Conclusie
1.Inleiding en overzicht
in het kader van de (individuele) schending-maatstaf(6.9-6.10). De vraag of een belastingplichtige in zijn EVRM-rechten is geschonden gaat immers
voorafaan de vraag op welke wijze rechtsherstel wordt geboden. Bovendien is het begrip werkelijk behaalde rendement in het kader van de schending-maatstaf – anders dan nu (nog?) in het kader van het rechtsherstel – onderdeel van de norm.
nietwat ik de Hoge Raad adviseer.
als regelformuleert dat rechtsherstel inhoudt dat het werkelijk behaalde rendement in de heffing wordt betrokken. Ik zie dit niet als een ‘omgaan’ omdat er relevante ontwikkelingen zijn geweest zowel bij de wetgever (geen adequaat rechtsherstel) als bij de feitenrechters (deze zijn al feitelijk als regel voor het rechtsherstel gaan hanteren dat het werkelijk behaalde rendement in de heffing wordt betrokken).
niettot een lager voordeel uit sparen en beleggen) of – kort gezegd – de Herstelwet meebrengt dat het forfaitaire stelsel niet (langer) tot schending van het EVRM leidt en, zo nee, wat de gevolgen daarvan zijn (5.17-5.30). Voor het tweede gevalstype (de Herstelwet leidt
weltot een lager voordeel uit sparen en beleggen) doe ik daarna hetzelfde (5.31-5.37).
2.Ontwikkelingen sinds het kerstarrest
3.Het kerstarrest
belegt, hetzij risicomijdend, hetzij risicozoekend maar onsuccesvol (zie 3.5-3.7).
excessive burden) ondervindt van de heffing. Evenmin kan worden gezegd dat de schending-maatstaf zodanig is vastgesteld dat daarin besloten ligt dat zo’n buitensporig zware last zich voordoet. [44] Dat een buitensporig zware last geen rol speelt, [45] valt op in het licht van eerdere jurisprudentie over box 3. [46] Het valt ook op in het licht van EHRM-jurisprudentie. Zelfs in de Hongaarse ontslagvergoedingszaken – die in die zin gelijkenissen vertonen met het kerstarrest vertonen dat het EHRM ogenschijnlijk de desbetreffende belastingmaatregel in het algemeen (dus op stelselniveau) problematisch achtte [47] – is het oordeel van het EHRM dat art. 1 EP Pro is geschonden uiteindelijk erop gebaseerd dat “the measure complained of entailed an excessive and individual burden on the applicant’s side”. [48] Dit (ogenschijnlijke) verschil met de EHRM-jurisprudentie valt te meer op, aangezien de Hoge Raad de op art. 120 Grondwet Pro gebaseerde lijn volgt, dat, voor zover het gaat om wetgeving in formele zin, de Nederlandse rechter niet meer rechtsbescherming kan bieden dan minimaal nodig is op grond van rechtspraak van het EHRM. [49]
wide margin of appreciationdie toekomt aan de wetgever: [59]
4.Herstelbesluit en Herstelwet: temporele werking
Rechtsherstel
5.Herstelwet: systematiek en gevalstypen
Het rechtsherstel volgens de Herstelwet
belastingwettelijke rendementwanneer ik doel op het voordeel uit sparen en beleggen zoals het wordt vastgesteld volgens de Wet IB 2001. Wanneer ik daarentegen doel op het voordeel uit sparen en beleggen zoals het wordt vastgesteld volgens de Herstelwet, spreek ik over het
herstelwettelijke rendement.
laagstevan de drie rendementen. Dit heeft als reden dat in dat geval zich niet een schending van het eigendomsrecht en het discriminatieverbod voordoet (vgl. 3.22).
