Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Bewezenverklaring, bewijsvoering en belangrijke processtukken
meermalenmet vlakke hand een klap in zijn nek te geven en
eenmaalte dreigen hem van een balkon te gooien
interactie van fysieke, psychischeof seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat,
actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel”.
gaat hieraan kapot is ziek hoe ze hem behandeld. Wil hem eigenlijk nog wel helpen maar k kan net met haar in 1 ruimte meer zijn. Ze dreigt hem elke keer dat hij naar een pleeggezin moet en hij mag dan niet piepen want dan draait ze bijna zn arm uit de kom. Ben daar al een paar keer tussen gesprongen.”
Oma ik weet een oplossing zodat mama nooit meer boos op mij is. Ik moet gewoon maar dood, dan kan mama nooit meer boos op mij worden.”
4.Omschrijving van het middel
5.Begripsbepaling: wat is psychische mishandeling?
Janssen, Dreissen & Juncker, die psychisch geweld als volgt omschrijven: [18]
Timmerskunnen voor de vraag wat moet worden verstaan onder psychische mishandeling twee benaderingen worden onderscheiden. [33] In de eerste benadering is het psychische aspect gelegen in de aard van de interactie, oftewel het handelen of nalaten van de dader. Psychische mishandeling wordt dan beschouwd als paraplubegrip voor alle gedragingen die een ernstige inbreuk maken op de geestelijke integriteit zonder dat er fysiek contact is geweest tussen de dader en het slachtoffer, zoals schelden, dwingen, kleineren, isoleren, verwaarlozen en vernederen. Een voorbeeld van deze benadering is de werkdefinitie die wordt gegeven in de Consultatienota over de aanpak van psychisch geweld uit 2020 van de Kamerleden Bergkamp, Özütok en Van den Hul. Daarin wordt “psychisch geweld” gebruikt als: [34]
6.Het belang van de rechtsvraag
en/of geestelijke gewaarwording(ECLI:NL:HR:2014:2677, ECLI:NL:GHDHA:2017:1540). Het hoeft geen betoog dat voornoemde vastgestelde handelingen van verdachte, mede gelet op het ruime tijdsbestek waarin die hebben plaatsgehad, tot een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke
én geestelijke gewaarwordingbij [Slachtoffer] hebben geleid” [cursiveringen
PHvK]. In deze uitspraak wordt psychische mishandeling dus wel uitdrukkelijk onder de andere varianten van art. 300 Sr Pro geschaard.
NJ2025/166) door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad (A-G Harteveld) is geconcludeerd dat de louter psychische mishandeling niet valt onder het strafrechtelijke mishandelingsbegrip van art. 300 Sr Pro. [67]
Uitkomsten verkennende gesprekken
Internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling van psychische mishandeling
Definition of violence. For the purposes of the present general comment, “violence” is understood to mean “all forms of physical or mental violence, injury or abuse, neglect or negligent treatment, maltreatment or exploitation, including sexual abuse” as listed in article 19, paragraph 1, of the Convention. The term violence has been chosen here to represent all forms of harm to children as listed in article 19, paragraph 1, in conformity with the terminology used in the 2006 United Nations study on violence against children, although the other terms used to describe types of harm (injury, abuse, neglect or negligent treatment, maltreatment and exploitation) carry equal weight. In common parlance the term violence is often understood to mean only physical harm and/or intentional harm. However, the Committee emphasizes most strongly that the choice of the term violence in the present general comment must not be interpreted in any way to minimize the impact of, and need to address, non-physical and/or non-intentional forms of harm (such as, inter alia, neglect and psychological maltreatment).”
