Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
17 mei 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 mei 2016 het arrest van het Gerechtshof Den Haag vernietigd in een zaak over mensenhandel. De verdachte werd ervan verdacht samen met anderen een vrouw uit Hongarije naar Nederland te hebben gebracht met het oogmerk haar te laten werken als prostituee. De bewezenverklaring berustte op onder meer observaties, afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van betrokkenen.
Het hof kwalificeerde de gedragingen als mensenhandel op grond van artikel 273f, eerste lid, onder 3°, Sr. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van aanwerving of dwang, omdat de vrouwen al als prostituee werkzaam waren en zelf besloten hadden naar Nederland te komen. Het hof verwierp dit verweer en stelde dat uitbuiting als impliciet bestanddeel van mensenhandel moet worden aangenomen.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat uitbuiting een vereiste is voor strafbaarheid op grond van artikel 273f, eerste lid, onder 3°, Sr. Uit de bewijsvoering van het hof volgt echter niet dat sprake is van uitbuiting. Daarom kan het arrest niet in stand blijven en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens ontbreken van bewijs voor uitbuiting; zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.