laagstevan de drie. Ook dan heeft de desbetreffende belastingplichtige niet te klagen. Óf de belastingplichtige krijgt rechtsherstel, terwijl er niet eens een EVRM-schending was waarvoor hersteld moet worden. De reeds geprivilegieerde krijgt een extra privilege. Dat is het geval indien het werkelijk behaalde rendement hoger is dan het belastingwettelijke rendement. Óf de belastingplichtige was wel slachtoffer van een EVRM-schending (indien het werkelijk behaalde rendement lager is dan het belastingwettelijke rendement) maar als gevolg van de Herstelwet is daarvan niet langer sprake wat betreft de belasting (omdat het herstelwettelijk rendement niet hoger is dan het werkelijk behaalde rendement).
anderen, zoals een belastingplichtige met jaar in jaar uit een ondergemiddeld rendement op beleggingen. Het ontgaat mij ook hoe het ontbreken van een fijnmaziger onderscheid in vermogenscategorieën haar ertoe brengt niet uit te gaan van het onderscheid dat de aangifte wel biedt en in plaats daarvan alle andere bezittingen dan spaargeld toe te rekenen aan één en dezelfde categorie ‘overige bezittingen’. [112] Ook aan deze passage in de memorie van toelichting kan ik dus geen valide argument ontlenen waarom degenen bij wie het forfaitaire stelsel leidt tot een schending van het EVRM beoordeeld naar de schending-maatstaf van het kerstarrest, niet langer meer worden zouden worden geconfronteerd met een EVRM-schending, terwijl datzelfde stelsel bij hen nog toepassing vindt.
Met de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het nieuwe box 3-inkomen wordt naar redelijkheid op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel geboden. Daaraan doet niet af dat in een individueel geval, zoals in de voorliggende situatie, de nieuwe berekening niet leidt tot een vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting. Het Hof heeft dan ook ten onrechte het box 3-inkomen vastgesteld naar het werkelijk behaalde rendement en de onderhavige aanslag dienovereenkomstig verminderd.
nietafgeweken wordt van de regels van de Wet IB 2001, wat impliceert dat het met het EVRM onverenigbaar geachte forfaitaire stelsel nog steeds ten grondslag ligt aan dat voordeel. Dus: hoezo “daaraan doet niet af”?
nietin afwijking van de Wet IB 2001 wordt vastgesteld op basis van de nieuwe berekeningswijze. Dit is echter slechts wetstechniek. Deze wetstechniek betekent in het bijzonder
nietdat het (ongewijzigde) voordeel uit sparen en beleggen moet worden gezien als te zijn gebaseerd op het forfaitaire stelsel van de Wet IB 2001. Aan dat voordeel uit sparen en beleggen ligt namelijk wel degelijk het nieuwe stelsel van de Herstelwet ten grondslag, zij het dat het voordeel om redenen van rechtszekerheid is gemaximeerd op het voordeel op basis van het forfaitaire stelsel van de Wet IB 2001. Dat dit laatste forfaitaire stelsel volgens de Hoge Raad niet verenigbaar met het EVRM is, brengt daarom niet mee dat heffing over dat voordeel (ook al is dat hoger dan werkelijk behaalde rendement) tot een EVRM-schending leidt. Volgens het wel met het EVRM verenigbare nieuwe stelsel van de Herstelwet zou het voordeel immers zelfs hoger kunnen worden vastgesteld, zo eindigt de redenering. Deze redenering zou de Staatssecretaris echter ook niet kunnen baten, nog ervan afgezien dat de redenering afwijkt van de tekst en systematiek van art. 1(3) in verbinding met art. 1(2) Wet IB 2001 en zij in hoge mate speculatief is (ik heb haar niet kunnen destilleren uit wat de Staatssecretaris aanvoert in cassatie). Zoals hierna (5.34) aan de orde komt, is namelijk (ook) de Herstelwet op stelselniveau niet verenigbaar met het EVRM, waarmee de basis ontvalt aan de redenering.
