Belanghebbenden, onderdeel van een concern, betaalden in 2013 een crisisheffing over het loon van werknemers dat in 2012 hoger was dan €150.000. Zij stelden dat deze heffing onrechtmatig was wegens dubbele belasting, discriminatie en strijd met het eigendomsrecht onder het EVRM.
De Hoge Raad verwierp deze bezwaren. De wetgever mocht afwijken van algemene belastingregels en de crisisheffing was bedoeld als extra bijdrage van werkgevers, niet van werknemers. De vermeende discriminatie werd niet geacht onredelijk of onrechtmatig te zijn.
Ook de terugwerkende kracht van de heffing werd getoetst aan het eigendomsrecht. Hoewel werkgevers begin 2012 niet op de heffing konden rekenen, waren er dwingende redenen vanwege de economische crisis en begrotingsnoodzaak om de heffing snel en eenvoudig in te voeren. Dit rechtvaardigde de aantasting van gerechtvaardigde verwachtingen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde het oordeel van het Hof Den Haag dat de crisisheffing rechtmatig is en niet leidt tot een individuele buitensporige last.