Neglect or negligent treatment.Neglect means the failure to meet children’s physical and psychological needs, protect them from danger, or obtain medical, birth registration or other services when those responsible for children’s care have the means, knowledge and access to services to do so. It includes:
Mental violence.“Mental violence”, as referred to in the Convention, is often described as psychological maltreatment, mental abuse, verbal abuse and emotional abuse or neglect and this can include:
Physical violence.[…]
Corporal punishment.[…]
Sexual abuse and exploitation.[…]
Torture and inhuman or degrading treatment or punishment.[…]
Violence among children.[…]
Self-harm.[…]
Harmful practices.[…]
Violence in the mass media.[…]
Violence through information and communications technologies.[…]
Institutional and system violations of child rights.[…]”
explanatory reportbij het Verdrag blijkt dat de “due diligence”-verplichting in art. 5 een Pro inspanningsverplichting is: “Parties are required to organise their response to all forms of violence covered by the scope of this Convention in a way that allows relevant authorities to diligently prevent, investigate, punish and provide reparation for such acts of violence. Failure to do so incurs state responsibility for an act otherwise solely attributed to a non-state actor.” [90]
psychologisch letselof leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt” (cursivering
PHvK). [92] Onder “huiselijk geweld” wordt verstaan “alle vormen van fysiek, seksueel,
psychologischof economisch geweld dat plaatsvindt binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven” (cursivering
PHvK). [93] Huiselijk geweld is in het Verdrag niet beperkt tot alleen geweld tegen vrouwen, het omvat ook (ander) geweld binnen het gezin of huishouden. Het kan dus ook gaan om geweld tegen mannen of kinderen. [94] Huiselijk geweld omvat hoofdzakelijk twee soorten geweld: geweld tussen huidige of voormalige echtgenoten of partners en intergenerationeel geweld dat doorgaans voorkomt tussen ouders en kinderen. [95]
explanatory reportbij het Verdrag blijkt dat de “[t]he drafters agreed to criminally sanction any intentional conduct that seriously impairs another person’s psychological integrity through coercion or threats”. [96] De verplichting tot strafbaarstelling in art. 33 heeft Pro dus enkel betrekking opzettelijk handelen. De interpretatie van “opzettelijk” wordt overgelaten aan het nationale recht. Uit de toelichting op het Verdrag blijkt voorts dat de opzettelijke gedraging slechts strafbaar moet worden gesteld indien de psychologische integriteit van een persoon ernstig wordt beschadigd. Een definitie van ernstige beschadiging wordt niet gegeven, wel is duidelijk dat “[u]se must be made of coercion or threats for behaviour to come under this provision”. [97] Psychisch geweld is niet beperkt tot de huishoudelijke setting, maar kan ook plaatsvinden in een andere context, zoals op werk of op school. [98]
Janssen, Dreissen en Junckerwaarschijnlijk in gelegen dat in de toelichting op het Verdrag is vermeld dat “[u]se must be made of coercion or threats for behaviour to come under this provision”. [103]
Baseline Evaluation Reportover de naleving van het Verdrag door Nederland. In dit rapport moedigt GREVIO de Nederlandse autoriteiten ten zeerste aan om psychisch geweld effectief te onderzoeken, te vervolgen en effectief te bestraffen. [104] In het bijzonder merkt GREVIO op dat de delictsomschrijvingen van art. 284 en Pro 285 Sr een wel zeer hoge drempel opwerpen om het gedrag als crimineel te kunnen aanmerken en verder dat deze misdrijven in de praktijk weinig worden toegepast: “It does not encompass a course of conduct which might consist of several incidents of conduct of a lower intensity, which often form part of the pattern of abuse in domestic violence situations and which is what Article 33 of the Istanbul Convention seeks to define”. [105] GREVIO maakt zich zorgen dat de definities van de misdrijven “dwang” en “bedreiging” niet voldoen aan de norm zoals gesteld door het Verdrag “in that it requires a victim to be compelled to act or not to act and it may fail to address or target psychological violence employed against a victim in the early stages of the cycle of violence or abuse, or throughout, in order to control the victim. Women who are isolated, controlled, intimidated and threatened by their partners day after day would be more likely to report this behaviour if they knew that what they were experiencing was a crime. Without a criminal offence that adequately covers this type of conduct, law-enforcement agencies are ill-equipped to respond”. [106]
evaluation reportover Nederland. [108] De kritiek die vijf jaar eerder werd geuit in het onder 7.14 en 7.15 besproken rapport keert daarin terug:
Hedlund en Lindenbergzijn van mening dat om die reden lastig te duiden is “wat nu precies van verdragsstaten wordt verwacht om aan de onderhavige verdragsverplichting te voldoen”. [114] Janssen, Dreissen en Junckertrekken een verdergaande conclusie wanneer zij schrijven dat het zeer de vraag is of de strafbaarstelling van psychisch geweld in art. 33 Verdrag Pro verder moet gaan dan hetgeen thans reeds strafbaar is op grond van art. 284 Sr Pro en art. 285 Sr Pro: “Art. 33 heeft Pro alleen betrekking op opzettelijke beschadiging van de geestelijke integriteit en is beperkt tot die vormen (dwang en bedreiging) die als een ernstige beschadiging kunnen worden gekwalificeerd”. [115] Zelf kom ik gezien de tekst van art. 33 Verdrag Pro van Istanboel en gelet op het
explanatory reportbij het Verdrag (zie onder 7.9) tot een iets andere conclusie: de mogelijkheid tot strafrechtelijke aansprakelijkheid is vereist voor gedragingen waarbij sprake is van dwang of bedreiging, maar die gedragingen hoeven daarbij niet ook zelfstandig de geestelijke integriteit van een ander ernstig te beschadigen, mits zij zodanig gevolg maar wel tenminste in combinatie met elkaar hebben.
