Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De inhoud van het verzoekschrift
2.De procesgang
3.Standpunten der partijen
4.De beoordeling
5.Beslissing
wijst het verzoek van [naam verdachte] af.
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde een verzoek ex artikel 36 Sv Pro van de verdachte om de strafzaak te beëindigen wegens onredelijke vertraging. De zaak betreft openlijke geweldpleging en is gestart met aanhouding in februari 2015. De verdediging stelde dat de langdurige duur van de procedure in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, dat een eerlijk en snel proces waarborgt.
De rechtbank overwoog dat de maatstaf voor beëindiging op grond van artikel 36 Sv Pro primair gericht is op het bieden van zekerheid aan de verdachte, en dat inmiddels de redelijkheid als toets geldt, mede geïnspireerd door jurisprudentie over artikel 6 EVRM Pro. Hoewel de zaak lang duurt, is de vervolging voortgezet met dagvaarding en aanvang van de terechtzitting.
De rechtbank constateerde vertragingen die niet aan de verdachte zijn toe te rekenen, maar oordeelde dat deze niet zo onredelijk zijn dat de zaak moet worden stopgezet. Het onderzoek bij de rechter-commissaris is nog niet afgerond en de aard van het delict (openlijke geweldpleging) rechtvaardigt voortzetting.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en bevestigde dat de strafzaak niet geëindigd is. De beslissing werd genomen door een meervoudige raadkamer op 24 april 2018.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van de strafzaak wegens onredelijke vertraging wordt afgewezen.