Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 14 april 2020
[appellant],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
De feiten
zal het hof dienen te bezien of de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie overeenkomt met de sanctie die in Nederland voor het desbetreffende feit zou zijn opgelegd en deze, voor zover nodig, aanpassen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de in de uitvaardigende lidstaat levende opvattingen omtrent de ernst van het feit.
"Tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling
Eerste aanleg
primair
Beoordeling in appel
primair
subsidiair
zeker of met grote mate waarschijnlijkis dat de veroordeelde op dat eerdere tijdstip in het land van veroordeling in vrijheid zou worden of zou zijn gesteld (zie ook hierboven: alinea 1.10).
achterafkan worden vastgesteld dat bepaalde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Peildatum is 30 april 2015; voor zover [appellant] met
grief 1anders wil betogen, faalt deze grief (hierna zal het hof nog ingaan op de vraag of de (voortzetting van de) tenuitvoerlegging onrechtmatig is vanwege na 30 april 2015 gebleken feiten en omstandigheden).
grieven 4 en 5) dat er geen directe slachtoffers of te compenseren partijen waren en dat hij een vast adres had waar hij na detentie terecht kon. Verder heeft [appellant] gewezen op het in zijn opdracht opgemaakte reclasseringsrapport van 18 april 2015. Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat op grond van deze feiten en omstandigheden de Minister de VI-datum in redelijkheid had moeten vervroegen en dat de in alinea 12 bedoelde kernvraag dus bevestigend beantwoord moet worden.
grief 6faalt dan ook). Of en wanneer een veroordeelde in België voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld is afhankelijk van de beoordeling door een rechtbank op basis van de op dat specifieke moment – een moment dat op 30 april 2015 dus nog in de toekomst lag – geldende delict- en/of persoonsgebonden omstandigheden. Op zich merkt [appellant] terecht op (
grief 5) dat niet alle tegenaanwijzingen louter betrekking hebben op toekomstige omstandigheden, maar dat neemt niet weg dat dit bij een deel van die aanwijzingen wel degelijk het geval is. Op 30 april 2015 stond niet met grote mate van waarschijnlijkheid vast hoe de perspectieven van [appellant] op resocialisatie zouden zijn op het moment dat de strafuitvoeringsrechtbank zich over het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling zou moeten buigen. [appellant] stelt in dat verband weliswaar dat hij uitzicht had op een goede verblijfplaats (bij zijn vader) en inkomsten (het uitbaten van een café), maar wat daar ook van zij, dit zijn omstandigheden die kunnen veranderen in de loop van de detentietijd; bovendien stonden daartegenover ook contra-indicaties, zoals zijn lange strafblad met meerdere veroordelingen tot langdurige gevangenisstraffen. Zoals de Staat ter comparitie heeft aangevoerd bevat het in opdracht van Franken opgemaakte reclasseringsrapport geen concrete aanwijzingen over inspanningen van Franken tijdens zijn detentie ten behoeve van zijn resocialisatie. In dat rapport staat verder dat het herhaaldelijk in contact komen met justitie een groot punt van zorg is en dat het de vraag is of het hem lukt uit het wereldje te stappen. De strafuitvoeringsrechtbank in de zaak van [medeveroordeelde] heeft overwogen dat het van essentieel belang is dat [medeveroordeelde] zich weghoudt van zijn vroegere antisociale vriendenkring, in het bijzonder van [appellant]. Gelet op dit een en ander kan niet worden gezegd dat het waarschijnlijk is dat de tegenaanwijzing van recidivegevaar niet aan de orde is. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat [appellant] niet heeft toegelicht waarom de door hem genoemde Belgische advocaat, die jarenlange ervaring zou hebben op het gebied van straf- en strafprocesrecht, in staat zouden kunnen zijn om – zonder advies over [appellant] van gevangenisdirecteur of openbaar ministerie – iets relevants te verklaren omtrent de vraag of op 30 april 2015 reeds met grote waarschijnlijkheid voor
[appellant]vaststond dat een later, na het uitzitten van (minimaal) 1/3e van de straf, aan de strafuitvoeringsrechtbank voorbehouden afweging op grond van
toekomstige, individuele factorenpositief voor [appellant] zou uitvallen. Bovendien gaat het hier niet zozeer om een aanbod tot getuigenbewijs – het gaat niet om eigen waarnemingen (art. 163 Rv Pro) van die advocaat – maar veeleer om deskundigenbewijs waarop artikel 166 Rv Pro niet ziet. Om de zojuist genoemde redenen acht het hof het aangeboden deskundigenbewijs niet geïndiceerd.
grief 3een beroep wil doen op de Belgische regeling van vervroegde invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied (artikel 26 WER Pro), geldt dat het hof met de Staat van oordeel is dat dit beroep niet (voldoende) is onderbouwd. [appellant] heeft met name niet onderbouwd waarom hij zijn verblijfsrecht als EU-burger in België zou hebben verloren en hij is ook niet ingegaan op het uitgebreide verweer van de Staat op dit punt in eerste aanleg (pleitnota sub 2.9. t/m 2.12.).
“op enig moment”, memorie van grieven 11) is gebleken dat [appellant] zeker althans met grote mate van waarschijnlijkheid in België eerder dan na pas 2/3e deel van zijn detentie voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld (
grief 2). [appellant] verwijst in dit verband naar de zaak van medeveroordeelde [medeveroordeelde] die in België na bijna 5 jaar (dus na bijna de helft van de opgelegde detentie), voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Volgens [appellant] zijn hun zaken op relevante punten vergelijkbaar en toont dit aan dat ook hij eerder dan pas na 2/3e deel voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld (
grief 7). Door de tenuitvoerlegging van de straf van [appellant] voort te zetten met toepassing van de Nederlandse VI-regeling en niet uit te gaan van een eerdere VI-datum wordt (alsnog) in strijd gehandeld met het beginsel van voorkomen van strafverzwaring en dus in strijd met het Kaderbesluit en de WETS, zo stelt [appellant].
grief 8faalt daarom).
grief 9). Er is geen sprake van twijfel over de uitleg van een regel van Europees recht.
grief 10). Volgens [appellant] heeft het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2015 geen gezag van gewijsde en is de leer van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dus niet van toepassing. [appellant] voert in dat verband aan dat de procedure van de WETS niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is en niet voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM Pro omdat de gevonniste persoon niet wordt gehoord en geen beroepsmogelijkheid heeft.