Conclusie
1.Overzicht
drie vragen:
possession/
bien) in de zin van art. 1 Protocol Pro I EVRM [1] ontnomen, nl. een
legitimate expectation? Zo ja:
fair balancetussen doel en middel vereist dat de Staat kan wijzen op
specific and compelling reasonsals bedoeld in EHRM
Plaisier BV v. Netherlands? Zo ja:
specific and compelling reasonsin casu?
geschilis of het eigendomsgrondrecht of het vertrouwensbeginsel is geschonden door de afschaffing, met terugwerkende kracht, van de retrospectieve herziening (ten voordele) van de premiesectorindeling van werkgevers op hun verzoek om hun sectorindeling in overeenstemming te brengen met de van rechtswege uit de wet voortvloeiende indeling.
nadeleis wel gehandhaafd. Ook de
prospectieve herziening ten voordele is gehandhaafd (tot de afschaffing van de premiesectoren).
shoppingwilde afschaffen en dat zij onder meer de retrospectieve herziening ten voordele per meteen, dus met terugwerkende kracht wilde afschaffen om een gevreesde stroom valreep-herindelingsverzoeken te voorkomen die de capaciteit van de fiscus te boven zou gaan.
Hof ’s-Hertogenboschbegreep de belanghebbenden aldus dat de volgens art. 1 Protocol Pro I EVRM vereiste
fair balancetussen de gestelde eigendomsaantasting en het daarmee te dienen algemene belang ontbreekt. Hij oordeelde dat (i) de wens om capaciteits-problemen bij de belastingdienst door sector
shoppingen massale valreep-herindelings-verzoeken te voorkomen niet elke redelijke grond ontbeerde, en (ii) de belanghebbenden eerder om herziening hadden kunnen vragen. Hun beroep op EHRM
Pressos Compania Navierabaatte hen niet omdat die zaak volgens het Hof andere feiten en andere terugwerkende wetgeving betrof. Hij heeft de beroepen op het eigendomsgrondrecht en het vertrouwensbeginsel ongegrond verklaard.
BNB2018/66
Plaisier BV v Netherlands(crisisheffing) [2] leiden zij af dat de (veel) verder dan naar de aankondiging terugwerkende kracht
legitimate expectationsschendt, waarvoor
specific and compelling reasonsmoeten bestaan, die huns inziens ontbreken. Gevreesde sector
shoppingkan geen dwingende reden zijn, nu de relevante rechtsfeiten uit het verleden niet veranderd konden worden. Herindeling is bovendien even relevant voor de toekomst als voor het verleden, zodat het aantal te verwachten herindelingsverzoeken geen verband houdt met de vraag of al dan niet retrospectief heringedeeld kan worden: ook
prospectief willen werkgevers herindeling als zij teveel premie betalen. De wetswijziging laat bovendien retrospectieve herziening
ten nadelevan werkgevers ongemoeid. Volgens de belanghebbenden kwam de werkbelasting van de fiscus eerder voort uit het feit dat het premiesectorenstelsel nu eenmaal arbeidsintensief is.
middel I, onderdeel (ii)kan de belanghebbenden niet worden verweten dat zij niet eerder herziening verzochten, nu zij mochten uitgaan van een termijn van vijf jaar en zij er geen rekening mee konden houden dat de wet met terugwerkende kracht voorbij de aankondigingsdatum zou worden gewijzigd, zodat die terugwerkende kracht de volgens art. I Protocol I vereiste
lawfulnessontbeert. Zonder overgangsperiode is de vijf jaar terugwerking van de wetswijziging onvoldoende ‘accessible, precise and foreseeable'.
Pressos Compania Navierais de belanghebbenden een
claimop de Staat ontnomen die de verwachting rechtvaardigde dat zij vijf jaar teveel betaalde premies terug zouden krijgen. Het lijdt volgens hen geen twijfel dat hun verzoeken vóór de (aankondiging van de) wetswijziging zouden zijn gehonoreerd. Dat maakt hun zaken wel degelijk vergelijkbaar met EHRM
Pressos Compania Naviera, waarin een (aansprakelijkheids)
claimop de Staat even zeer van rechtswege was ontstaan.
verweermeent de Staatssecretaris
ad middel Idat het gaat om de vraag of een
fair balancein acht is genomen. Daarbij komt de wetgever een ruime beoordelingsmarge toe. Hij meent overigens dat de belanghebbenden tot 29 juni 2018 geen bezitting, maar slechts een verwachting hadden dat eventueel te veel betaalde premies na een verzoek mogelijk zouden worden terugbetaald. Zulke verwachtingen hoeven niet steeds te worden gehonoreerd. Hij acht
Pressos Compania Navieradaarom niet relevant: die zaak betrof een ongeclausuleerde 30 jaar terugwerkende kracht die ook reeds door de rechter toegewezen rechtsvorderingen in lopende aansprakelijkheidsprocedures doorkruiste. In casu worden vóór 29 juni 2018 reeds lopende verzoeken niet doorkruist. Voor zover sprake zou zijn van materieel verder terugwerkende kracht, ziet de Staatssecretaris daarvoor
specific and compelling reasonsin het feit dat de complexiteit van uitvoering van de sectorindeling de economische werkelijkheid niet meer weerspiegelde, waardoor werkgevers steeds meer
shopgedrag vertoonden en dat voorkoming van sector
shoppingwel degelijk dringend was. Uit HR
BNB2014/219 en HR
BNB2017/63 volgt volgens hem dat de eis van voorzienbaarheid niet mede inhoudt dat wordt voorzien in schadebeperkend overgangsrecht.
Middel IIheeft volgens de Staatssecretaris geen zelfstandige betekenis.
repliekstellen de belanghebbenden dat (i) afdwingbaarheid niet vereist is voor een
legitimate expectation, (ii) zij wel degelijk vergelijkbaar te zijn met
Pressos Compania Navieraen (iii) niet tegengworpen kunnen krijgen dat zij niet binnen twee weken om herziening zouden hebben verzocht. De Staatssecretaris meent bij
dupliekdat hen dat laatste wel degelijk tegengeworpen kan worden.
BNB2017/63. Volgens die rechtspraak gaat het bij
lawfulnessniet om de voorzienbaarheid van de aankondiging van de wetswijziging, maar om de voorzienbaarheid van de gevolgen van de wet op het moment van zijn aankondiging c.q. inwerkingtreding.
Pressos Compania Navierasuggereert dat hij geen
possessionin de zin van art. 1 Protocol Pro I EVRM aanwezig achtte. Daarmee zou het pleit al beslecht zijn, maar het Hof ging toch in op de rechtvaardiging voor de ingreep en op de
fair balancetussen doel en middel, zodat hij kennelijk toch minstens
for argument’s sakeis uitgegaan van een
possession. Hij heeft het beroep op art. 1 Protocol Pro I alsnog verworpen omdat van de reden voor de veronderstelde aantasting van de veronderstelde bezitting (capaciteitsproblemen) niet gezegd kan worden dat die elke redelijke grond ontbeerde.
possessionwas, is alsnog beslissend als dat laatste oordeel onjuist is. Ik meen dat dat het geval is. Het Hof heeft mijns inziens niet de juiste
fair balancemaatstaf aangelegd.