6.Het begrip ‘werkelijk behaalde rendement’: enige algemene kwesties
eerste puntvan spanning in het kerstarrest betreft de verhouding tussen de Hoge Raad en de feitenrechters, welke spanning ermee verband houdt dat het begrip ‘werkelijk behaalde rendement’ terugkomt in zowel de schending-maatstaf als de overwegingen over het rechtsherstel. Het ligt in de rede – gelet op alle drie van zijn taken – dat de Hoge Raad toezicht op de feitenrechters houdt bij toepassing van de schending-maatstaf, met name of een feitenrechter daarbij niet uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Aangezien een van de twee grootheden van de schending-maatstaf het ‘werkelijk behaalde rendement’ is, ligt het in de rede dat dit toezicht zich ook uitstrekt tot het oordeel van de feitenrechter over het ‘werkelijk behaalde rendement’ in het voorliggende geval. De rol van de Hoge Raad bij de op rechtsherstel gerichte compensatie lijkt daarentegen als uitgangspunt veel beperkter te zijn. [118] De Hoge Raad heeft immers overwogen dat “de rechter de omvang [van de compensatie] in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen”. De Hoge Raad heeft (dan ook) verder geen regel gegeven voor die vaststelling naar redelijkheid. Dit een en ander duidt erop dat het vaststellen van de hoogte van de compensatie als uitgangspunt ligt op het terrein van de feitenrechter. Een oordeel van de feitenrechter daarover lijkt dan ook in cassatie maar beperkt te kunnen worden getoetst (vgl. 6.11 hierna). De vraag is echter of dat ook zo is indien de feitenrechter – net zoals de Hoge Raad in het kerstarrest heeft gedaan – rechtsherstel biedt door te bepalen dat alleen het werkelijk behaalde rendement in de heffing wordt betrokken. Dat begrip ‘werkelijk behaalde rendement’ is immers onderdeel van de schending-maatstaf ter zake waarvan de Hoge Raad (mogelijk) meer toezicht houdt. Ik kom daarop terug in onderdeel 8.
tweede puntvan spanning in het kerstarrest betreft de verhouding tussen de rechter en de wetgever. Die spanning is nadrukkelijker (dan wellicht op het eerste gezicht toescheen na het kerstarrest) aan de oppervlakte gekomen door de (begrijpelijke) wijze waarop de feitenrechters invulling hebben gegeven aan de op rechtsherstel gerichte compensatie. Die spanning zit in het volgende. In het kerstarrest heeft de Hoge Raad expliciet tot uitdrukking gebracht dat “aanknopingspunten aan de hand waarvan de rechter binnen het bestaande wettelijk stelsel zou kunnen vaststellen hoe de geconstateerde schending van het recht op ongestoord genot van eigendom valt op te heffen, (…) in dit geval niet voorhanden [zijn]” en dat “[h]et formuleren van een daartoe geschikte rechtsregel en de in dat verband te maken keuzes, (…) de Hoge Raad, gelet op de te dezen geboden terughoudendheid, aan de wetgever [dient] over te laten” (zie 3.24). Niet valt in te zien dat dit laatste niet evenzeer zou gelden voor de feitenrechter. De feitenrechtspraak heeft echter een dynamiek laten zien die een andere richting opgaat.
geboden dient te worden, door aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement (…)”
niet meer hoort te worden belastdan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van directe, gerealiseerde vermogensopbrengst (…).
geen plaats isvoor het in aanmerking nemen van ongerealiseerde vermogenswinsten waarvan het in het geheel niet zeker is of de winst zich daadwerkelijk voor zal doen.”
in het kader van de schending-maatstaf. Ten eerste, als gezegd, de vraag of een belastingplichtige in zijn EVRM-rechten is geschonden, gaat vooraf aan de vraag op welke wijze rechtsherstel wordt geboden. Ten tweede, belangrijker in dit verband, het begrip werkelijk behaalde rendement is onderdeel van de schending-maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd. Het is dus onderdeel – een bestanddeel – van een rechtsnorm. Daarentegen maakt het begrip geen onderdeel uit van de door de Hoge Raad geformuleerde rechtsbeschermingsnorm van een op rechtsherstel gerichte compensatie. Het werkelijk (behaalde) rendement komt niet terug in die norm, maar ‘slechts’ als element bij de toepassing door de Hoge Raad zelf van die norm in het voorliggende geval.
