ECLI:NL:HR:2012:BU2064
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn bij teruglevering veroordeelde in WOTS-zaak
In deze zaak stond de vraag centraal of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden bij de teruglevering van een veroordeelde uit Duitsland naar Nederland op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS).
De rechtbank had geoordeeld dat er sprake was van een onwenselijk lange duur van de teruglevering, maar dat deze duur niet onredelijk was in de zin van het EVRM. De veroordeelde en zijn raadsman voerden aan dat hij elf maanden moest wachten voordat hij naar Nederland kon worden teruggebracht, wat zij als onredelijk lang beschouwden.
De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank niet onjuist had geoordeeld over het aanvangsmoment van de redelijke termijn en dat de rechtbank voldoende rekening had gehouden met de vertraging door de strafoplegging dienovereenkomstig aan te passen. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
De Hoge Raad benadrukte tevens dat indien de redelijke termijn wel zou zijn overschreden, de rechter bij strafoplegging moet vermelden welke straf zou zijn opgelegd indien de termijn niet was overschreden, conform eerdere jurisprudentie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de redelijke termijn niet is overschreden.