Alsde
claimvan de belanghebbenden op premierestitutie een
possessionwas, dan ontnam de terugwerkende kracht hen een
legitimate expectationvan honorering en is hen dus een eigendom
ontnomen(dan gaat het dus niet om slechts
reguleringvan eigendom), zodat de
fair balancemaatstaf niet is of de Staat binnen een
wide margin of appreciationis gebleven, maar of hij
specific and compelling reasonshad voor die terugwerkende kracht. Ik meen dat dat niet het geval is omdat (i) de Staat zelf verantwoordelijk was voor de veroudering en de bewerkelijkheid van het premiesectorstelsel, (ii) de vrees voor – aan de systeemontwerper te wijten - ambtelijke capaciteitsproblemen en sector
shoppingdoor
anderendan de belanghebbenden, geen
specific and compelling reasonis voor ontneming van hun
possessions, en (iii) minder eigendomsaantastende middelen bestonden. Dat betekent dat
alsde belanghebbenden tot 29 juni 2018 een
legitimatepremierestitutie-
expectationhadden, de
fair balancetussen doel en middel is geschonden. Voor de uitkomst van het geschil is dan beslissend óf zij inderdaad een
claimen een
legitimate expectationhadden, zodat die vraag alsnog moet worden onderzocht.
possessionwas zolang nog geen verzoek om herziening was ingediend c.q. niet voldoende vaststond dat
alsvóór 29 juni 2018 een verzoek zou zijn gedaan, daadwerkelijk ten voordele zou zijn herzien. De restitutieclaim was nog niet geformaliseerd en dus nog niet afdwingbaar. Uit het - beslissende - nationale recht volgt mijns inziens echter niet alleen dat de sectorindeling ‘van rechtswege’ – dus rechtstreeks uit de wet en de feiten (de aard van de verrichte werkzaamheden) - geschiedt (art. 96 Wfsv Pro), maar ook dat de premieschuld rechtstreeks uit de wet voortvloeit, nl. uit die aansluiting van rechtswege en het verricht zijn van werkzaamheden, dus ook een teruggaverecht als meer premie is betaald dan de ‘van rechtswege’ verschuldigde premie, én dat de Inspecteur retrospectieve indeling van rechtswege niet kan weigeren. Weliswaar was voor de formalisering van een materiële premierestitutievordering een ‘mededeling’ bij beschikking van de Inspecteur nodig (art. 97(2) Wfsv), maar (i) die formalisering is, net als bij een materiële belastingschuld/restitutierecht, niet relevant voor het
bestaanvan de
claim, maar alleen voor de afdwingbaarheid, en (ii) de Inspecteur had geen beleidsruimte om formalisering (mededeling) en daarmee afdwingbaarheid van de van-rechtswege-indeling te weigeren, tenzij de verzoeker hem daartoe niet in staat stelde door hem de vereiste gegevens te onthouden. Dat laatste is niet gesteld en de Inspecteur had kennelijk voldoende gegevens om de belanghebbenden wel
prospectief in de sectoren 10 resp. 11 her in te delen. Zou de Inspecteur formalisering weigeren, dan staat dat trouwens uiteindelijk niet aan afdwingbaarheid van de
claimin de weg, nu de belanghebbende alsdan via art. 6:2 Awb Pro toch de rechter kan adiëren, zoals in casu trouwens ook is gebeurd.
alsdie werkzaamheden in de sectoren 10 resp. 11 vielen, in casu
possessionszijn ontnomen, baseer ik mij op rechtspraak van het EHRM. In onder meer
Gratzinger en Gratzingerova v. Tsjechiëonderscheidt het EHRM twee soorten bezittingen waarop art. 1 Protocol Pro I ziet:
existing possessionsen
claimster zake waarvan de
claimanteen
legitimate expectationheeft dat die gehonoreerd zullen worden. In casu gaat het om
claims. Een loutere hoop of subjectieve verwachting is onvoldoende. De
legitimate expectationvan honorering ‘must be of a nature more concrete than a mere hope and be based on a legal provision or a legal act such as a judicial decision’. Een
judicial decisionwas op 29 juni 2018 nog niet voorhanden, maar een
legal provisionwel, nl. art. 96 en Pro 97(2) Wfsv. Uit de parlementaire geschiedenis van die bepalingen volgt dat de werkgever noch de Inspecteur kon afwijken van de sectorindeling die naar de feiten beoordeeld rechtstreeks (‘van rechtswege’) uit de wet volgt.
legitimate expectationvan honorering van een
claimkan volgens EHRM
Kopecky v. Slovakiaweer in twee soorten bestaan: (i) een verwachting die vastzit aan een
existing possession(‘a component of, or attached to, a property right’), zoals een gerechtvaardigd op een gepubliceerde onherroepelijke vergunning gebaseerde verwachting (EHRM
Pine Valley), en (ii) een verwachting dat een vorderingsrecht wordt afgewikkeld op basis van de bij het ontstaan ervan geldende wetgeving en rechtspraak (‘not in itself constitutive of a proprietary interest’, maar ‘relating to the way in which the claim qualifying as an “asset” would be treated under domestic law and in particular to reliance on the fact that the established case-law of the national courts would continue to be applied [op feiten] which had already occurred’, zoals in
Pressos Compania Naviera). Maakt de wetgever ná het ontstaan van het vorderingsrecht dat recht met terugwerkende kracht ongedaan, zoals in
Pressos Compania Naviera, dan is dat een ontneming (en niet slechts regulering) van eigendom. De schade-
claimuit onrechtmatige overheidsdaad in
Pressos Compania Navierawas een ‘asset, as soon as the damage occurs,’ dus ook reeds (ver) vóór een eventuele rechterlijke uitspraak die de vordering uit onrechtmatige daad toewijst.
claimop premierestitutie en bovendien, op basis van de tot 29 juni 2018 geldende wet en rechtspraak de
legitimate expectationdat die
claimop hun verzoek zonder meer volgens het tot die datum vigerende recht zou worden geformaliseerd en afgewikkeld. De
expectationvan correcte herindeling op eerste verzoek was geenszins louter hoop of subjectieve verwachting, maar stevig verankerd in het nationale recht, net als een belastingschuld of een schuld uit onrechtmatige daad: een verbintenis uit de wet. Wat de wetgever in wezen deed op 29 juni 2018, is de vijfjaarsverjaringstermijn van een geldvordering opeens op nul stellen.
possession, ointbraken mijns inziens: van enig
shopgedrag van de belanghebbenden blijkt niet; het is ook niet gesteld. Terugwerkende ontneming ten nadele van
niet-shoppende werkgevers is manifest ongeschikt om
shopgedrag van wél-shoppenden te voorkomen. Van rechtsmisbruik zoals in EHRM
Huitsonis al helemaal sprake. Worden de belanghebbenden alsnog correct volgens de wet ingedeeld, dan is evenmin sprake van enige onverdiende
windfall profitdoor een onvoorzien wetsmankement, zoals wel in EHRM
Building Societies, integendeel: correcte aansluiting herstelt juist een wettelijk onjuiste toestand. Evenmin gaat het in casu om de noodzaak om opportunistische wijziging van arbeidscontracten tegen te gaan die een fiscale tariefverhoging zou frustreren, zoals in
M.A. and 34 Others v. Sweden.En tenslotte is evenmin sprake van een dringende politieke noodzaak voor de Staat ‘to meet its obligations under European Union law without delay, in circumstances aggravated by a financial and economic crisis of a magnitude seldom seen in peacetime’, zoals in de crisisheffingszaak EHRM
Plaisier BV.
