ECLI:NL:HR:2005:AS8913
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over afwijzing incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad in civiele procedure
Deze zaak betreft een civiele procedure tussen Stichting Vie d'Or en De Nederlandsche Bank N.V. (rechtsopvolger van Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer) over onrechtmatige daad en schadevergoeding in verband met het faillissement van N.V. Levensverzekeringmaatschappij Vie d'Or.
De Stichting en curatoren vorderden onder meer schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de Verzekeringskamer, accountants en actuaris jegens oud-polishouders en crediteuren. De rechtbank verklaarde hen grotendeels niet-ontvankelijk en wees de vorderingen af, waarna hoger beroep werd ingesteld. Het hof oordeelde dat een deel van de schadevergoeding toewijsbaar was, maar bepaalde een comparitie voor nadere schadevaststelling.
De Stichting verzocht om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het tussenarrest om tijdverlies te voorkomen, gezien het belang van circa 11.000 gedupeerde polishouders. De Verzekeringskamer betoogde dat de tijdwinst beperkt was en dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad terughoudend moet worden toegepast vanwege mogelijke onnodige kosten en complicaties.
De Hoge Raad bevestigde dat art. 234 Rv Pro ook op tussenuitspraken van toepassing is en dat de maatstaf voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gelijk is aan die voor einduitspraken, maar met terughoudendheid. Gezien de beperkte tijdwinst, het belang van de Verzekeringskamer bij het vermijden van onnodige kosten en de omvangrijke aard van het dossier, wees de Hoge Raad de incidentele vordering af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad af vanwege het beperkte belang van tijdwinst en het risico op onnodige kosten.