Volodina tegen Rusland(art. 3 EVRM Pro),
Tunikova tegen Rusland(art. 3 EVRM Pro),
B.A. tegen IJsland(art. 3 en Pro 8 EVRM) en
Volodina tegen Rusland (No. 2)(art. 8 EVRM Pro). Deze uitspraken staan in het navolgende achtereenvolgens centraal, maar ter verdieping wordt daarbij soms ook andere jurisprudentie betrokken. [116] Ik sluit dit deel over het EVRM af met een conclusie.
Volodinadraait het om de klacht dat de Russische autoriteiten niet hun plicht zijn nagekomen om het huiselijk geweld dat zij had ondergaan door toedoen van haar ex-partner, te voorkomen, te onderzoeken en te vervolgen. [117] Dit levert volgens de klaagster een schending op van art. 3 EVRM Pro. Het zou in het bijzonder gaan om mishandeling ten gevolge waarvan zij een abortus moest ondergaan, ontvoering, dwang, bedreiging met de dood, vernieling, sabotage van de remmen van haar auto, het plaatsen van een peilbaken in haar tas en het zonder toestemming verspreiden van intieme foto’s van haar. [118] Omdat het merendeel van de gedragingen naar Russisch recht geen strafbaar feit opleverden, stelden de autoriteiten geen strafrechtelijk onderzoek in. Zo zouden de bedreigingen aan het adres van klaagster “neither real nor specific” zijn. [119]
Miasyan tegen Armeniëin het algemeen dat “where acts that constitute
serious offencesare directed
against a person’sphysical
or mental integrity, only efficient criminal-law mechanisms can ensure adequate protection and serve as a deterrent factor”. [124] Het lijkt mij in het algemeen lastig voor te stellen dat niet aan dit “serious offences”-criterium wordt voldaan in gevallen van psychisch geweld waarin sprake is van het “minimum level of severity” dat is vereist voor toepasselijkheid van het verbod van onmenselijke behandeling in art. 3 EVRM Pro. Uit het arrest Volodina volgt dan ook dat de daarin vastgestelde tekortkoming in de bescherming van klaagster tegen het jegens haar uitgeoefende huiselijk psychisch geweld – dat zoals opgemerkt zelfstandig als onmenselijke behandeling wordt aangemerkt – een materieel strafrechtelijke gebrek betreft. [125] Maar zoals blijkt uit voormelde zaak
Miasyan tegen Armenië(over art. 8 jo Pro. 14 EVRM) en de verderop uitgebreider te bespreken zaak
Volodina (No. 2)(art. 8 EVRM Pro), voor zover “acts encroaching on an individual’s psychological integrity are concerned, the obligation to maintain and apply in practice an adequate legal framework does not always require that a criminallaw provision covering the specific act be put in place. The legal framework could also be made up of administrative or civil-law remedies capable of affording sufficient protection, possibly combined with procedural remedies such as the granting of an injunction”. [126] Dit zal dan in elk geval gelden voor feiten die niet ernstig zijn.