managerialgevolgen daarvan af te wentelen op een tamelijk willekeurige en beperkte groep werkgevers: de in hun nadeel verkeerd ingedeelden. Ik zie geen dwingende reden van algemeen belang om capaciteitsproblemen door een gevreesd groot aantal alsnog ingediende herindelingsverzoeken te voorkomen door
terechte claimste onteigenen. Dat mogelijk zeer veel
onterechte verzoeken zouden worden ingediend, is mijns inziens geen reden, laat staan een dwingende, om de
terechteverzoekers hun eigendom te ontnemen. Dat mogelijk veel
terechteverzoeken zouden worden ingediend, is te minder reden om honorering van die - immers terechte - verzoeken onmogelijk te maken. Er was ook een minder grondrechtenaantastende maatregel voorhanden: een verzwaarde bewijslast. Art. 1 Protocol Pro I EVRM verzet zich mijns inziens niet tegen beperking van capaciteitsproblemen door vanaf 29 juni 2018, 17:00 uur, van herindelingsverzoekers sluitend en overtuigend bewijs te eisen voor de gehele periode waarvoor zij herziening vragen.
legitimate expectationsniet in de weg staan aan ontneming van een
wettelijkterugvorderingsrecht, staan zij te minder in de weg aan wettelijke terugwerkende afschaffing van restitutie
beleid.
2.De feiten, het geschil en het geding in feitelijke instantie
Feiten en geschil
shoppingleidde. Voorafgaand aan die afschaffing heeft hij al met terugwerkende kracht onderdelen van het premiesectorstelsel afgeschaft, waaronder de tot 29 juni 2018 in art. 97(2) Wfsv (oud) voorziene retrospectieve sectorherziening ten voordele van de werkgever op diens verzoek.
voorzittervraagt of de basis voor de terugwerkende kracht de wetswijzing of het begunstigende beleid is.
inspecteurstelt dat het geschil ziet op de vraag of de beschikking juist is. Hier maakt de terugwerkende kracht van het wetsvoorstel WAB deel van uit. Indien ervan uit zou worden gegaan dat de terugwerkende kracht van het wetsvoorstel in deze zaak niet gerechtvaardigd is, dan zou mogelijkerwijs wel een wijziging van de sectorindeling met terugwerkende kracht hebben plaatsgevonden. Dit zou dan aan de voorwaarden getoetst moeten worden.
hofvraagt of er dus sprake was van beleid in 2018, omdat er sprake is van een bestendige gedragslijn, waardoor de teveel betaalde premies dus maximaal over vijf kalenderjaren worden teruggegeven.
inspecteurgeeft bevestigend antwoord.
voorzittervraagt of in dat geval de conclusie zou moeten zijn dat de beroepen gegrond zijn?
inspecteurantwoordt dat die kans aanwezig is. Ten voordele van de werkgever werd vrijwel altijd vijf jaar terugwerkende kracht gehanteerd.”
individual and excessive burdengesteld. Zij wisten bovendien al eerder dat hun sectorindeling onjuist kon zijn en hebben het daarom aan zichzelf te wijten dat zij niet eerder om herziening hebben verzocht:
Pressos Compania Naviera(zie 6.14 hieronder) heeft het Hof afgewezen omdat die zaak volgens hem onvergelijkbare feiten en een andere soort terugwerkende wetgeving betrof:
3.Het geding in cassatie
middel Iheeft het Hof art. 1 Protocol Pro I geschonden door rechtens onjuist of onvoldoende gemotiveerd te oordelen dat (i) gegeven de vrees voor uitvoeringsproblemen de terugwerkende wetswijziging niet elke redelijke grond ontbeert en dat daarom de
fair balanceniet zou zijn geschonden; (ii) relevant zou zijn dat een verzoek tot terugwerkende herindeling eerder had kunnen worden gedaan; en (iii) de zaak
Pressos Compania Navieraniet vergelijkbaar zou zijn met hun geval.
claimop de Staat ontnomen ter zake waarvan zij vóór 29 juni 2018 de gerechtvaardigde verwachting van honorering hadden. Voor de materieel terugwerkende kracht naar 1 januari 2013 zien zij geen enkele rechtvaardiging.
Shopgedrag van werkgevers kan geen rechtvaardiging zijn, nu het gaat om voldongen feiten uit het verleden. Bovendien liet de wetswijziging in het omgekeerde geval (te weinig premie betaald) de vijf jaar terugwerkende herziening ten nadele ongemoeid, hoewel daarvoor evenzeer vijf jaren terug feiten moeten worden onderzocht. Volgens de belanghebbenden is het capaciteitsprobleem een intrinsiek gevolg van het premiesectorstelsel, dat nu eenmaal arbeidsintensief is, hetgeen los staat van
shopgedrag. Zij menen dat de Belastingdienst jarenlang “het eigen beleidsfalen onder de pet heeft gehouden” en de sectorindeling heeft “laten verouderen” en dat dáárom een groot aantal gerechtvaardigde
claimsillusoir wordt gemaakt. Uit EHRM
BNB2018/66 (
Plaisier BV; crisisheffing) volgt huns inziens dat wetswijziging met terugwerkende kracht tot vóór het moment van aankondiging alleen is toegelaten als daarvoor 'specific and compelling' redenen bestaan. Zij zien geen dergelijke dwingende redenen. Zo er al een rechtvaardiging zou zijn, dan missen zij een weging tussen de mogelijk toe te nemen werklast en de inbreuk op hun
legitimate expectations.
middelonderdeel I(ii)betogen de belanghebbenden dat hen niet kan worden verweten dat zij eerder om herindeling hadden kunnen verzoeken, nu tot de brief van 29 juni 2018 volstrekt onvoorzienbaar was dat de wet retro-actief zou worden gewijzigd, zodat diens terugwerkende kracht naar 1 januari 2013 volstrekt arbitrair en daarmee niet
lawfulis. Om de wetswijziging ‘sufficiently accessible, precise and foreseeable' te doen zijn, had minstens een overgangs-periode moeten bestaan. Ook de aankondigingsbrief van 29 juni 2018 was volstrekt onvoorzienbaar. Zij zien niet hoe de processtukken of de brief van [D] de wetwijziging, diens terugwerking, of diens aankondiging voorzienbaar zouden hebben kunnen maken.
middelonderdeel I(iii)menen de belanghebbenden dat de wetswijziging materieel veel verder terugwerkt dan naar de datum van de brief, namelijk naar 1 januari 2013. Net als in de zaak
Pressos Compania Navierawordt hen aldus een vorderingsrecht jegens de Staat ontnomen, hoewel zij het gerechtvaardigde vertrouwen hadden dat de volgens de wet teveel betaalde premies van 1 januari 2013 tot 1 september 2018 hen zouden worden terugbetaald. Het lijdt volgens hen geen twijfel dat een daartoe vóór 29 juni 2018 gedaan verzoek zou zijn gehonoreerd, hetgeen ook blijkt uit het feit dat aan die datum voorafgaande soortgelijke verzoeken van andere groepsvennootschappen zijn gehonoreerd. Dat maakt hun zaken wel degelijk vergelijkbaar met
Pressos Compania Naviera, in zoverre dat in die zaak beslissend was dat de
legitimate expectationbestond dat de schade-aansprakelijkheidsclaim jegens de Staat zou worden gehonoreerd conform de toen vigerende vaste jurisprudentie. In die situatie verkeerden ook de belanghebbenden.
