Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDOR:2008:BG8138

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
19 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/325
Instantie
Rechtbank Dordrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 SvArt. 155 SvArt. 156 SvArt. 157 SvArt. 201 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot verklaring einde strafzaak wegens ontbrekende vervolging fiscale delicten

Verzoeker heeft bij de rechtbank Dordrecht verzocht om te verklaren dat zijn strafzaak is geëindigd. De raadkamer heeft onderzocht of er een strafzaak tegen verzoeker is vervolgd, waarbij het proces-verbaal van de Belastingdienst een cruciale rol speelt. Uit het dossier blijkt dat het proces-verbaal niet is overgedragen aan de officier van justitie, waardoor geen vervolging is ingesteld.

Het onderzoek toonde aan dat de inbeslaggenomen goederen tijdens een onderzoek naar drugs- en criminele organisatiehandel zijn genomen, waarbij verzoeker als verdachte werd aangemerkt. Er is echter geen aanwijzing dat verzoeker ook als verdachte werd vervolgd voor fiscale delicten. De strafzaak tegen verzoeker werd op 14 juli 1994 beëindigd met een kennisgeving van niet verdere vervolging.

De raadkamer concludeert dat er geen afzonderlijke vervolging wegens fiscale delicten is gestart, mede omdat het proces-verbaal niet is overgedragen aan de officier van justitie en er geen voorlopige hechtenis of huiszoeking met binnenkomst tegen verzoeker is toegepast. Daarom is de rechtbank niet bevoegd het verzoek in behandeling te nemen en wordt verzoeker niet ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet ontvankelijk verklaard en de rechtbank is onbevoegd omdat geen strafzaak wegens fiscale delicten is vervolgd.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Registratienummer: 07/325
Beschikking van de raadkamer bij de rechtbank Dordrecht op het verzoekschrift ex artikel 36 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker],
geboren in 1941.
De procedure
Ter griffie van deze rechtbank is op 11 december 2007 een verzoekschrift ingediend.
De raadkamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het ingediende verzoekschrift met daarbij gevoegde producties (6)
- brief raadsvrouw d.d. 25 augustus 2008 met daarbij gevoegde producties (7)
- proces-verbaal Belastingdienst d.d. 14 april 1993, dossiernummer 93.0004, met bijlagen
- vonnis rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 17 juli 1996, inzake [verzoeker]/Staat der Nederlan-den
- memorie van grieven d.d. 18 juni 1998, inzake [verzoeker]/Staat der Nederlanden
- arrest hof ’s-Gravenhage d.d. 20 januari 2000, inzake [verzoeker]/Staat der Nederlanden
- arrest Hoge Raad d.d. 18 januari 2002, inzake [verzoeker]/Staat der Nederlanden
- aantekeningen van de officier van justitie d.d. 11 september 2008, met bijlage
- memo Belastingdienst d.d. 11 september 2008, met bijlagen
- pleitnotities raadsvrouw d.d. 11 september 2008, met productie.
Bij beschikking van 9 oktober 2008 heeft de raadkamer het gesloten onderzoek heropend.
De raadkamer heeft de inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift voortgezet op 8 december 2008.
Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
In raadkamer zijn verzoekers raadsvrouw en de officier van justitie gehoord. Voorts zijn vertegenwoordigers van het bestuur van ’s rijks belastingen gehoord.
De raadkamer heeft tevens kennisgenomen van de tijdens de behandeling van het verzoekschrift overgelegde stukken:
- aantekeningen van de officier van justitie d.d. 8 december 2008
- pleitnotities raadsvrouw d.d. 8 december 2008, met producties (3).
Inhoud van het verzoek
Op 6 november 1992 is in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen derden huiszoeking verricht te Amsterdam, ter gelegenheid waarvan in beslag is genomen:
- 126 baren goud van elk 1 kilogram
- 3 baren goud van elk 100 gram
- 1 platina armband.
Op 12 januari 1993 is naast genoemd strafrechtelijk beslag tevens fiscaal beslag gelegd.
Op 12 juli 1994 is het strafrechtelijk beslag opgeheven.
Op 14 juli 1994 is een kennisgeving van niet verdere vervolging uitgegaan ter zake van het strafrechtelijk onderzoek.
Ter raadkamerzitting van 8 december 2008 heeft de raadsvrouw betoogd dat nu, blijkens schriftelijke beantwoording van de vragen als bedoeld in de beschikking van de rechtbank van 9 oktober 2008, de strafzaak tegen [X] nog niet door een onherroepelijke beslissing is geëindigd, de zaak tegen verzoeker evenmin is geëindigd.
Verzoeker verzoekt te verklaren dat de zaak is geëindigd.
Oordeel van de raadkamer
1.