Zherdev tegen Oekraïne.In deze zaak – die geen betrekking heeft op huiselijk geweld – hadden politieambtenaren de toen zestienjarige klager, die werd verdacht van moord en voor het eerst met het strafrecht in aanraking kwam, minstens tweeënhalf uur geboeid en vrijwel naakt laten doorbrengen en hem geplaatst bij volwassen gedetineerden. Het EHRM oordeelt dat dit tot een staat van onzekerheid en kwetsbaarheid heeft geleid en dat hij gevoelens van angst, benauwdheid, hulpeloosheid en minderwaardigheid moet hebben ervaren die zijn waardigheid hebben aangetast. Daarmee was sprake van vernederende behandeling in strijd met art. 3 EVRM Pro. Er was echter geen bewijs dat de autoriteiten de intentie hadden om de klager te vernederen. Het EHRM concludeert daarom dat niet noodzakelijkerwijs een strafrechtelijke reactie was vereist; de klachten zouden bijvoorbeeld kunnen worden behandeld in het kader van een administratief onderzoek en/of een tuchtprocedure tegen de betrokken politieambtenaren. [127]
Nicolae Virgiliu Tănase tegen Roemenië:
Volodinadat klaagster slachtoffer is van een schending van art. 3 EVRM Pro. Hier nog van belang is dat er daartoe onder meer op wordt gewezen dat specifieke wetgeving om huiselijk geweld aan te pakken ontbreekt in Rusland, het begrip “huiselijk geweld” niet is gedefinieerd of genoemd in de wetgeving, huiselijk geweld niet afzonderlijk strafbaar is gesteld, de omstandigheid dat geweld plaatsvindt binnen het huishouden ook geen strafverzwarende omstandigheid is, en het Russische Wetboek van Strafrecht geen onderscheid maakt tussen huiselijk geweld en andere vormen van geweld. Dit betekent nog net niet dat uitdrukkelijke strafbaarstelling van huiselijk geweld – dat zoals opgemerkt ook psychische mishandeling omvat – zonder meer noodzakelijk is op grond van het EVRM, maar het is duidelijk dat het belang van zulke expliciete strafwetgeving sterk wordt benadrukt en dat het vereiste “legal framework” bij afwezigheid van zulke wetgeving niet zomaar als toereikend zal worden aangemerkt. Belangrijk is ook dat het EHRM wetsbepalingen afwijst als die inhouden dat mishandeling van familieleden alleen strafbaar is als het feit binnen twaalf maanden voor de tweede keer wordt gepleegd of als het ten minste tot “minor bodily harm” heeft geleid. Het EHRM overweegt daartoe dat “domestic violence may take many forms, some of which do not result in physical injury – such as psychological or economic abuse or controlling or coercive behaviour”. [131] Op grond van het voorgaande oordeelt het EHRM dat het Russische raamwerk “falls short of the requirements inherent in the State’s positive obligation to establish and apply effectively a system punishing all forms of domestic violence and providing sufficient safeguards for victims”. [132]
Volodina tegen Rusland(paras. 78-79, zie onder 7.20) in acht. [136] Het EHRM overweegt dat het juridisch raamwerk niet is veranderd in de twee jaren na de uitspraak in de zaak
Volodina:
Hedlundsanalyse over deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in de uitspraak
Tunikova tegen Rusland: [148]
PHvK] until 2016, the legal framework had already provided for enhanced punishment in such cases. […] The Court reiterates that while the Istanbul Convention[ [156] ] requires the criminalisation of domestic violence, it does not prescribe specific standalone offences. Rather, it allows for the inclusion of domestic violence as either a constituent element of particular offences or an aggravating circumstance in sentencing for other offences established by the Convention”. [157]
Volodina (nr. 2)gaat het om een klacht (van dezelfde klaagster als in de onder 7.19 e.v. behandelde zaak) over een schending van het recht op privéleven in de zin van art. 8 EVRM Pro. De zaak betreft de verplichting van de staat om Volodina te beschermen tegen “cyberviolence”, waaronder de verspreiding door haar ex-partner van haar intieme foto’s zonder toestemming, stalking en identiteitsfraude, en de verplichting om een effectief onderzoek dienaangaande in te stellen. [159]