verweerstelt de Staatssecretaris ad
middel Idat het aankomt op de vraag of een
fair balancetussen de gestelde eigendomsaantasting en het door de wetgever nagestreefde doel in acht is genomen en dat de wetgever daarbij een ruime beoordelingsmarge heeft (HR
BNB2016/163 [11] ). Hij meent overigens dat geen gerechtvaardigde verwachtingen zijn geschonden: voor de periode tussen 29 juni 2018 (brief) en 29 augustus 2018 (herindelings-verzoek) niet omdat de aankondiging van de wetswijziging daarvoor tijdig was [12] en voor de periode vóór 29 juni 2018 niet omdat de belanghebbenden toen slechts een verwachting hadden dat eventueel te veel betaalde premies na indiening van een verzoek mogelijk zouden worden terugbetaald. Zulke verwachtingen hoeven volgens hem niet steeds te worden gehonoreerd. [13] Alleen de werkgevers die op 29 juni 2018 al een verzoek hadden gedaan mochten een beschikking conform het oude recht verwachten: alleen als hangende het verzoek dat verzoek illusoir wordt gemaakt, geldt de bescherming van het EVRM. Belanghebbenden kunnen er niet vanuit gaan dat belasting- en premiewetgeving onveranderd blijft. Hij ziet niet hoe
Pressos Compania Navieraof
Kopecky v. Slovakia [14] dat anders maakt. In
Pressos Compania Navieraging het om ongeclausuleerde, 30 jaar terugwerkende kracht die ook bestaande en afdwingbare aansprakelijkheidsvorderingen gebaseerd op een rechterlijk vonnis doorkruiste. In casu worden lopende verzoeken van vóór 29 juni 2018 echter niet doorkruist, maar conform oud beleid en oude wetgeving afgehandeld.
fair balance, tenzij
specific and compelling reasonsbestonden voor de aantasting van alsdan gerechtvaardigde verwachtingen (HR
BNB2016/163 (crisisheffing), r.o. 2.4.8). Uit de MvT bij de WAB [15] volgt zijns inziens dat dergelijke dwingende redenen bestonden:
shopgedrag van werkgevers te stoppen en retrospectieve herziening complex is omdat zij herrekening van betaalde premies vergt, anders dan prospectieve herziening.
BNB2014/219 en HR
BNB2017/63 volgt volgens de Staatssecretaris dat de
lawfulness-vereisten van precisie en voorzienbaarheid van wetgeving niet inhouden dat de fiscale wetgever bij het bepalen van het tijdstip van inwerkingtreding van nieuwe wetgeving rekening moet houden met de tijd die betrokkenen nodig hebben voor nadeelbeperkende maatregelen. Het vereiste van voorzienbaarheid vergt volgens hem dan ook geen verzachtend overgangsrecht. De belanghebbenden hebben niet tijdig voldaan aan hun wettelijke verplichting om binnen twee weken nadat een vermoeden is gerezen dat de sectorindeling onjuist zou zijn, dat te melden bij de Inspecteur (art. 97(1) Wfsv), hetgeen voor hun risico blijft. Een overgangsregeling of overgangsperiode voor een dergelijk geval acht de Staatssecretaris niet passend.
middel IImeent de Staatssecretaris dat daaraan niet wordt toegekomen, nu uit het falen van middel I volgt dat de Inspecteur vanaf 29 juni 2018 niet meer bevoegd was om de sectorindeling retrospectief ten gunste van de belanghebbenden te herzien.
repliekbetogen de belanghebbenden dat het gegeven dat belanghebbenden er niet van kunnen uitgaan dat de wetgeving onveranderd zal blijven, geen rechtvaardiging is voor het
met terugwerkende krachtveranderen van wetgeving waardoor belanghebbenden een vordering wordt ontnomen. Anders dan de Staatssecretarus achten zij hun casus één op één vergelijkbaar met
Pressos Campania Naviera. Voor een
legitimate expectationachten zij niet vereist dat hun vordering al afdwingbaar is. In
Kopecky vs Slovakia [16] achtte het EHRM, onder verwijzing naar
Pressos Campania Naviera, voldoende dat de vordering ‘would be treated under domestic law and in particular to reliance on the fact that the established case-law of the nation courts would continue to be applied in respect of damage which had already occurred’. De belanghebbenden bestrijden de stelling dat zij wettelijke plichten zouden hebben verzaakt door zich niet meteen, binnen twee weken na een vermoeden van onjuiste sectorindeling, te melden bij de fiscus. Ten eerste heeft die stelling geen feitelijke grondslag, nu niets is vastgesteld over wanneer die termijn dan zou zijn aangevangen; ten tweede legt art. 97(1) Wfsv hen geen plicht op om binnen twee weken te melden, nu uit HR
BNB2018/97 [17] weliswaar volgt dat een verzoek tot wijziging van de sectorindeling gelijk is te stellen aan een verzoek als bedoeld in art. 97(1) Wfsv, maar dat oordeel ziet alleen op de kwalificatie van het verzoek tot herindeling; het zegt niet dat die bepaling van toepassing is op een verzoek tot herindeling.
dupliekmerkt de staatssecretaris op dat HR
BNB2018/97 een verzoek om een nieuwe beschikking sectorindeling als een melding als bedoeld in art. 97(1) Wfsv aanmerkt. Die gelijkschakeling wijst er zijns inziens op dat de tweewekentermijn ook geldt voor een herindelingsverzoek.
Sectoraansluiting ‘van rechtswege’; ‘mededeling’ bij beschikking; formalisering van de materiële premieschuld/vordering
i.e.de afdwingbaarheid van het rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vorderingsrecht. Gegeven de overeenkomstige toepassing van de heffings- en invorderingsregels voor de loonbelasting, kan de Ontvanger de materiële premieschuld, ontstaan uit de aansluiting van rechtswege, niet invorderen zonder een voor bezwaar vatbare (mededelings)beschikking, net zomin als hij een materiële belastingschuld kan invorderen zonder belastingaanslag. [22] Ook zonder formalisering bestaan de premieschuld c.q. het premierestitutierecht, maar (nog) niet afdwingbaar. De sectorindelingsmededelende (herzienings)beschikking is net als de belastingaanslag slechts declaratoir voor wat betreft het bestaan van het vorderingsrecht, maar constitutief voor wat betreft de rechtsvordering.
nietbij beschikking ‘mee te delen’, tenzij de herziening verzoekende werkgever de daarvoor vereiste gegevens niet overlegt. Hoewel bij herziening
ten nadeleook nog een naheffingsaanslag vereist lijkt voordat ingevorderd kan worden, is bij herziening
ten voordeleeen na
heffingsaanslag onzinnig en bestaat de formalisering van het terugvorderingsrecht kennelijk slechts uit de verplichte mededelingsbeschikking. Ook als die beschikking niet wordt gegeven, heeft de verzoekende werkgever overigens een rechtsingang, nl. via art. 6:2 Awb Pro: hij kan zijn recht ook halen op basis van een ingebrekestelling na het niet (tijdig) na het verzoek nemen van die beschikking door de Inspecteur.
