Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Application Formis bij het EHRM ingediend op 10 september 2015.
Procesbevoegdheid van de pandhouder
3.Bespreking van het cassatiemiddel
IAE/NeoRiver heeft de Hoge Raad beslist dat de wet de pandhouder geen andere bevoegdheden met betrekking tot de vordering toekent dan de innings- en opzegbevoegdheid, en dat de andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering bij de pandgever blijven:
IAE/Neo River. [13]
IAE/Neo Riverin overeenstemming was met de opvatting van de meerderheid in de literatuur, [14] heeft zij behalve de nodige instemming, ook kritiek ontmoet. De kritiek betreft dat de pandgever, uitgaande van die beslissing, het pandrecht illusoir kan maken door uitoefening van de bevoegdheden die bij hem blijven (afstand van het vorderingsrecht, enz.), dat de pandhouder daarmee slechter af is dan een beslaglegger, dat de pauliana de pandhouder maar beperkt beschermt en dat de wetsgeschiedenis niet per se dwingt tot de uitleg van de Hoge Raad. [15] Voor deze zaak is deze kritiek niet van belang, lijkt me. Het middel stelt die kritiek niet aan de orde en het honoreren van die kritiek leidt niet tot een andere uitkomst van deze zaak, zoals ik verderop in deze conclusie zal toelichten (zie hierna in 3.47). Overigens lijkt de kritiek mij ongegrond, omdat de wetsgeschiedenis waarnaar in het arrest wordt verwezen, (wel) duidelijk is, zoals in het arrest met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht.
persona standi in iudicio’). In de civiele procedure komt procesbevoegdheid toe aan het rechtssubject van het privaatrecht, dus aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Organen van rechtspersonen zijn geen rechtssubject van het privaatrecht en missen daarom procesbevoegdheid voor de civiele procedure, tenzij de wet anders bepaalt, zoals in de Invorderingswet 1990 is gebeurd voor de Ontvanger. [21]
van rechtswegein diens plaats treedt en dus zonder meer in de loop van de procedure of bij aanwending van een rechtsmiddel kan worden vervangen, door de enkele vermelding van dat feit in een processtuk of bij het rechtsmiddel. [40]
beidenhet recht geeft om een rechtsmiddel tegen een uitspraak aan te wenden. Dat de rechtsvoorganger niet uit de procedure behoeft te verdwijnen, is dan ook een consequentie die inmiddels ook in de literatuur lijkt te worden getrokken, door te aanvaarden dat de rechtsvoorganger bij toepassing van de art. 225 e.v. Rv in het geding kan blijven als hij daarbij belang heeft. [56]
tweetegenover elkaar staande partijen [57] – is niet goed berekend op zo’n gecompliceerd geding. Als dit ‘gedrieën procederen’ noodzakelijk is vanuit een oogpunt van een behoorlijke rechtsbescherming van de rechtsvoorganger en de rechtsopvolger, moeten de hieraan verbonden bezwaren – noodgedwongen dus – worden aanvaard. In het arrest uit 1973 en de rechtspraak die daarop is gevolgd, zijn die bezwaren dus ook aanvaard voor het geval een rechtsmiddel valt aan te wenden om te voorkomen dat een uitspraak onherroepelijk wordt jegens een van beiden, omdat in dat geval die noodzaak nu eenmaal onvermijdelijk bestaat. Als stelsel is dat echter duidelijk weinig aantrekkelijk, zodat een oplossing waaraan die bezwaren niet of in elk geval minder zijn verbonden, valt te prefereren.
tijdens het gedingis gecedeerd, is gebonden aan de uitspraak die tegen de cedent is gedaan. [73] Dat berust kennelijk op de door (onder meer) Ten Kate verdedigde opvatting dat wie een recht verkrijgt waarover een procedure loopt (eveneens overeenkomstig de nemo plus-regel) het risico van de afloop van die procedure draagt. [74] Zoals Ten Kate daarbij opmerkt, dient de rechtverkrijgende uiteraard niet aan het vonnis te zijn gebonden als zijn rechtsverkrijging dateert van vóór de procedure. In dat geval staat hij immers geheel buiten de procedure en behoort hij door de uitkomst ervan niet te zijn gebonden. De rechtverkrijgende onder bijzondere titel valt dus niet onder art. 236 lid 2 Rv Pro als hij zijn recht vóór de procedure heeft verkregen.
vertegenwoordigtde materiële procespartij en de uitkomst van de procedure bindt dan ook uitsluitend laatstgenoemde, overeenkomstig het in art. 3:66 lid 1 BW Pro bepaalde (zie opnieuw hiervoor in 3.9). Dat de pandhouder na mededeling van het pandrecht de pandgever zou gaan vertegenwoordigen, wordt bij die opvatting niet betoogd en valt ook niet in te zien. De wet bepaalt dat niet en in de literatuur en rechtspraak treft men een dergelijke zienswijze ook niet aan, althans die heb ik daarin niet gevonden.