Volodina (No. 2)waren “the acts of cyberviolence” echter “sufficiently serious to require a criminal-law response on the part of the domestic authorities”. [163] Het EHRM oordeelt dat hoewel het Russisch wettelijk kader de strafvorderlijke autoriteiten de mogelijkheid verschafte om het cybergeweld te vervolgen, de wijze waarop zij de zaak daadwerkelijk hebben behandeld – met name de terughoudendheid om een strafzaak te openen en het trage tempo van het onderzoek, waardoor de dader straffeloos bleef – blijk gaf van een verzuim om uitvoering te geven aan hun positieve verplichtingen uit hoofde van art. 8 EVRM Pro. [164] De feiten en omstandigheden van het geval bepalen dus of strafbaarstelling is vereist om te voldoen aan de positieve verplichtingen die voortvloeien uit art. 8 EVRM Pro. Het EHRM geeft in
Volodina (No. 2)geen maatstaf om te bepalen wanneer psychisch geweld dat niet de drempel haalt van art. 3 EVRM Pro, toch als dermate ernstig heeft te gelden dat het strafbaar moet zijn gesteld vanwege art. 8 EVRM Pro. [165] Afgaande op de feiten in
Volodina (No. 2)lijkt het er niettemin op dat zowel de gedragingen als de gevolgen behoorlijk ernstig moeten zijn. De feiten in de zaak zijn immers niet mals: het opzettelijk vernederen en kleineren van klaagster (door intieme foto’s van haar te publiceren met de bedoeling om de aandacht van haar zoon, zijn klasgenoten en hun leraar te trekken) en het veroorzaken van gevoelens van angst, verdriet en onveiligheid (door haar met een GPS-apparaat te volgen en haar doodsbedreigingen via sociale media te sturen).
M.Ș.D. tegen Roemeniëdat er ook bij alleen “online harassment” (in een nauwe relatie) ingevolge art. 8 EVRM Pro een verplichting kan gelden om daartegen strafrechtelijk op te treden, hetgeen impliceert dat dit strafbaar moet zijn gesteld. Die verplichting is kennelijk van toepassing als de gedragingen aanzienlijke gevolgen hebben voor het slachtoffer (“considerably affected the applicant”). In die zaak had de ex-partner van het slachtoffer intieme foto’s van haar samen met haar naam, telefoonnummer en huisadres op websites van escortdiensten geplaatst en die foto’s bovendien onder haar familie en vrienden verspreid en openbaar gemaakt via sociale media door zich opzettelijk voor te doen als één van haar vrienden of als het slachtoffer zelf. Als gevolg van deze gedragingen werd het slachtoffer blootgesteld aan intimidatie door onbekende personen die haar seksuele diensten wilden afnemen. Een en ander heeft het psychisch en fysiek welzijn van het slachtoffer ernstig aangetast en heeft langdurig impact gehad op haar psychische gezondheid, wat uiteindelijk haar vermogen om samen te leven – en relaties aan te gaan, te onderhouden en te koesteren – met anderen heeft beïnvloed.
K.U. tegen Finland.In lijn met hiervoor geciteerde overwegingen overweegt het EHRM in die zaak over “the State’s positive obligations under Article 8 to safeguard the individual’s physical or moral integrity” onder meer: [166]
grave acts, where fundamental values and essential aspects of private life are at stake,
requires efficient criminal-law provisions[…]. […] States have a positive obligation inherent in Article 8 of the Convention to criminalise offences against the person, including attempted offences, and to reinforce the deterrent effect of criminalisation by applying criminallaw provisions in practice through effective investigation and prosecution […]. Where the physical and
moral welfare of a childis threatened, such injunction assumes even greater importance. […] It is plain that both the public interest and the protection of the interests of victims of crimes committed against their physical or
psychological well-beingrequire the availability of a remedy enabling the actual offender to be identified and brought to justice.”