ten nadeleis expliciet temporeel begrensd in art. 97(4) Wfsv: maximaal vijf jaar terug. Art. 97(2) Wfsv daarentegen bepaalt slechts dat de Inspecteur meedeelt vanaf welke datum de werkgever op grond van art. 96 Wfsv Pro van rechtswege is aangesloten bij een sector. Voor de hand ligt dat in beginsel de herziening – ten voordele of ten nadele – geschiedt per eerste datum waarop de betrokken werkgever de werkzaamheden doet verrichten die hem van rechtswege in een bepaalde sector indelen. Als de wet daar bij de herziening ten nadele een beperking van vijf jaar aan stelt, ligt het voor de hand daarvan ook uit te gaan bij de herziening ten voordele. Zoals opgemerkt, bepaalde art. 13(3) CSV tot 1 januari 2006 ook expliciet dat “de rechtsvordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde premie verjaart door verloop van vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie is vastgesteld.” Deze bepaling was de inspiratie voor het – inmiddels dus per 2020 ook vervallen – beleid (zie 4.14 hieronder) om herindeling ten voordele te beperken tot maximaal 5 jaar terug: [23]
5.De terugwerkende wetswijziging in de WAB en dier aankondiging
shoppinglijken mij alleszins honorabele doelen. De vraag rijst echter of de gevolgen van het kennelijk bureaucratisch onaanvaardbaar worden van de uitvoeringslasten als gevolg van het laten verouderen van de premiesectorindeling kan worden afgewenteld op een beperkte groep (de in hun nadeel onjuist ingedeelde werkgevers) door hen hun rechtstreekls uit de wet voortvloeiende premierestitutierecht te ontnemen dat desverzocht zou zijn afgewikkeld in overeenstemming met de tot 29 juni 2018 geldende wetgeving, administratieve praktijk en rechtspraak.
legitimate expectationbestond in de zin van de EHRM-rechtspraak over art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM (eigendomsgrondrecht). Ik ga daarom eerst op die rechtspraak in.
6.De eigendomsvraag in de rechtspraak van het EHRM
lawfulis, een
legitimate aimdient en een
fair balancetussen doel en middelen respecteert. In het geval van de belanghebbenden kan twijfel rijzen of aan hun restitutie
claimwel een
legitimate expectationvan realisering verbonden was, nu zij, zoals de Staatssecretaris opmerkt, op 28 juni 2018 nog geen verzoek om herziening hadden gedaan.
Gratzinger and Gratzingerova v. Czech Republic [29] onderscheidt het EHRM twee soorten bezittingen in de zin van art. 1 protocol Pro I: (i) ‘existing possessions’ en (ii) ‘assets, including claims, in respect of which an applicant can argue that he has at least a “legitimate expectation” that they will be realised.’ De loutere hoop of subjectieve verwachting dat een
claim(aanspraak) in het voordeel van de
claimantzal worden beslist, is dus onvoldoende. Een
legitimate expectation‘must be of a nature more concrete than a mere hope’ en moet gebaseerd zijn op (i) ‘a legal provision’ of (ii) ‘a legal act such as a judicial decision’. In casu was van een
judicial decisionnog geen sprake, maar wel van een
legal provision, nl. art. 96(1) juncto art. 97(2) Wfsv).
claimzien, dan is de belanghebbenden met terugwerkende kracht de realiseerbaarheid van hun tot 29 juni 2018 eenvoudig realiseerbare
claimontnomen, zodat de conclusie blijft dat hen
legitimate expectationszijn ontnomen.
Ramaer and Van Willigen v. Netherlands [30] betrof een wijziging in de Nederlandse ziektekostenverzekeringswetgeving waardoor de positie van niet-ingezeten gepensioneerde verzekerden erop achteruit ging omdat zij zich moesten aansluiten bij de basisverzekering in hun woonland in plaats van Nederland en aanvullende verzekering voor eigen rekening moesten nemen. Het EHRM oordeelde dat de verwachting of wens dat hun oude verzekeringscontract zou worden voortgezet, geen
possessionwas en dat hen evenmin een
possessiondoordat hen een reeds ontstane vergoedingsaanspraak uit de oude verzekering zou zijn ontnomen (zij waren kennelijk in goede gezondheid, want zij hadden kennelijk niets geclaimd onder de verzekering dat gekort of ontnomen zou hebben kunnen zijn, of die
claimswerden nog onder het oude contract afgewikkeld):
Whether there was a “possession”
ex legeas from 1 January 2006, to the extent that rights could be derived from them equivalent to those to which they were entitled from that date by the application of Council Regulation (EEC) No. 1408/71 (section 2.5.2(2) of the Health Care Insurance Act (Introduction and Adaptation) Act, (…)). In consequence, to that extent their entitlements were extinguished, as indeed was the corresponding obligation to pay premiums to their insurers.
possession. Hetzelfde geldt als een voorwaarde voor gerechtigdheid verloopt doordat de gerechtigde verzuimt de voor voortduring ervan vereiste handelingen te verrichten, maar hetzelfde geldt niet als een reeds ontstane gerechtigdheid later door de overheid wordt ingetrokken. Het feit dat een recht ingetrokken kan worden, ontneemt dat recht niet zijn eigendomskarakter.
Grobelny v. Poland [31] betrof de intrekking, gedurende 21 maanden, van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat de betrokkene toch niet zo arbeidsongeschikt zou zijn. Het EHRM overwoog:
Moskal v. Poland [32] ging over een moeder die na 30 jaar haar baan had opgezegd nadat haar een vroegpensioen was toegekend om voor haar hulpbehoevende 7-jarige zoon te zorgen. De overheid trok het vroegpensioen echter na tien maanden in omdat zoon volgens die overheid toch geen permanente zorg nodig had. Polen stelde dat van een
possessiongeen sprake was, nu achteraf was komen vast te staan dat mevrouw Moskal geen recht had op het vroegpensioen. Het EHRM overwoog onder meer dat als een Staat een sociale-zekerheidssysteem heeft dat van rechtswege (‘as of right’) rechten toekent aan personen die aan de wettelijke voorwaarden voldoen, dat systeem een ‘proprietary interest’ genereert dat onder art. 1 Protocol Pro I valt voor personen die aan de wettelijke eisen voldoen:
proprietary interesten daarmee een
possessionhadden als zij aan de voorwaarden (teveel betaalde premie als gevolg van een andere indeling dan die van rechtswege) voldeden. Onder die voorwaarden valt niet het doen van een verzoek, nu het restitutierecht ‘van rechtswege’ (‘as of right’) uit de wet volgt doordat de werkgever werkzaamheden in een bepaalde sector heeft doen verrichten en de Inspecteur ook van ambstwege correct moet indelen.
Dangeville c. France [33] betrof de frustratie van een uit EU-recht voortvloeiend recht op teruggaaf van BTW. Frankrijk had de BTW-vrijstelling voor verzekeringsdiensten te laat geïmplementeerd, waardoor Dangeville teveel BTW had betaald. De Franse rechtspraak erkende destijds nog niet de voorrang van EU-recht en toen hij dat eindelijk wel deed, werd Dangeville in haar tweede restitutieprocedure de kracht van gewijsde van het vonnis over haar eerste poging tegengeworpen; de administratie weigerde de al betaalde BTW terug te geven. Gegeven die kracht van gewijsde c.q. formele rechtskracht bestreed Frankrijk dat Dangeville bij haar tweede restitutie-actie nog een
espérance légitimehad die als
bienin de zin van art. 1 Protocol Pro I kon worden aangemerkt. Het EHRM oordeelde echter dat Dangeville wél een dergelijke
espérance légitimehad:
Intersplav v. Ukraine [34] betrof een uit de wet voortvloeiend recht op teruggaaf van BTW dat geformaliseerd moest worden in een certificaat, afgegeven door de belastingdienst of door een belastingrechter, dat het recht op teruggaaf bevestigde, voordat gerestitueerd werd. Beide instanties weigerden echter het certificaat af te geven. Het EHRM overwoog:
proprietary interesten daarmee een
possessionbestaat als aan de voorwaarden in het nationale recht voor teruggaaf is voldaan. Net als de Inspecteur in de zaken van onze belanghebbenden, konden de Oekraiense autoriteiten de formalisering op verzoek van het rechtstreeks uit de wet en de feiten voortvloeiende restitutierecht niet weigeren.
