Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Conspiracy to Fraudulently Evade a Prohibition on the Importation of a Class A Drug, Contrary to section 170(2) of the Customs and Excise Management Act 1979;
Conspiracy to Fraudulently Evade a Prohibition on the Importation of a Class A Drug, Contrary to section 170(2) of the Customs and Excise Management Act 1979. [2]
De bijzondere kamer[als bedoeld in art. 67 van Pro de Wet RO]
van het gerechtshof[Arnhem-Leeuwarden]
beoordeelt:
Indien de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie een langere duur heeft dan het voor het desbetreffende feit naar Nederlands recht toepasselijke strafmaximum, wordt de duur van de vrijheidsbenemende sanctie tot dat strafmaximum verlaagd.”
Conspiracy to evade the prohibition on the importation of controlled drugs' tenlastegelegd, en uit de
sentencing remarksblijkt dat de veroordeelde en zijn mededaders betrokken waren bij een omvangrijke internationale drugssmokkel. De veroordeelde had hierbij een significante rol. Uit de door de Britse autoriteiten aangeleverde
sentencing remarksblijkt het volgende:
This case involves a conspiracy to import into the United Kingdom a massive quantity of class A and class B drugs. During the period of conspiracy, class A drug imported into the United Kingdom came to a staggering total of 203 kilogrammes, with an estimated street value of over £27.5 million. And class B drug imported into the United Kingdom came to a total of over 233 kilogrammes, with an estimated street value of over £12 million. The combined street value of class A and class B drugs comes to over £14 million. Total of class A drugs imported consisted of heroin, over 124 kilogrammes, cocaine over 78 kilogrammes, and MDMA, over 1 kilogramme. Class B drug consisted of amphetamine, over 115 kilogrammes, cannabis resin, over 101 kilogrammes and cannabis, over 16 kilogrammes…
3.Bespreking van het cassatiemiddel
7. Rechtsbescherming
De procedure bij het gerechtshof is schriftelijk. Er vindt geen hoorzitting plaats. De veroordeelde wordt dus ook niet gehoord en kan overigens ook geen opmerkingen inbrengen. Volgens de regeling in het kaderbesluit is het uitgangspunt dat op basis van de rechterlijke uitspraak en de informatie in het certificaat een beslissing kan worden genomen over de erkenning.Mocht evenwel toch nog aanvullende informatie benodigd zijn, bijvoorbeeld met het oog op de aanpassing van de sanctie, dan kan het gerechtshof de minister hiervan op de hoogte stellen. De minister kan vervolgens de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat om de benodigde informatie vragen. De bijzondere kamer van het gerechtshof in Arnhem doet zijn bevindingen en de op grond daarvan getrokken conclusies zo spoedig mogelijk aan de minister toekomen. Voor zijn beoordeling heeft het gerechtshof ten hoogste zes weken de tijd. Deze termijn begint te lopen op het moment dat de rechterlijke uitspraak en het certificaat zijn ontvangen. Tussen het ministerie, het openbaar ministerie en het gerechtshof zullen afspraken worden gemaakt, opdat deze termijn kan worden gehaald.” [25]
7. Rechtsbescherming
Nu in het wetsvoorstel is voorzien in een rechterlijke toets voor zowel inkomende als uitgaande zaken betreffende vrijheidsbenemende sancties ziet de regering in beginsel geen ruimte meer voor een gang naar de civiele rechter. (…)
necessarythat, in the area concerned, EU law imposes specific obligations on Member States. Thus, the absence of imposition of obligations can be decisive in precluding a situation from being one in which a Member State is ‘implementing’ EU law, even where the proceedings fall within an area in which the European Union has already exercised competence. The mere fact that domestic measures come within in an area in which the European Union has powers is not enough [to] bring those measures within the scope of EU law. The CJEU has asked, for example, whether the national legislation in issue is ‘subject to specific requirements of EU law’, in order to determine whether the Member State concerned was implementing EU law for the purposes of Article 51 (1) of the Charter. It has been further held that when EU legislation does not lay down the conditions creating the right to benefits, but this is rather left to the Member States, the latter is not implementing EU law within the meaning of Article 51 (1) of the Charter.” [56]
eenberoepsprocedure’. Dat maakt duidelijk dat het Kaderbesluit op dit punt slechts rekening houdt met een (eventuele) beroepsprocedure naar nationaal recht en wel in zoverre dat deze dus niet mag afdoen aan de gewenste snelle erkenning en overname van de straf (die dus in de regel binnen 90 dagen dient plaats te vinden). [64] Deze passage in de preambule bevestigt dus denk ik juist dat dat die procedure niet onder het toepassingsgebied van Unierecht valt.
94.1.1.2 Optreden raadsman