Noblesse oblige, zou men kunnen zeggen.
watvalt onder het werkelijk behaalde rendement) is als uitgangspunt zeer goed te onderscheiden van het feitelijke aspect (
de hoogtevan een tot het werkelijk behaalde rendement behorend element).
tegeneen grote rol van de Hoge Raad als wel dat een potentieel factor ontbreekt die
vooreen grote rol pleit.
wattot dat rendement behoort. Ik schrijf ‘als uitgangspunt’, omdat bedacht dient te worden dat het bij de leidende rol niet om een volledig zwart-wit-kwestie gaat, en wel in meer dan één opzicht niet. Het eerste opzicht betreft de (rechts)vragen. Een leidende rol lijkt mij vooral geboden bij de algemene ’grote’ vragen over de invulling van het begrip ‘werkelijk behaalde rendement’. Gaat het daarentegen over een vraag die zeer met de individuele situatie verweven is en/of die zich in een beperkt aantal gevallen of in een zeer specifiek gevalstype aan de orde is en/of die een uitwerkingsvraag betreft, dan zou de Hoge Raad een meer terughoudende rol kunnen nemen. Gelet op de hoeveelheid detailvragen die kunnen rijzen, [130] lijkt het me onontkoombaar dat de feitenrechters ook ruimte wordt gelaten. Het tweede opzicht betreft de wijze van invulling van de rol. De wijze waarop de Hoge Raad het voortouw neemt ter zake van de juridische component van gemengde oordelen, is gevarieerd. De belangrijkste smaken zijn harde (sub)regels, vuistregels en gezichtspunten/omstandighedencatalogi. [131] In het kader van de invulling van het begrip ‘werkelijk behaalde rendement’ zou in het bijzonder de techniek van een vuistregel in voorkomende gevallen een alternatief kunnen zijn voor het formuleren van een regel (en voor een volle toets in cassatie). Het voordeel daarvan kan zijn dat de Hoge Raad enerzijds wel richting geeft en dat de feitenrechter anderzijds manoeuvreerruimte heeft om recht te doen aan bijzondere situaties. Nadeel kan zijn het risico op rechtsoneenheid en, wellicht belangrijker gelet op de grote aantallen, dat zo’n vuistregel in de (uitvoerings)praktijk te veel ruimte laat voor discussie.
non-discriminatoire en
non-disproportionele heffing. Dat neemt overigens niet weg dat art. 1 EP Pro en art. 14 EVRM Pro naar mijn mening wel zijdelings van belang zijn (zie 6.25-6.26).
ten eerstesteun in het kerstarrest. De term ‘werkelijk behaalde rendement’ komt in het kader van de schending-maatstaf niet uit de lucht vallen. De term moet naar mijn mening worden begrepen in de context van de daaraan voorafgaande overwegingen van de Hoge Raad die leiden tot zijn oordeel dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit art. 1 EP Pro voortvloeiende proportionaliteitstoets niet kan doorstaan.
ceteris paribusinvulling te geven: uitgaan van een rendementsbegrip zoals de wetgever voor ogen heeft gehad, zonder de EVRM-schendende elementen.
nietde nuancering maken dat die opvatting is geuit in de context van rechtsherstel. Ik ga ervan uit dat zo’n opvatting als uitgangspunt ook relevant is in de context van de schending-maatstaf.
7.Begrip ‘werkelijk behaalde rendement’ in het kader van de schending-maatstaf
per belastingjaar wordt getoetst of iemand geld terug krijgten dat hierdoor belastingplichtigen die over meerdere jaren genomen positieve beleggingsresultaten hebben behaald alsnog belastingvermindering kunnen krijgen vanwege een slecht beleggingsjaar.
