Conclusie
eerstemiddel klaagt dat de bewezenverklaring in zaak A feit 1 ontoereikend gemotiveerd is ten aanzien van [slachtoffer 1] . Uit de toelichting blijkt dat de bewijsklacht is toegespitst op het deel van de bewezenverklaring dat ziet, kort gezegd, op het voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] en het door feitelijkheden haar bewegen de verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen. Voordat ik deze klacht bespreek, geef ik eerst dit deel van de bewezenverklaring en de bijbehorende bewijsoverweging van het hof weer en maak ik enkele opmerkingen over de bewezenverklaring. Die sluit namelijk niet naadloos aan bij de strafbaarstelling van art. 273f Sr.
This is not the conditions that I like.[verdachte] was een bekende binnen de prostitutiescene. Volgens een prostituee op de Wallen, [naam 5] , was [verdachte] ook druk en zeer regelmatig in de wijk actief.
Ze wisten: daar is de vrouw van [betrokkene 1] , daar is die van [verdachte] , en die andere van [verdachte] .Niet alleen zij werd gecontroleerd maar ook de rest. [benadeelde 4] stuurde veelvuldig sms’jes met (in aantal wisselende) kruisjes naar [betrokkene 1] . De vermelding van een ‘x’ in de sms betekende dat zij € 50 had verdiend; de vermelding van “xx’ betekende € 100. Volgens [benadeelde 4] deed [slachtoffer 1] dat ook voor [verdachte] . Wat [verdachte] deed, moest [betrokkene 1] ook met [benadeelde 4] doen. Hij
zei: je moet precies doen als [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] , hun sturen een smiley, je moet ook zoiets gaan doen.Dat kruisje was een idee van [betrokkene 1] of [verdachte] .
NJ2010/598 m.nt. Buruma, in zoverre daarin de onvrijwilligheid van het geëxploiteerd worden als een belangrijk element van de ‘uitbuitingssituatie’ wordt gezien (ov. 51). [12] Uit HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941, rov. 2.4.1 blijkt dat ook Uw Raad bij prostitutie vrijwilligheid tegenover uitbuiting stelt. [13]
NJ2010/598 m.nt. Buruma aan het begrip ‘uitbuiting’ is gegeven. Uw Raad overwoog in dat arrest dat ‘in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe(komt) aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald’ (rov. 2.6.1). In dat arrest was evenwel niet sprake van uitbuiting van een ander in de prostitutie, maar van personen die tewerkgesteld waren in een Chinees restaurant. Als ik het goed zie gebruikt Uw Raad deze formulering tot dusver alleen in situaties waarin niet van seksuele uitbuiting sprake is. [14] Daarmee is niet gezegd dat aan deze factoren geen betekenis toekomt in de situatie van seksuele uitbuiting [15] , het accent ligt evenwel op meer rechtstreekse vaststellingen van onvrijwilligheid. Bij de invulling van de vereiste mate van onvrijwilligheid kan er belang aan worden gehecht dat Uw Raad in HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235,
NJ2002/546 uit de wetsgeschiedenis van art. 250ter Sr (een voorganger van art. 273f Sr) heeft afgeleid dat een situatie ‘waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant’ door de wetgever als ‘uitbuitingssituatie’ is aangeduid. [16]
NJ2015/374, rov. 3.3, heeft Uw Raad inzake de strafbaarstelling van art. 273f, eerste lid, onderdeel 6, Sr overwogen:
tweedemiddel klaagt dat de bewezenverklaring in zaak A onder 2 niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat ’s hofs oordeel dat sprake is van witwassen ontoereikend is gemotiveerd alsmede dat het oordeel dat het bewezenverklaarde gekwalificeerd kan worden als ‘witwassen’ getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
contantegeldbedragen, levert geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve in zoverre van alle rechtsvervolging te worden ontslagen. Voornoemde contante geldbedragen zijn immers onmiddellijk uit het (in zaak A onder 1 bewezenverklaarde) eigen misdrijf van de verdachte afkomstig en het enkele voorhanden hebben daarvan kan niet hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, zodat het feit in zoverre niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.’
derdemiddel klaagt dat de bewezenverklaring in zaak A, feiten 5 en 6, ontoereikend is gemotiveerd.
