ECLI:NL:HR:2026:124
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verkorting maximale looptijd 30%-regeling ondanks eerdere langere beschikking
Belanghebbende, een werknemer die vanuit het buitenland naar Nederland is gekomen, maakte aanspraak op de 30%-regeling op basis van een beschikking die een looptijd van tien jaar omvatte. Na een wetswijziging per 1 januari 2019 werd de maximale looptijd van deze regeling verkort tot vijf jaar, met een overgangsregeling die een kortere looptijd voorschreef voor bestaande gevallen.
Belanghebbende betwistte de rechtmatigheid van deze verkorting en stelde dat de eerdere beschikking onherroepelijk was, waardoor de langere looptijd zou moeten gelden. Zowel de Rechtbank Noord-Holland als het Gerechtshof Amsterdam oordeelden dat de verkorting van de looptijd niet onrechtmatig is en dat de tweede beschikking, die een kortere looptijd voorschreef, onherroepelijk was omdat daartegen geen bezwaar was gemaakt.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en verklaart het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad benadrukt dat de 30%-regeling slechts kan worden toegepast indien een geldige beschikking is afgegeven en dat de verkorting van de maximale looptijd wettelijk is geregeld. De eerdere langere beschikking is niet onherroepelijk geworden doordat geen bezwaar is gemaakt tegen de latere beschikking met kortere looptijd.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de proceskosten aan de wederpartij toe te wijzen en bevestigt daarmee de geldende wettelijke regeling en de rechtspraak van lagere instanties.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling rechtsgeldig is.