Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, specifiek gericht op de box 3 heffing van haar tweede woning. Verweerder had de aanslag gehandhaafd, maar later verminderd op basis van het Besluit rechtsherstel na het kerstarrest van de Hoge Raad.
De rechtbank heeft onderzocht of de tweede woning terecht in de box 3 heffing is betrokken en of eiseres meer rechtsherstel toekomt dan reeds verleend. De kernvraag was of het werkelijk behaalde rendement op de tweede woning, inclusief ongerealiseerde waardestijgingen, lager is dan het forfaitaire rendement dat verweerder hanteert.
Uit de WOZ-waarden blijkt een waardestijging van €16.000 in 2019, terwijl verweerder een rendement van €9.838 heeft berekend. Ondanks door eiseres genoemde kosten voor de woning, concludeert de rechtbank dat het werkelijke rendement niet lager is dan het forfaitaire rendement. Daarom is geen verdere vermindering van de aanslag gerechtvaardigd.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar, maar handhaaft de aanslag zoals verminderd bij de verminderingsbeschikking. Proceskosten worden niet toegewezen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 5 december 2022.