Bulves AD v. Bulgaria [35] oordeelde het EHRM dat als een belastingplichtige voldaan heeft aan de wettelijke voorwaarden voor BTW-teruggaaf en hij dus op basis van het nationale wet daarop recht heeft, hij een
legitimate expectationvan restitutie heeft en daarmee een
possessionin de zin van art. 1 Protocol Pro I EVRM.
moetenvolgen. In plaats daarvan is hen de formalisering en daarmee de afdwingbaarheid van hun materiële restitutierecht ontnomen.
legitimate expectationsdie het EHRM onderscheidt. In onder meer
Béláné Nagy v. Hongarije [36] gaf het EHRM invulling aan de
legitimate expectationdat een
claimgerealiseerd zou worden:
Pine Valley Developments [37] betrof een projectontwikkelaar die op 15 november 1978 grond kocht in de verwachting, gebaseerd op de modelomgevings-vergunning gepubliceerd in de daartoe aangewezen openbare
data base, dat daarop industriële opslagplaatsen en kantoorruimten konden worden gebouwd. De vergunning was op 10 maart 1977 verleend aan de verkoper in een eerder door die verkoper aangespannen procedure tegen de weigering ervan door de
planning authority. Een kleine twee jaar na de aankoop door
Pine Valley,op 15 september 1980, weigerde die
planning authorityechter alsnog om
Pine Valley’s op die vergunning gebaseerde grondontwikkelingsplan te accorderen. Op het beroep van
Pine Valleybeval het
High Courteen jaar later dat wel degelijk toestemming moest worden verleend. Op het hogere beroep van de
planning authorityoordeelde het
Supreme Courtechter op 5 februari 1982 dat de aanvankelijke, aan de verkoper afgegeven omgevingsvergunning destijds onbevoegdelijk was gegeven en daarom nietig was. De grond kon daardoor niet kon worden ontwikkeld en kon uiteindelijk in juni 1988 door
Pine Valleyslechts verkocht worden met een verlies ad IRP 500.000. Het EHRM overwoog op de klachten van
Pine Valleydaarover:
legitimate expectationsin twee soorten onderscheidt: (i) een verwachting die vastzit aan een (andere) eigendom (‘a component of, or attached to, a property right’), zoals de gerechtvaardigde verwachting van
Pine Valleydat de gekochte grond ontwikkeld kon worden, en (ii) een verwachting dat vorderingen worden afgewikkeld op basis van de bij het ontstaan ervan geldende wetgeving en rechtspraak (‘not in itself constitutive of a proprietary interest’, maar ‘relating to the way in which the claim qualifying as an “asset” would be treated under domestic law and in particular to reliance on the fact that the established case-law of the national courts would continue to be applied in respect of damage which had already occurred’, zoals in
Pressos Compania Naviera). Maakt de wetgever na het ontstaan van de vordering die vordering met terugwerkende kracht illusoir, dan is dat een ontneming van eigendom. Gerverdinck schrijft daarover:
4.3.2 Twee typen legitimate expectations
Kopecký v. Slovakia [39] heeft het EHRM uiteengezet dat er twee typen
legitimate expectationskunnen worden onderscheiden. Het eerste type is aan de orde gekomen in de zaak
Pine Valley Developments Ltd and Others v. Ireland. [40] (….). In
TRGO v. Croatia [41] overwoog het EHRM over dit type van
legitimate expectations:
Pine Valley Developments Ltd and Others v. Irelandde
possession, maar werd door het afgeven van de vergunning de verwachting gewekt dat het land zou mogen worden ontwikkeld. De vergunning vormde een integraal onderdeel (
“a component part”) van de eigendom van het land. Bij dit type
legitimate expectations gaat het er om dat de overheid gewekte verwachtingen op basis waarvan de burger financiële verplichtingen is aangegaan niet zomaar mag schenden als de burger daardoor schade lijdt. In het Nederlandse bestuursrecht bestaat als parallel de dispositieschade als voorwaarde voor honorering van vertrouwen dat contra legem is gewekt. Op belastinggebied kan dit type
legitimate expectationeen rol spelen in gevallen waarin de wetgever een begunstigende fiscale regeling afschaft met terugwerkende kracht of zonder te voorzien in eerbiedigende werking voor bestaande gevallen. De fiscale gevolgen van een rechtshandeling zijn in zo een geval anders dan door een belastingplichtige kon worden voorzien op het moment van aangaan van de financiële verplichting. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als de wetgever zou besluiten om met onmiddellijke ingang voor iedereen met een eigen woning de hypotheekrenteaftrek af te schaffen, zonder te voorzien in eerbiedigende werking voor reeds lopende financieringen of overgangsrecht. Belastingplichtigen zien zich dan plotseling geconfronteerd met een heel andere fiscale behandeling van hun hypotheekrente dan door hen kon worden voorzien bij de aankoop van de eigen woning. Betoogd zou kunnen worden dat de aftrekbaarheid van hypotheekrente een
legitimate expectationvormt van de soort in Pine Valley Developments. Niet alle verwachtingen die een belastingplichtige heeft ten aanzien van de fiscale behandeling van bezittingen vormen echter
legitimate expectations. Een kenmerk van belastingwetgeving is dat deze regelmatig verandert. Belastingplichtigen moeten er dan ook tot op zekere hoogte rekening mee houden dat gunstige regelingen afgeschaft kunnen worden. [42] Een belangrijke factor bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van verwachtingen van belastingplichtigen is de mate van veranderlijkheid van belastingwetgeving. Van een regel die al lange tijd ongewijzigd bestaat (zoals in Nederland de hypotheekrenteaftrek) zal minder snel worden verwacht dat deze wordt gewijzigd dan een regel die met enige regelmaat aan verandering onderhevig is. Als wetgeving die al jaren bestaat ten nadele van de belastingplichtige wordt aangepast, zal daarom eerder sprake zal zijn van geschonden gerechtvaardigde verwachtingen. Schuver-Bravenboer wijst erop dat met name regels die voortdurend worden aangepast aan economische of maatschappelijke ontwikkelingen en fiscale stimulerings- en ontmoedigingsregels die hun oorsprong vinden in niet-fiscale beleidsdoelstellingen veranderlijk zijn. [43] Als dit soort regels ten nadele van de belastingplichtige worden gewijzigd, zal deze waarschijnlijk niet met succes kunnen stellen dat
legitimate expectations zijn geschonden, zodat artikel 1 Eerste Pro Protocol niet van
legitimate expectationswas onder meer aan de orde in
Pressos Compania Naviera v. Belgium, [44] waarin de Belgische wetgever na veroordeling van de Belgische Staat in schade-aansprakelijkheidsprocedures voor fouten van havenloodsen in staatsdienst met terugwerkende kracht staatsaansprakelijkheid voor dergelijke fouten uitsloot. De gelaedeerde scheepseigenaren meende dat hun schadevergoedingsvorderingen als
possessionsonder art. 1 protocol Pro I vielen omdat
legitimate expectations:
legitimate expectationwas aan de orde in
Pressos Compania Naviera S.A. and
legitimate expectationhadden dat hun vorderingen uit onrechtmatige overheidsdaad zouden worden afgehandeld volgens de op het moment van het ontstaan van de vordering geldende aansprakelijkheidsrecht. In
Kopecký v. Slovakiakarakteriseert het EHRM dit type
legitimate expectationals volgt: [46]
legitimate expectationvan het type als aan de orde in
Pressos Compania Naviera S.A. bestaat uit de verwachting dat vorderingen worden afgehandeld op basis van de ten tijde van het ontstaan van die vordering (ten tijde van het lijden van de schade) geldende wetgeving en jurisprudentie. Als de wetgever na het ontstaan van de vordering ingrijpt en met terugwerkende kracht het bestaan van de vordering ongedaan maakt, vormt dat een ontneming (en dus niet een regulering) van eigendom. In de belastingzaak
Joubert c. France [47] had de rechter in eerste aanleg beslist dat een belastingaanslag onbevoegd was opgelegd. Daarmee was bij de belanghebbenden de
legitimate expectationontstaan dat zij een vordering op de fiscus hadden tot terugbetaling van de ten onrechte (want onbevoegd) nagevorderde belasting. Doordat de wetgever vervolgens het bevoegdheidsgebrek van de Franse belastingdienst met terugwerkende kracht repareerde, werd inbreuk gemaakt op de eigendom van de belanghebbenden. Ook in deze zaak kwalificeerde het EHRM de inbreuk als een ontneming van eigendom. De hiervoor genoemde belastingzaak
Huitson
Pressos Compania Naviera S.A.en
Joubert, want ook in die zaak greep de wetgever met terugwerkende kracht in en ontnam de belastingplichtige daarmee een beweerdelijke claim op de belastingautoriteiten (in dat geval een recht op voorkoming van dubbele belasting), maar in
Huitsonliet het EHRM expliciet in het midden of zich een
legitimate expectationvoordeed omdat het om een verdragsmisbruiksituatie ging en onbekend was of de fiscus de zaak niet ook zonder wetswijziging gewonnen zou hebben.”
