorgestelde art. 33a ORO te adstrueren. Daarbij is de gedachtegang kennelijk geweest dat een einduitspraak over de formele vragen van art. 348 Sv Pro misschien wel een einde maakt aan de vervolging, maar niet aan de zaak. [23] Er moet, aldus de toelichting, voor worden gezorgd “dat het eindigen der zaak zoo noodig officieel wordt vastgelegd“. Zonder zo’n officiële vastlegging was de zaak niet geëindigd. Art. 33a ORO voorzag in de mogelijkheid van een dergelijke vastlegging. [24]
criminal chargebepalend is. Met het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op berechting binnen een redelijke termijn had art. 36 Sv Pro volgens de rechtbank niet van doen. Zij overwoog:
6.Beëindiging na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting
7.Standpuntbepaling
criminal chargein art. 6 EVRM Pro.
criminal chargeals het beginpunt van de vervolging in de zin van art. 36 Sv Pro. Ik merk daarbij op dat het belang van de vraag naar het begin van de vervolging afhankelijk is van de beoordelingsmaatstaf die moet worden aangelegd. Als de toepassing van art. 36 Sv Pro een sanctie vormt op de overschrijding van de redelijke termijn, is de vraag wanneer die redelijke termijn is begonnen te lopen uiteraard van groot gewicht. Als daarentegen het criterium is of de vervolging feitelijk tot een einde is gekomen (zie daarover hiervoor, onder 5.16), is enkel van belang of sprake was van een vervolging, niet wanneer die is begonnen.
undue delay, is dat in het strafvorderlijk stelsel een beslissing die door de zittingsrechter moet worden gegeven (en wel in de vorm van de einduitspraak dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging), niet door de raadkamer.