Zaak A feiten 5 en 6
vierdemiddel klaagt dat de bewezenverklaring in zaak B feit 1 ontoereikend is gemotiveerd.
als het je niet aanstaat, kun je naar huis; je hebt geen andere keus".[benadeelde 3] is vervolgens daadwerkelijk in de prostitutie gaan werken.
NJ2010/598 m.nt. Buruma aan het begrip ‘uitbuiting’ is gegeven. Daarbij herhaal ik dat Uw Raad de betreffende verduidelijking formuleerde voor ‘een geval als het onderhavige’. Het ging in de betreffende zaak om personen die werkten in een Chinees restaurant. Daarmee is niet gezegd dat aan de bedoelde factoren (de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor [benadeelde 3] met zich meebracht en het economisch voordeel voor de verdachte) geen betekenis toekomt in de situatie van seksuele uitbuiting, het accent ligt daar evenwel op meer rechtstreekse vaststellingen van onvrijwilligheid.
vijfdemiddel klaagt dat het hof de verbeurdverklaring van een geldbedrag van 50.000 euro ontoereikend heeft gemotiveerd.
‘ [verdachte] heeft een deel van de verdiensten uit prostitutiewerk van [slachtoffer 1] laten afstaan’. Dat het hof ervan uit is gegaan en ervan uit heeft kunnen gaan dat het geld inmiddels aan de verdachte toebehoorde in de zin van art. 33a, eerste lid, aanhef en onder a, Sr en daarmee op zichzelf vatbaar was voor verbeurdverklaring volgt voorts uit de verwijzing naar de verklaring van de verdachte dat hij het geld heeft ingepakt en meegenomen, en uit het aantreffen van het geld in een jas van de verdachte in zijn woning in Hoogeveen.
zesdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn.
zevendemiddel klaagt dat het hof van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken terwijl de daartoe in het bijzonder opgegeven redenen niet begrijpelijk zijn. Dat standpunt betreft het verweer dat de voor het bewijs van zaak A feit 1 gebezigde verklaringen van [benadeelde 4] onbetrouwbaar zijn.
BFK: bedoeld zal zijn: voor de medeverdachte), heeft laten bekostigen en op haar naam heeft laten zetten’.
Bewijsverweer ten aanzien van [benadeelde 4] (zaak A feit 1 en 2)
(hierna: [betrokkene 1] )voor haar zorgde en op haar lette, hetgeen in een relatie gewoon is. De ouders van [benadeelde 4] en haar broer hebben verklaard dat zij een liefdevolle relatie had met [betrokkene 1] . [benadeelde 4] loog in telefoongesprekken. De verdediging acht het, als alternatief scenario, waarschijnlijker dat ze nu liegt omdat ze niet de aandacht krijgt die ze wil nu [betrokkene 1] weg is.
(BFK: betekende)en de vermelding van “xx” € 100 (aan verdiensten).
(BFK: [betrokkene 1] )’; ‘Na acht maanden kwam [betrokkene 1] vrij en toen begonnen volgens [benadeelde 4] de mishandelingen’; ‘Elke keer als zij contact met iemand had, werd zij mishandeld’; ‘Als zij aan [betrokkene 1] uitleg vroeg over waar het geld was, werd zij in elkaar geslagen’; ‘Daarnaast overlegde [benadeelde 4] met hem over wanneer zij met werken moest stoppen, vroeg zij hem om toestemming voor hetgeen zij at en dronk en vroeg hem of zij zich kon omkleden’; ‘ [benadeelde 4] werd door [betrokkene 1] geslagen en geschopt’; ‘ [benadeelde 4] wilde weg bij [betrokkene 1] . Dan was zijn reactie: als je mij verlaat , heb je één week de tijd om Nederland te verlaten. Anders wordt je leven een nachtmerrie. [benadeelde 4] zei: Nederland is toch niet van jou? Hij zei: je ziet het wel, het is wel van mij. [benadeelde 4] had het gevoel dat zij geen kant op kon. [benadeelde 4] sprak over gedwongen liefde’.