F.O. tegen Kroatiëbetreft een destijds nog net 17-jarige jongen die een wiskundeleraar had die onder anderen hem over een periode van tien dagen herhaaldelijk in de klas uitmaakte voor onder meer zwakzinnige, idioot, dwaas en kinkel, die tegen hem schreeuwde en die tijdens een les verklaarde dat de directeur hem had gebeld maar dat “als je tegen een dwaas zegt dat hij een dwaas is, dan hoort dat geen belediging voor hem te zijn.” De huisarts van de jongen stelde in relatie tot de pesterijen van de leraar de werkdiagnose posttraumatische stressstoornis vast en volgens een psycholoog leed de jongen als gevolg van de psychische pesterijen op school aan een acute angststoornis. Ook stelde hij vast dat de jongen opgroeide in een functionerend gezin en dat hij het erg goed deed op school. Volgens de jongen leidde de gebeurtenissen tot slechte schoolresultaten waardoor hij niet werd toegelaten tot de door hem gekozen universitaire opleiding. Het EHRM overwoog dat de motivering van de afwijzing door het openbaar ministerie van de strafrechtelijke aangifte tegen de leraar op gespannen voet stond met de plicht van de autoriteiten om een “zero tolerance”-beleid te voeren aangaande geweld of misbruik in onderwijsinstellingen, maar dat een aanpak ter bescherming van kinderen tegen geweld moet worden afgestemd op de ernst ervan. Het hof oordeelde dat “in the circumstances of the present case” inzet van een strafrechtelijke procedure niet noodzakelijk was om te voldoen aan de verplichtingen van de staat onder art. 8 EVRM Pro. [168]
Nicolae Virgiliu Tănase tegen Romenië. [169] Daarin ging het om allerlei psychisch leed dat de (ruim 60 jaar oude) klager ondervond na een auto-ongeval door de afhandeling daarvan. Dit was onvoldoende voor het EHRM om te kunnen concluderen tot toepasselijkheid en schending van art. 8 EVRM Pro. Daarbij merk ik op dat er in die zaak van opzet op het beschadigen, vernederen of kleineren van de klager geen sprake was.
Tolić e.a. tegen Kroatië. Daarin overwoog het EHRM uitdrukkelijk dat er uit art. 8 EVRM Pro geen verplichting voor de autoriteiten voortvloeide om strafrechtelijk te reageren op het jarenlang van klagers zijn blootgesteld aan ernstige milieugevaren als gevolg van waterverontreiniging in hun appartementen, hoe onaangenaam die waterverontreiniging ook moet zijn voor de klagers. [170]
Nicolae Virgiliu Tănaseals
Tolićinhoudelijk aan art. 8 EVRM Pro. Dit resulteert in een afwijzing van de klachten, niet omdat deze zaken geen minderjarige slachtoffers of huiselijk geweld betroffen, wel omdat de voor de klagers nadelige gedragingen en de gevolgen daarvan onvoldoende ernstig waren. Dat geldt – zij het blijkens het arrest van het EHRM veel minder evident – ook voor F.O. tegen Kroatië, ofschoon het daarin wel om een minderjarige ging.
8.Strafbaarheid van psychische mishandeling in andere landen
Timmersde zelfstandige strafbaarstellingen van het plegen van psychisch geweld en/of dwingende controle onderzocht voor de landen Denemarken, Engeland & Wales, Ierland, Frankrijk en Cyprus. [175] Voor een uitvoerige beschrijving van de wettelijke regelingen en een analyse van de voorwaarden voor aansprakelijkheid op het gebied van psychische mishandeling in die landen verwijs ik naar dit onderzoek. In deze conclusie beperk ik mij tot het geven van een indruk van de wettelijke regelingen in
Denemarken,
Engeland & Walesen
Frankrijken in het nog in werking te treden nieuwe Strafwetboek van
Belgiëop het gebied van psychische mishandeling en de redenen om te kiezen voor een zelfstandige strafbaarstelling. Ik zal dit afzetten tegen een land waarin uitdrukkelijk is gekozen een zelfstandige strafbaarstelling van psychische mishandeling achterwege te laten, te weten
Duitsland.