7.De eigendomsvraag in de rechtspraak van de Hoge Raad
BNB2018/116 [48] betrof de vraag of de verwachting van verrekening van een bij beschikking vastgesteld voorwaarts verrekenbaar fiscaal verlies een eigendom is in de zin van art. 1 Protocol Pro I. U ging aan die vraag voorbij omdat u bekorting van onbeperkte voorwaartse verliesverrekening binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever vond liggen, maar u gaf wel een hint:
Pine Valley Developments, Pressos Compania Naviera v. Belgiumen
National & Provincial Building Society a.o. v UK [49] ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een voorwaardelijk vorderingsrecht geen
possessionis zolang de voorwaarde niet is vervuld. In casu gold volgens u kennelijk dat nog onvervuld was de voorwaarde dat in de toekomst voldoende winst zou worden gemaakt om het verlies te kunnen verrekenen en dat vervulling van die voorwaarde verre van zeker was. Dat zou overigens betekenen dat ook algehele afschaffing van voorwaartse verliesverrekening door de grondrechtelijke beugel kan (mits dat niet gebeurt met terugwerkende kracht, i.e. met blokkering of ongedaanmaking van verrekening met reeds gemaakte winsten).
BNB2018/126) meende dat u duidelijker had kunnen zijn en dat de aanspraak op voorwaartse verliesverrekening geen eigendom is omdat hij afhangt van toekomstige winst en toekomstige wetgeving en omdat hij niet overdraagbaar is:
8.Beoordeling van de middelen
Pressos Compania Naviera SAeen vorderingsrecht terugwerkend is ontnomen in strijd met de
legitimate expectationdat hun premierestitutierecht zou worden afgewikkeld volgens de vóór 29 juni 2018 heersende wetgeving en rechtspraak. De belanghebbenden baseren het bestaan van hun vorderingsrecht op het huns inziens ontbreken van twijfel dat hun verzoeken om indelingsherziening gehonoreerd zouden zijn als zij die vóór 29 juni 2018 hadden ingediend. Net als in
Pressos Compania Navieragaat het volgens hen om feiten die in het verleden zijn voorgevallen en die van rechtswege een vorderingsrecht deden ontstaan.
claimhadden én een
legitimate expectationvan honorering daarvan in de zin van de in onderdeel 6 behandelde rechtspraak van het EHRM. Hun – hier veronderstelde -
claimskunnen mijns inziens als
assetworden beschouwd, en de vraag of zij de
legitimate expectationhadden dat die
claimsafgewikkeld zouden worden volgens het vóór 29 juni 2018 geldende recht, lijkt mij zonder meer bevestigend beantwoord te moeten worden. Sterker nog: juist het bestaan van die
legitimate expectationswas de aanleiding voor de wetgever om zijn wetswijziging retro-actief te maken: het verklaarde doel was
juistom te voorkomen dat terechte premierestitutie-
claimsgehonoreerd zouden moeten worden. Niet in geschil is dat vóór 29 juni 2018 het uit de toen geldende wet volgende materiële premieretitutierecht tot vijf jaar terug zonder meer op verzoek geformaliseerd werd. Evenmin is in geschil dat
alsde belanghebbenden hun werkzaamheden in alle vijf voorafgaande jaren in de sectoren 10 resp. 11 hebben doen uitvoeren, zij er op basis van de vóór 29 juni 2018 vigerende wetgeving en rechtspraak gerechtvaardigd op konden vertrouwen dat hun
claimszouden worden gehonoreerd. De rechter zou hen in geval van weigering gelijk hebben gegeven als zij voldoende bewijs van de aard van de verrichte werkzaamheden zouden hebben overgelegd.
possessionsgaat. Of dat het geval is, hoeft niet uitgezocht te worden als de terugwerkende ingreep van de wetgever
lawful,
legitimateen
balancedwas. Zoals hieronder zal blijken, meen ik echter dat de ingreep niet
balancedwas bij gebrek aan
specific and compelling reasonsvoor de ontneming van eigendom, zodat de zaken verwezen moeten worden om zeker te stellen dat de belanghebbenden op basis van de door hun personeel in 2003-2008 verrichte werkzaamheden van rechtswege aanspraak hadden op premierestitutie.
lawfulomdat hij vóór 29 juni 2018 niet voorzienbaar was. Hoewel de belanghebbenden uiteraard gelijk hebben dat de terugwerkende kracht niet was te voorzien – dat was juist de bedoeling ervan:
voorkomingdat werkgevers de terugwerkende afschaffing van de terugwerkende herindeling zouden voorzien - meen ik dat het onderdeel strandt, omdat het EHRM de niet-voorzienbaarheid van temporeel terugwerkende belastingwetgeving onder de
fair balancetoets en niet onder de
lawfulnesstoets beoordeelt, denkelijk omdat temporeel terugwerkende belastingwetgeving ander per definitie vrijwel altijd
unlawfulzou zijn hoewel er goede redenen kunnen zijn voor retro-actieve invoering van belastingwetgeving. [52] De terugwerkende WAB was duidelijk, precies en in zijn gevolgen voorzienbaar vanaf het moment van aankondigen ervan. De vraag of dat ook een fatsoenlijk resultaat oplevert, komt pas aan de orde bij de
fair balancebeoordeling. In het crisisheffingarrest HR BNB 2016/163 [53] beoordeelde u de doorkruising van de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokken werkgevers dan ook niet onder de
lawfulness-toets, maar onder de
fair balancetoets.
