Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
[betrokkene 7] :
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
15 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel met betrekking tot zijn minderjarige nichtje uit Turkije. Het hof stelde vast dat het nichtje vanaf jonge leeftijd illegaal bij verdachte en zijn vrouw woonde en buitensporig belast werd met huishoudelijke taken en zorgtaken voor de kinderen, zonder onderwijs en medische zorg.
Het hof oordeelde dat verdachte het oogmerk van uitbuiting had, mede gelet op de leeftijd, illegale status, sociale isolement en angst van het nichtje om teruggestuurd te worden. Het hof achtte het financieel voordeel voor verdachte bewezen doordat hij geen oppas of hulp hoefde in te huren. De familieband tussen verdachte en het slachtoffer deed hieraan niet af.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof over het oogmerk van uitbuiting en de bewezenverklaring. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden en verminderde de opgelegde gevangenisstraf van 22 naar 21 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen mensenhandel met uitbuiting en vermindert de gevangenisstraf tot 21 maanden wegens termijnoverschrijding.