Het rechtsherstel wordt inderdaad per kalenderjaar geboden. Daarbij geldt dat voor de categorie overige bezittingen het forfait wordt bepaald aan de hand van gemiddelde rendementspercentages die op de lange termijn worden behaald. Achtergrond hiervan is dat deze categorie veel verschillende typen vermogensbestanddelen kent, waarvan het rendement per jaar en per belastingplichtige sterk kan fluctueren. Het kabinet vindt dat met het gehanteerde forfait op de meest rechtvaardige manier aangesloten wordt bij het werkelijk behaalde rendement.”
nietom de kwestie of binnen het jaar een negatief rendement op het ene vermogensbestanddeel in mindering komt op het positieve rendement op een ander vermogensbestanddeel bij het bepalen van het (totale) werkelijk behaalde rendement; dat is naar mijn mening namelijk het geval (het werkelijk behaalde rendement wordt immers over het totaal van de vermogensbestanddelen bepaald; zie 7.12).
voor zoverhet gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. De tekst van dit artikel in periode 2011 tot en met 2016 is voor zover hier relevant vergelijkbaar: het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar
voor zoverdie rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. [163] Het artikel sluit in de periode tot en met 2016 dus uit dat het voordeel uit sparen en beleggen in enig jaar negatief kan zijn. Het sluit evenwel nog niet uit dat de rendementsgrondslag zelf negatief kan zijn doordat de waarde van de schulden meer bedraagt dan die van de bezittingen. [164] Niettemin biedt de wet (ook) niet de mogelijkheid dat een negatieve rendementsgrondslag in enig jaar wordt verrekend met een positieve rendementsgrondslag in een ander jaar. Dit is ook met zoveel woorden opgemerkt in de memorie van toelichting bij de invoering van dat stelsel: [165]
voor zoverdie grondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. Het volgt ook – expliciet – uit de parlementaire behandeling van het ontwerp dat het sinds 2017 geldende stelsel is geworden. De regering antwoordt namelijk als volgt op een vraag naar verrekening van vermogensverliezen: [167]
winstmeetelt bij het bepalen van de op rechtsherstel gerichte compensatie. [168] In beide zaken heeft het hof geoordeeld van niet. In de ene zaak met de motiering dat een ongerealiseerde vermogenswinst niet past bij het begrip ‘werkelijk behaald rendement’ dat de Hoge Raad bezigt in het kerstarrest. [169] In de tweede zaak met de motivering dat bij het belasten van inkomsten uit sparen en beleggen op basis van het werkelijk behaalde rendement geen plaats is voor het in aanmerking nemen van ongerealiseerde vermogenswinsten waarvan het in het geheel niet zeker is of de winst zich daadwerkelijk voor zal doen. [170] In twee andere zaken waarbij deze bijlage hoort, was in geschil of een ongerealiseerd vermogens
verliesmeetelt. [171] Het hof heeft telkens geoordeeld dat er geen plaats is voor het in aanmerking nemen van zo’n vermogensverlies bij het belasten van inkomsten uit sparen en beleggen op basis van het werkelijk behaalde rendement. [172] Hoewel al deze oordelen zien op de op rechtsherstel gerichte compensatie, lijken de daartoe gebezigde gronden evengoed te passen bij het bepalen of het voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. De vraag is aldus of een ongerealiseerde vermogenswinst of -verlies (hierna: waardemutatie) al dan niet meetelt. Opmerking verdient overigens dat niet in alle van de genoemde zaken deze vraag ook in cassatie aan de orde is.