Münchener Kommentarop het Strafgesetzbuch wordt benadrukt dat hoewel medisch-biologische inzichten het steeds aannemelijker maken dat alle psychische reacties tevens lichamelijk zijn, juristen bij het ontbreken van wetgeving niet voorbij moeten gaan aan de bedoeling van de wetgever om geestelijk leed te onderscheiden van lichamelijk leed. Het recht zou niet bedoeld zijn om wetenschappelijke nauwkeurigheid te implementeren, maar om het samenleven op praktische wijze te regelen. [243]
körperlichenFunktionen des Opfers nachteilig abweichenden Zustandes” (cursivering
PHvK). [244] Het Bundesgerichtshof voegde in zaken waarin geen lichamelijke gevolgen bij het slachtoffer konden worden vastgesteld toe dat “rein psychische Empfindungen” onvoldoende zijn voor gezondheidsschade. [245] Er zou sprake moeten zijn van een “pathologischen, somatisch objektivierbaren Zustand, vor allem auch nervlicher Art”. [246] In de rechtspraak is gebleken dat emotionele reacties zoals angststoornissen, [247] nachtmerries [248] of flashbacks [249] niet volstaan voor gezondheidsschade. Wel zou af en toe in de rechtspraak gezondheidsschade worden aangenomen wanneer handelingen leiden tot psychische beperkingen zonder klinische/pathologische waarde die wel lichamelijke gevolgen van “enig gewicht” hebben, zoals bedreigende en dwingende telefoontjes die trillen, slaapstoornissen, ademnood en een huilbui van twintig minuten veroorzaken. [250] Of zuiver psychische aandoeningen zonder bijkomende lichamelijke effecten onder gezondheidsschade vallen zou in de jurisprudentie nog niet concreet aan de orde zijn geweest. [251]
lichamelijkemishandeling” betekent en verder: “Voor zover conversiehandelingen lichamelijk leed of een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam teweegbrengen, kunnen zij op basis van bestendige jurisprudentie onder mishandeling vallen.” Uit de toelichting volgt dat daarvan geen sprake is bij psychische mishandeling zoals verbale conversiehandelingen (bijvoorbeeld pseudo-psychotherapeutische sessies en stelselmatig exorcisme), zodat niet bij alle vormen van conversiehandelingen aan de delictsomschrijving van artikel 300 Sr Pro zal zijn voldaan. “Daarom is deze strafbaarstelling niet in alle gevallen geschikt om conversiehandelingen strafrechtelijk te vervolgen.” [265]
NJ2014/402 bevestigd dat de totstandkomingsgeschiedenis van art. 300 Sr Pro niet duidt op “een wijziging van opvatting ten aanzien van de reikwijdte van wat oorspronkelijk was omschreven als het opzettelijk toebrengen van lichamelijk leed of het opzettelijk benadelen van de gezondheid.” [267] Art. 300 Sr Pro is een materieel delict. Het gevolg als zodanig is dus niet nader omschreven in de wet en (het veroorzaken van) een bepaald gevolg staat centraal. [268] Volgens de Hoge Raad strekt art. 300 Sr Pro ter bescherming van de lichamelijke integriteit [269] en moet gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van het artikel onder “mishandeling” in de zin van art. 300 Sr Pro “niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn – zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat […] – maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam.” [270]
Baaijens-Van Gelovendat uit de memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet folteringsverdrag en de memorie van toelichting bij de Wet internationale misdrijven kan worden afgeleid dat onder pijn in de zin van de mishandelingsbepalingen van het Wetboek van Strafrecht alleen lichamelijke pijn moet worden verstaan. [275] Daarnaast blijkt uit het meteen hierna onder 9.11 behandelde arrest HR 11 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:351,
NJ1929, p. 503 dat hoewel de Hoge Raad van opvatting is dat alle leed psychisch is, het bij het strafbaar veroorzaken van pijn om het lichamelijk aspect daarvan gaat. Daarmee is – niet opzienbarend – overigens eveneens duidelijk dat ook de Hoge Raad zich er destijds al van bewust was dat lichamelijke pijn ook psychische gevolgen kan hebben.
