Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Nuth,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 december 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de bevoegdheid van ABN AMRO als pandhouder centraal om zekerheden uit te winnen die verbonden zijn aan vorderingen van Marell-oud op derden. ABN AMRO had een pandrecht op vorderingen van Pegas op Marell-oud, terwijl Pegas op haar beurt een pandrecht had op vorderingen van Marell-oud op derden. Het geschil betrof de vraag of ABN AMRO gerechtigd was om deze zekerheden uit te winnen en debiteuren van Marell-oud aan te schrijven tot betaling.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen van Marell-nieuw af en kende ABN AMRO een aangepast gebod toe. Het hof vernietigde dit en wees de vordering van ABN AMRO af, stellende dat ABN AMRO geen inningsbevoegdheid had en dat het herverpandingsverbod van artikel 3:242 BW Pro van toepassing was. Volgens het hof kon Pegas haar pandrecht niet herverpanden aan ABN AMRO omdat de pandakte dit uitdrukkelijk verbood.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het verbod op herverpanding niet ziet op de uitoefening van het pandrecht door de pandhouder zelf, maar op het verpanden aan derden. ABN AMRO had op grond van haar pandrecht de bevoegdheid om de vorderingen van Marell-oud op derden te innen na mededeling aan die derden. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.