Ten eerste, in de zaak die heeft geleid tot het kerstarrest, was het werkelijk behaalde rendement niet in geschil. [196] De Hoge Raad heeft niet hoeven te oordelen of het begrip ‘werkelijk behaalde rendement’ al dan niet ongerealiseerde waardemutaties omvat. Dit betekent dat uit het kerstarrest niet valt op te maken dat dit begrip niet zulke mutaties omvat. Het betekent dat het tegendeel evenmin valt op te maken daaruit. [197] Ten tweede, de omstandigheid dat de Hoge Raad zich bedient van het bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoord ‘behaalde’ in de term ‘werkelijk behaalde rendement’, moet mijns inziens niet worden opgevat als enige kwalificatie van hetgeen al dan niet valt onder de term ‘rendement’. Het gebruik van dat voltooid deelwoord moet daarentegen worden opgevat in samenhang met de redenen waarom hij in het kerstarrest het forfaitaire stelsel dat geldt vanaf 2017, onverenigbaar acht met art. 1 EP Pro, in samenhang met art. 14 EVRM Pro. Die redenen zijn dat dit forfaitaire stelsel verder is komen af te staan van zijn strekking en – in aansluiting daarop – van de Wet IB 2001, waarbij “voordelen die de belastingplichtige niet heeft genoten maar
had kunnen behalenals hij zijn bezittingen daaraan dienstbaar had gemaakt en/of als hij meer geluk had gehad” (mijn onderstreping) buiten de heffing blijven (zie 3.4). Het voltooid deelwoord ‘behaalde’ dient aldus om de term ‘werkelijk behaalde rendement’ (extra) te onderscheiden van het forfaitaire rendement. Het zegt daarmee niets over voordelen die zijn ontstaan door de wijze waarop de belastingplichtige wél heeft belegd. Het dient dus niet ter kwalificatie van wat het werkelijke rendement
welis; het dient als contrast met wat het werkelijke rendement
nietis.
Ten derde, dat de Hoge Raad in HR BNB 2022/103 wederom spreekt over het ‘werkelijk behaalde rendement’ heeft volgens mij geen andere of diepere betekenis dan dat hij zijn oordeel in het kerstarrest herhaalt.
binnenhet jaar wel in mindering op positieve rendementen op een ander vermogensbestanddeel bij het bepalen van het (totaal) werkelijk behaalde rendement in dat jaar; zie 7.24.
in het algemeenniet tot het ‘werkelijk behaalde rendement’ te rekenen. Dat laatste is nogal een stap, aangezien daarmee zou worden afgeweken van uitgangspunten van de wetgever en dit
in het algemeentot een onzuivere vergelijking in het kader van de schending-maatstaf zou leiden. Het hoeft geen betoog dat dit anders zou zijn indien ook het uitgangspunt dat ongerealiseerde waardemutaties onder het rendementsbegrip van de wetgever vallen, een van de EVRM-schendende elementen van het forfaitaire stelsel zou zijn, maar dat kan ik niet afleiden uit het kerstarrest.
maatstaf voor heffingzou zijn – dan zou er wat mis zijn met het systeem van heffen – maar dat is dat rendement niet. Het werkelijk behaalde rendement dient ‘slechts’ als ijkpunt om een EVRM-schending vast te stellen en vervolgens, zo sprake is van een EVRM-schending, als aanknopingspunt voor het bieden van rechtsherstel.
inkomsten(zie 7.66-7.74) en vervolg met andere kosten (zie 7.75-7.79). Buiten beschouwing blijven financieringskosten (7.3).
wat(welk soort ‘inkomen’) tot het rendement wordt gerekend. Het is de vraag of bij het bepalen van het werkelijk behaalde rendement ook rekening moet worden gehouden met (een deel van) het heffingvrije vermogen. Ik meen dat redelijkerwijs zowel een positief antwoord kan worden verdedigd als een negatief antwoord. Voor een positief antwoord kan worden aangevoerd dat de redenen om bij het voordeel uit sparen en beleggen rekening te houden met een heffingvrij vermogen – te weten de doelmatigheid en de draagkrachtgedachte – evenzeer opgeld doen voor de bepaling van het werkelijk behaalde rendement. Daartegenover zou kunnen worden betoogd dat (de redenen voor) het heffingvrije vermogen niet los kan (kunnen) worden gezien van het ruwe forfaitaire systeem, en dat het daarom niet onzuiver is om een vergelijking te maken tussen enerzijds het voordeel uit sparen en beleggen met zowel zijn ruwe forfaitaire elementen als zijn verzachtende heffingvrije vermogen en anderzijds het werkelijk behaalde rendement zonder heffingvrije vermogen. Bedacht dient daarbij ook te worden dat ook indien bij het werkelijk behaalde rendement geen rekening wordt gehouden met het heffingvrije vermogen, dit
nietbetekent dat de kleine vermogensbezitter/spaarder – degene met een vermogen dat kleiner is dan het heffingvrije vermogen –
nietlanger worden ontzien. Bij zo’n kleine vermogensbezitter/spaarder is het voordeel uit sparen en beleggen immers nihil, wordt het EVRM dus niet geschonden en is het werkelijk behaalde rendement niet relevant. Anders gezegd: (de vergelijking met) het werkelijk behaalde rendement wordt pas relevant bij degenen die juist niet een kleine vermogensbezitter zijn.