eisen, desnoods via art. 6:2 Awb Pro, dat zij daarin ingedeeld werden. De Inspecteur kan immers evenmin verweten worden dat hij niet meteen herziet of navordert als er aanwijzingen zijn dat daar aanleiding voor kan bestaan, maar dat pas doet tegen het einde van de vijfjaarstermijn; de wet geeft hem nu eenmaal vijf jaar. Evenmin kan de door een onrechtmatige daad gelaedeerde verweten worden dat hij pas tegen het einde van de vijfjaarsverjaringstermijn zijn rechtsvordering tegen de laedens instelt. Dat is nu juist de essentie van een verjaringstermijn. Dat kan alleen anders zijn als het bij het talmen om misbruik van recht zou gaan, maar daarvan is geen sprake.
fair balancetussen doel en middel ontbreekt, nu het gaat om materieel tot ver voorbij de aankondigingsdatum terugwerkende kracht en geen sprake kan zijn van het door de wetgever gestelde
shopgedrag, nu het om niet meer beïnvloedbare feiten uit het verleden gaat. Onder meer EHRM
Plaisier BV [55] eist voor een dergelijke materieel (ver) terugwerkende kracht
specific and compellingreasons, die in casu ontbreken, aldus het onderdeel. Ook de door de wetgever aangevoerde gevreesde werklastverzwaring voor de belastingdienst achten de belanghebbenden niet relevant, althans niet
specific and compellingals grond voor terugwerkende kracht.
BNB2011/47 (
PC privé): [56]
N.K.M. v. Hungary [58] over materieel terugwerkende excessieve belasting over een ontslagvergoeding:
Plaisier BV v. Netherlands, [59] over de Nederlandse crisisheffing met terugwerkende kracht, overwoog het EHRM:
fair balancetoets beperkt tot de marginale toets of van de vrees van de wetgever voor capaciteitsproblemen bij de fiscus al dan niet kan worden gezegd dat die elke redelijke grond ontbeert. Die maatstaf lijkt mij, gezien de hierboven geciteerde rechtspraak, rechtskundig onjuist. Er zullen voor effectieve ontneming van de – hier veronderstelde – vorderingsrechten van de belanghebbenden
specific and compelling reasonsmoeten bestaan zoals die in de hierboven geciteerde rechtspraak, c.q. ‘an obvious and compelling public interest’, zoals het EHRM het formuleerde in de zaak
Building Societies, over terugwerkende kracht van herstel van een technisch gebrek in fiscaal overgangsrecht, nodig om volstrekt onverdiende belastingteruggavan van in totaal £ 15 miljard (1991) te voorkomen.
shopgedrag van hen is niet gebleken; het is ook niet gesteld. Mogelijk
shopgedrag van andere werkgevers kan mijns inziens niet bestreden worden door niet-
shoppendewerkgevers hun premierestitutierecht te ontnemen; sector
shoppingdoor andere werkgevers kán immers niet voorkomen of hersteld worden door
niet-shoppende werkgevers met terugwerkende kracht hun wettelijk correcte aansluiting te ontzeggen. Dat middel is voor het gestelde doel (
shopgedrag voorkomen) evident ongeschikt en daarmee willekeurig en onredelijk.
Huitson [60] is al helemaal geen sprake. Worden de belanghebbenden alsnog correct ingedeeld volgens de rechtstreeks uit de wet voortvloeiende sectoraansluiting, dan doet zich evenmin een volstrekt ongerechtvaardigde enorme
windfall profitvoor door een technisch gebrek in overgangsrecht, zoals in de zaak van de
Building Societies, [61] voor wie de bedoeling van de Britse belastingwet steeds volstrekt duidelijk was geweest. Integendeel: correcte premiesectoraansluiting van de belanghebbenden herstelt juist een volgens de wet onregelmatige toestand. Evenmin gaat het in casu om het ondervangen van antifiscale opportunistische wijziging van contracten in anticipatie op een aan het parlement voorgestelde tariefsverhoging, zoals in de zaak
M.A. and 34 Others v. Sweden; [62] integendeel: in termen van dat EHRM-arrest zijn onze belanghebbenden ‘pure cases’,
i.e.gevallen waarin niet antifiscaal aan de uitoefenperiode van rechten is gemorreld; het is immers juist de Staat die aan de uitoefenmogelijkheden van de bestaande wettelijke rechten van de belanghebbenden heeft gemorreld. En tenslotte is evenmin sprake van enige dringende politieke noodzaak voor Nederland ‘to meet its obligations under European Union law without delay, in circumstances aggravated by a financial and economic crisis of a magnitude seldom seen in peacetime’, zoals in de crisisheffingszaak
Plaisier BV. [63]
shopgedrag van anderen heeft de wetgever in wezen alleen capaciteitsproblemen bij de fiscus aangevoerd als grond voor de aantasting van
legitimate expectationsdoor de retro-actieve werking van de WAB. Die capaciteitsproblemen zijn volgens de medewetgever ontstaan doordat de premiesector-indeling sterk is verouderd en daardoor de huidige economie niet meer weerspiegelt, wat “een steeds groter hoofdpijndossier” opleverde voor de belastingdienst. Die hoofdpijn zat in “een sterke toename van het aantal aanvragen tot herindeling” en het aantal bezwaar- en , beroepszaken over indelingsbeschikkingen. “Kortom”, aldus de samenvatting in de boven geciteerde aankondigingsbrief: “de uitvoering van de sectorindeling legt een onverantwoord groot beslag op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst.”
shoppingdoor anderen dan de belanghebbende ontstonden, lijken mij echter in de risicosfeer van de overheid te liggen. Uit
Bogdel v. Lithuania [64] volgt dat
good governanceeist dat fouten van de overheid voor heer rekening blijven. Hoe dan ook zie ik in die zelf afgeroepen werkbelasting geen dwingende (
compelling) reden voor ontneming van eigendom. De
managerialgevolgen, hoe bureauratisch hinderlijk ook, van de verwaarlozing van het sectorstelsel door de regering zijn geen rechtvaardiging voor afwenteling op een in dat kader willekeurige groep werkgevers, nl. de in hun nadeel verkeerd ingedeelden. Evenmin zie ik een dwingende reden om de gevolgen van vrees voor een groot aantal valreep-herindelingsverzoeken, hoe terecht ook, met terugwerkende kracht op alleen hen af te wentelen. Dat er mogelijk veel
onterechte verzoeken zouden binnenkomen, is mijns inziens geen dwingende reden om de eigendomsrechten van de
terechteverzoekers te schenden. Dat er mogelijk veel
terechteverzoeken zouden binnenkomen, is te minder reden om honorering daarvan te verbieden. De wetswijziging betekent in wezen dat werkgevers een vordering uit onverschuldigde betaling voor de volle verjaringstermijn is ontnomen omdat de (lagere) wetgever een bij nader inzien onuitvoerbaar premieheffingssysteem had bedacht en dat bovendien had laten versloppen.
fair balancewas geschonden mede ten grondslag minder eigendomsaantastende mogelijkheden bestonden om het gestelde doel te bereiken. [65]
claimsvan de belanghebbenden
possessionszijn, waarvoor beslissend is in welke premiesector zij op basis van de toen door hun werknemers verrichte werkzaamheden van rechtswege ingedeeld waren tussen 1 januari 2013 en 29 augustus 2018. De (gewone) bewijslast ligt daarbij op de belanghebbenden.
legitimate expectationsniet in de weg staan aan ontneming van een
wettelijkterugvorderingsrecht, staan zij te minder in de weg aan wettelijke terugwerkende afschaffing van restitutie
beleid.