Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake mensenhandel. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte in de periode 2006-2007 voordeel had getrokken uit de seksuele uitbuiting van twee vrouwen door onder meer bodyguardwerkzaamheden, controle en het innen van beschermingsgeld.
De kern van het geschil betrof de uitleg van het opzetvereiste in artikel 273f lid 1 sub 6 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat het opzet niet alleen gericht moet zijn op het voordeel trekken, maar ook (al dan niet voorwaardelijk) op de uitbuiting van een ander. Het hof had dit verkeerd uitgelegd door slechts opzet op voordeel trekken te eisen.
Desondanks leidde deze onjuiste rechtsopvatting niet tot cassatie, omdat uit het bewijsmateriaal kon worden afgeleid dat verdachte ook opzet had op de uitbuiting van de betrokken vrouwen. De overige middelen werden verworpen zonder nadere motivering. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd wegens voldoende bewijs van opzet op uitbuiting en voordeel trekken.