nieteen heffingsmaatstaf is. Deze grootheid is in de eerste plaats het ijkpunt voor de vaststelling of in het concrete geval het EVRM is geschonden en vervolgens, zo dat het geval is, een aanknopingspunt voor het bieden van rechtsherstel. Ik denk dat de (impliciete) beslissing van de Hoge Raad in het kerstarrest dat geen rekening wordt gehouden met het heffingvrije vermogen bij (het verlenen van rechtsherstel in de vorm van het in de heffing betrekken van) het werkelijk behaalde rendement, moet worden begrepen in deze context van een EVRM-schending. Vanuit het eigendomsgrondrecht bezien is de drempel voor een EVRM-schending al betrekkelijk laag gelegd (vgl. 3.18-3.19). Bezien vanuit dat grondrecht is er geen aanleiding om de drempel voor een schending nóg lager te leggen door bij het ‘werkelijk behaalde rendement’ ook nog eens rekening te houden met (een deel van) het heffingvrije vermogen. Aan het discriminatieverbod kan, naar het mij voorkomt, geen duidelijk argument worden ontleend dat bij het werkelijk behaalde rendement wel rekening zou moeten worden gehouden met het heffingvrije vermogen in het kader van de vaststelling of het EVRM is geschonden in het concrete geval.
Rechtsherstel: invulling ‘werkelijk behaalde rendement’; wat is de rol van de Hoge Raad?
mutatis mutandisaansluiting kan worden gezocht bij het arrest HR BNB 2018/37 over box 3-heffing over een vermogen dat kort na peildatum nagenoeg geheel verloren ging omdat de tot dat vermogen behorende SNS-aandelen werden onteigend. [219] Het gerechtshof was van oordeel het forfaitaire stelsel in het geval van de belanghebbende tot gevolg heeft dat in strijd met art. 1 EP Pro een individuele en buitensporige last ontstaat. Het had vervolgens rechtsherstel geboden door de wettelijke regels tijdsevenredig toe te passen. De Hoge Raad acht dat laatste onjuist, maar laat het oordeel wel in stand:
een tweede manierom te bewerkstelligen dat de Hoge Raad de invulling door een feitenrechter van het begrip ‘werkelijk behaalde rendement’ in het kader van rechtsherstel kan toetsen. Daarbij wordt vastgehouden aan de overwegingen in het kerstarrest, maar vindt een bijstelling plaats wat betreft de toets in cassatie over de vaststelling van de feitenrechter van de omvang van de compensatie ‘naar redelijkheid’. Die bijstelling houdt in dat de toets of de feitenrechter de compensatie naar redelijkheid heeft vastgesteld niet zozeer betrekking heeft op de omvang maar veeleer op de onderliggende uitgangspunten. Indien een gerechtshof dan een uitgangspunt hanteert bij het bepalen van het werkelijk behaalde rendement dat afwijkt van de juiste invulling van dat begrip, zou het oordeel over de compensatie gecasseerd kunnen worden op de grond dat een uitgangspunt is gehanteerd dat niet redelijk is. Ik moet toegeven: het is wat gekunsteld, en daarom heeft de eerste manier mijn voorkeur.