IAE/Neo River-arrest, discussie gevoerd over deze vraag. H.J. Snijders meent in zijn noot in de NJ onder dat arrest (onder 7) dat de wetsgeschiedenis van die bepaling wel een aanknopingspunt bevat voor de kwalificatie als regelend recht. Hij wijst op de passage uit de wetsgeschiedenis waarnaar in het arrest ook wordt verwezen en die luidt:
IAE/Neo River-arrest, [92] zijn er, anders dan bijvoorbeeld bij vruchtgebruik het geval is, nauwelijks aanknopingspunten te vinden in de wet, wetsgeschiedenis en rechtspraak dat art. 3:246 BW Pro van regelend recht zou zijn. Boeve en Jansen sluiten zich hierbij aan. [93] Volgens Roos en Hartman is de heersende opvatting dat art. 3:246 BW Pro van dwingend recht is, en dat aan aanvullende afspraken tussen pandhouder en pandgever omtrent schuldeisersbevoegdheden derhalve alleen verbintenisrechtelijke werking kan toekomen. Die afspraken kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de pandgever de schuld niet kwijtscheldt of afstand doet van de vordering zonder toestemming van de pandgever. [94]
IAE/Neo River-arrest wordt verwezen en waarop de beslissing van dat arrest berust. In dat arrest is ook al beslist dat dit uit de wetsgeschiedenis volgt. Overwogen wordt immers dat de regeling waarbij andere bevoegdheden dan die genoemd in art. 3:246 BW Pro bij de pandgever blijven (zoals in rov. 3.5.1 van het arrest beschreven), berust op “op een bewuste keuze van de wetgever, waaraan ten grondslag ligt dat genoemde bevoegdheden bij de pandgever behoren te blijven nu deze zijn rechten en belangen diepgaand treffen en de pandhouder slechts in het verpande is geïnteresseerd, voor zover dit hem zijn vordering waarborgt.” In het arrest wordt hierbij in aanmerking genomen dat “de pandgever immers groot belang erbij [kan] hebben om in de verhouding tot zijn schuldenaar of contractuele wederpartij bedoelde bevoegdheden te kunnen uitoefenen en daarvoor niet afhankelijk te zijn van de toestemming van de pandhouder of een machtiging van de kantonrechter”. Voor een en ander wordt naar de wetsgeschiedenis verwezen (rov. 3.5.2 van het arrest).
vasteregel rechtvaardigt, in de gedachtegang van de wetgever. Dit laat geen ruimte om te differentiëren naar gevallen waarin dit (in het algemeen opgaande) gezichtspunt wellicht niet of wat minder speelt en waarin daarom in zoverre van de wettelijke verdeling zou kunnen worden afgeweken. Daarbij laat ik nog daar dat onmogelijk op voorhand valt uit te maken wanneer zo’n geval zich in concreto voordoet en daarom een afwijking mogelijk is te achten (hoe moet de definitie van die afwijking luiden?).
IAE/Neo River-arrest.
IAE/Neo River-arrest. Dit heeft denk ik in elk geval te gelden op grond van het hiervoor in 3.39 genoemde ‘voldoende verbandvereiste’, omdat een dergelijke bepaling naar haar aard en inhoud niet bij het pandrecht past. Daarbij wijs ik nog erop dat een dergelijke bepaling wel in de vorm van een privatieve last als bedoeld in art. 7:423 BW Pro zou kunnen worden overeengekomen, maar dat deze in dit geval dan steeds opzegbaar zou zijn (art. 7:408 lid 1 jo Pro 7:422 lid 2 BW: een ander beding is (ver)nietig(baar); de uitzondering van art. 7:423 BW Pro doet zich hier niet voor). Een privatieve volmacht is niet mogelijk. [98]
IAE/Neo River-arrest – als hiervoor al gezegd stelt het middel dat niet aan de orde en zie ik daarvoor geen aanleiding – behoeft in dit beroep dus geen beantwoording.