Conclusie
II. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering
“1. Een proces-verbaal van aangifte […] van 19 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] […]
2.2 Geen sprake van dwangmiddel
Het louter uitspreken van woorden is geen feitelijkheid. De advocaat-generaal reageert daarop als volgt: de feitelijkheid ziet op het dreigen van het doen van een klacht bij BIO en om die reden betreft het niet alleen het uitspreken van woorden. Ik heb daarover nagedacht en kan de advocaat-generaal daarin volgen.]
[verbalisant 1] heeft zojuist verklaard dat hij naar eer en geweten zijn werk doet en dat hij zich niet laat beïnvloeden.]
Daarom is die vraag van de oudste raadsheer zo belangrijk: waarom heeft [verbalisant 1] niet meteen tegen cliënt gezegd wat hij fout deed? [verbalisant 4] heeft namelijk geen aangifte gedaan en dat gesprek is goed afgerond nadat hij cliënt wees op zijn gedrag.]”
Stb.2006,11) [2] zijn aan art. 179 Sr Pro de dwangmiddelen ‘enige andere feitelijkheid’ en ‘bedreiging met enige andere feitelijkheid’ toegevoegd. De memorie van toelichting bij deze wetswijziging luidt – voor zover hier relevant – als volgt:
bedreigenmet enige andere feitelijkheid kan worden geconcludeerd dat de rechtspraak een sterk casuïstisch karakter vertoont, waarbij de mate van dwang centraal lijkt te staan bij de vraag of sprake is van bedreiging met enige andere feitelijkheid. Zo nam de Hoge Raad in twee art. 242 Sr Pro-zaken bedreiging met enige andere feitelijkheid aan toen het ging om het dreigen met het openbaar maken van naaktfoto’s [16] respectievelijk het dreigement dat het (minderjarige) slachtoffer de paarden waar zij erg aan was gehecht, kwijt zou raken als ze de verdachte zou tegenwerken. [17] In een zaak waar de verdachte aan N.V. Philips brieven had gestuurd met kopieën van gevoelige documenten die openbaar zouden worden gemaakt als er geen geld op de rekening van de verdachte zou worden gestort, oordeelde de Hoge Raad dat de mededeling van de verdachte dat hij de zaak uit handen zou geven als niet werd betaald, onder omstandigheden zeer wel een bedreiging met enige andere feitelijkheid in de zin van art. 284 Sr Pro kan opleveren. [18] Anders lag het bij een verdachte die een B.V. had gedreigd met openbaring of verstrekking aan derden van een computerbestand dat in zijn bezit was, maar aan de B.V. toebehoorde. In die zaak vernietigde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat dit dwang door middel van enige andere feitelijkheid opleverde, nu “die mededelingen op zichzelf niet kunnen worden aangemerkt als een feitelijkheid”. [19] Ook het dreigen met het doen van een valse aangifte van verkrachting of met een boycot levert geen bedreiging met enige andere feitelijkheid op. [20]