ECLI:NL:RBDHA:2019:11665
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot aanpassing tenuitvoerlegging Belgische gevangenisstraf naar Nederlandse maatstaven
In deze zaak vordert eiser, die een Belgische gevangenisstraf ondergaat, dat de Staat bij de tenuitvoerlegging van deze straf uitgaat van een eerdere voorwaardelijke invrijheidstellingsdatum (VI-datum) en faseerdatum. Eiser stelt dat het gerechtshof ten onrechte heeft nagelaten de straf aan te passen naar Nederlandse maatstaven en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel omdat in een vergelijkbare zaak de straf wel werd aangepast.
De rechtbank overweegt dat de bodemrechter in een eerdere procedure reeds heeft beslist dat de Minister gebonden is aan het oordeel van het gerechtshof en dat het niet vrij staat de straf aan te passen. De voorzieningenrechter kan in kort geding niet afwijken van dit oordeel, tenzij sprake is van een duidelijke misslag of gewijzigde omstandigheden.
Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn zaak gelijk is aan die van de andere veroordeelde waarbij de straf werd aangepast. Ook is niet gebleken dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. De vordering wordt daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De vordering van eiser om bij tenuitvoerlegging uit te gaan van een eerdere VI- en faseerdatum wordt afgewezen.