ECLI:NL:HR:2026:123
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verkorting maximale looptijd 30%-regeling ondanks overgangsrecht
Belanghebbende, een in Nederland werkzame buitenlandse werknemer, maakte aanspraak op toepassing van de 30%-regeling met een oorspronkelijke looptijd van tien jaar. Na wetswijziging per 1 januari 2019 werd de maximale looptijd verkort tot vijf jaar, met een beperkt overgangsrecht dat voor belanghebbende een einddatum van 31 december 2020 bepaalde.
Belanghebbende betwistte de verkorting en stelde dat het beperkte overgangsrecht in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en diverse verdragsbepalingen, waaronder artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het Hof verwierp deze bezwaren en oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft bij fiscale wetgeving en dat het overgangsrecht voldoende rekening houdt met bijzondere omstandigheden. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep ongegrond, waarbij hij het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro respecteert en geen aanleiding ziet om het beperkte overgangsrecht buiten toepassing te laten.
De Hoge Raad benadrukt dat de verkorting van de 30%-regeling ook voor lopende gevallen geldt en dat de overgangsregeling niet discrimineert. De uitspraak bevestigt de rechtszekerheid en rechtsgeldigheid van de wetswijziging en het overgangsrecht, ondanks de belangen van individuele belastingplichtigen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling met het beperkte overgangsrecht.