Artikel 36, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt -zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang- dat, indien een vervolging niet wordt voortgezet, het gerecht in feitelijke aanleg, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op het verzoek van de ver-dachte, kan bepalen dat de zaak geëindigd is.
2.
De raadkamer ziet zich voor de vraag gesteld wat in casu onder “zaak” als bedoeld in het hiervoor bedoelde artikel 36 van Pro het Wetboek van Strafvordering moet worden verstaan en ver-volgens of voor de rechtbank Dordrecht een zaak tegen verzoeker werd vervolgd.
3.
Uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de bedoelde goederen in beslag zijn genomen tijdens een onderzoek naar de handel in drugs en deelname aan een criminele organisatie.
Verzoeker werd in die strafzaak als één van de verdachten aangemerkt. Dat verdachte of één van zijn medeverdachten tevens als verdachte(n) moest(en) worden aangemerkt terzake overtreding van fiscale delicten is niet gebleken en voorts, op grond van hetgeen door of namens verzoeker is betoogd, in het geheel niet aannemelijk geworden.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanvankelijk tegen verdachte (en tegen zijn medeverdachten) ingestelde vervolging niet tevens betrekking heeft (gehad) op fiscale delicten.
Nu de vervolging in de hierboven bedoelde strafzaak reeds middels een kennisgeving niet verdere vervolging d.d. 14 juli 1994 is geëindigd (en het beslag in die zaak op 12 juli 1994 is opgeheven) kan verzoeker in zoverre niet in het verzoek worden ontvangen.
4.
De rechtbank zal vervolgens onderzoeken of, nu de bedoelde goederen onder fiscaal beslag zijn gekomen, tegen verzoeker op enig moment en los staand van de hiervoor bedoelde strafzaak, een vervolging ter zake fiscale delicten is aangevangen.
5.
Ten tijde van de inbeslagneming van het goud en de platina armband, op 6 november 1992, was de Wet inzake de Douane van toepassing. Artikel 203, tweede lid van die Wet bepaalde –zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang-:
“in afwijking van de artikelen 155, 156 en 157 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij wettelijke bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij het bestuur van ’s rijks belastingen. Het bestuur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast, dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden op de voet van het Wetboek van Strafvordering of van artikel 201, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie. De overige processen-verbaal doet het bestuur, met de inbeslaggenomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien het een vervolging wenselijk acht.”
Bij latere wetswijzigingen is deze bepaling, behoudens ondergeschikte tekstuele aanpassingen, van kracht gebleven.
6.
De aangehaalde bepaling vormt een uitzondering op de dominus litisrol van het Openbaar Ministerie, in die zin dat eerst tot vervolging kan worden overgegaan nadat het proces-verbaal is overgedragen aan de bevoegde officier van justitie.
7.
Het proces-verbaal van de Belastingdienst d.d. 14 april 1993 is, zoals blijkt uit het begeleidend schrijven, in handen gesteld van de Douane district Rotterdam, met afschrift daarvan aan de rechtbank te Dordrecht en het RBBC/BFO te Dordrecht.
Uit niets is gebleken dat het bestuur van ’s rijks belastingen genoemd proces-verbaal heeft overgedragen, dan wel heeft doen overdragen aan de bevoegde officier van justitie, teneinde tegen verzoeker een vervolging in te stellen.
8.
Voorts is uit de inhoud van de stukken en het onderzoek in raadkamer niet aannemelijk geworden dat ten aanzien van verzoeker in het kader van een ‘zaak betreffende fiscale delicten’ inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast, dan wel dat een woning tegen de wil van een bewoner is binnengetreden. Om die reden rustte er dan ook geen enkele verplichting op het bestuur van ’s rijks belastingen om het proces-verbaal onverwijld te doen toekomen aan de bevoegde officier van justitie.
9
De raadkamer is op grond van het vorenstaande van oordeel dat ten aanzien van verzoeker geen ‘zaak betreffende fiscale delicten’ voor de rechtbank Dordrecht is vervolgd, waardoor zij in zoverre niet bevoegd is om het ingediende verzoekschrift in behandeling te nemen.
BESLISSING:
De raadkamer:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het verzoek voor zover dit betrekking heeft op de zaak waarvoor op 14 juli 1994 een kennisgeving niet verdere vervolging is gegeven;
- verklaart zich voor het overige onbevoegd om het verzoekschrift in behandeling te nemen.
Deze beschikking is gewezen door mrs. A.P. Hameete, voorzitter, H. Harmsen en B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier D.J. Boogert, op 19 december 2008.