Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:247

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
25/00148
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31a lid 2 letter e Wet LB 1964Art. 31a lid 7 Wet LB 1964Art. XIV Belastingplan 2019Art. 10ec UBLBArt. 10ea lid 1 UBLB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verkorting maximale looptijd 30%-regeling loonbelasting

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake de inhouding van loonbelasting over de eerste helft van 2021. De zaak betrof de toepassing van de 30%-regeling, waarbij de maximale looptijd was verkort, ook al was eerder een beschikking met een langere looptijd afgegeven.

De Hoge Raad overwoog dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling rechtmatig is en dat dit ook geldt in gevallen waarin eerder een beschikking met een langere looptijd is verleend. Daarbij werden de zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginselen betrokken in de beoordeling.

Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard, waarbij de Hoge Raad zich aansloot bij de motivering in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:124). Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee staat vast dat de looptijd van de 30%-regeling niet onherroepelijk vaststaat indien geen bezwaar is gemaakt tegen de beschikking.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/00148
Datum13 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X6] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 december 2024, nrs. 24/3136 tot en met 24/3141 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 21/5087 tot en met HAA 21/5092), betreffende de inhouding van loonbelasting over de tijdvakken januari, februari, maart, april, mei en juni 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.R. Hauser en M. van den Beucken, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 14 november 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]

2.Beoordeling van het middel

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 25/00146, ECLI:NL:HR:2026:124.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.