NJ1929, p. 503. Daarin was bewezenverklaard dat de verdachte iemand met geweld in een kanaal had geduwd, waardoor deze persoon nat en koud was geworden. In cassatie werd onder meer geklaagd dat “het tenlastegelegde en bewezen verklaarde niet insluit, dat aan [het slachtoffer] pijn of letsel is toegebracht, hetgeen een noodzakelijk vereischte zou zijn voor een veroordeling wegens mishandeling”. Het hof had overwogen dat “het opzettelijk met geweld een persoon in een kanaal duwen, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden en lichamelijk leed heeft ondervonden, zooals ter dagvaarding gesteld en in het vonnis is bewezen verklaard, oplevert “mishandeling” als bedoeld in artikel 300 Wetboek Pro van Strafrecht”. De Hoge Raad oordeelde als volgt: [276]
lichamelijkeonlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, [284] oftewel dat de aard van het gevolg ook wat betreft de onlust lichamelijk moet zijn. A-G Harteveld komt echter tot een benadering waarin het fysieke vereiste verder naar de achtergrond wordt gedrukt. Hij is van opvatting dat de gedraging van de verdachte weliswaar een zekere lichamelijke component wat betreft het slachtoffer moet hebben, maar dat de “min of meer hevige onlust” die deze lichamelijke gewaarwording veroorzaakt niet noodzakelijkerwijs lichamelijk hoeft te zijn. Pas wanneer “enige lichamelijke component, zoals [bij] sarren, vitten of kleineren”, niet aan de orde is, zou mishandeling niet kunnen worden bewezen, aldus Harteveld. [285] Harteveld lijkt dus te veronderstellen dat de aard van de gedraging in die zin lichamelijk moet zijn dat deze een lichamelijke gewaarwording tot gevolg heeft, maar dat hetgeen vervolgens weer door die lichamelijke gewaarwording wordt veroorzaakt – te weten: “een min of meer hevige onlust” – niet ook lichamelijk hoeft te zijn.
NJ2025/166. Bewezenverklaard was het van dichtbij vol in het gezicht en in de ogen spugen, hetgeen het slachtoffer “vreselijk vies en walgelijk vond”. De gedraging van de verdachte had daarmee in elk geval een lichamelijke inwerking op het slachtoffer, aangezien spuug in het gezicht en in de ogen van het slachtoffer terechtkwam. De gewaarwording daarvan was dus lichamelijk. Volgens de Hoge Raad getuigde het niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het toereikend gemotiveerd dat het hof had geoordeeld “dat de verdachte bij het slachtoffer opzettelijk een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording – zoals hiervoor bedoeld – teweeg heeft gebracht en dat hij [benadeelde] heeft mishandeld” (r.o. 2.4). Uit de bewijsvoering bleek niet dat de onlust c.q. het gevolg (zich walgelijk en vies voelen) ook lichamelijk was, bijvoorbeeld doordat dit resulteerde in braken of een andere zich lichamelijk manifesterende onlust. Het heeft er daarmee de schijn van dat de Hoge Raad – in lijn met de opvatting van A-G Harteveld – het vereiste van “het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het
lichaam” (cursivering
PHvK) (r.o. 2.3) zo heeft toegepast dat het lichamelijke alleen op de gewaarwording betrekking hoeft te hebben.
NJ2013/110, r.o. 2.4 houdt in dat “het brengen in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid in de zin van art. 300, vierde lid, Sr”. In deze zaak was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij de aangeefster koffie met een heimelijk daarin vermengd slaapmiddel (Midazolam) had doen drinken ten gevolge waarvan zij in slaap was gevallen. In de tweede cassatieronde herhaalde de Hoge Raad dit oordeel. [286] In de literatuur is wel geopperd dat dit arrest “in ieder geval de algemene aanwijzing [biedt] dat aan het aannemen van een (voltooide) benadeling van de gezondheid niet zonder meer hoge eisen worden gesteld.” [287]
NJ2013/423 m.nt. Legemaate. De verdachte, een BIG-geregistreerde arts, had het slachtoffer alternatieve therapie gegeven terwijl hij wist dat zij was gediagnosticeerd met borstkanker en dat de werking van zijn alternatieve geneeswijze nooit wetenschappelijk was aangetoond. Volgens de Hoge Raad konden de vaststellingen van het hof het oordeel dragen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het door zijn handelen en nalaten benadelen van de gezondheid van het slachtoffer, in die zin dat zij verdere gezondheidsschade zou ondervinden bestaande uit aanzienlijke bekorting van de levensverwachting, de toename van ernstige pijnklachten en ernstig lichamelijk letsel als gevolg van het uitblijven van deugdelijke palliatieve zorg. [288]
10.Slotbeschouwing over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr Pro
adaptation to changing circumstances. Indeed, […] the progressive development of the criminal law through
judicial law-makingis a well entrenched and necessary part of legal tradition. Article 7 of the Convention cannot be read as outlawing the
gradual clarification of the rules of criminal liabilitythrough judicial interpretation from case to case, provided that the resultant development is consistent with the
essence of the offenceand could
reasonably be foreseen.” [299] Te beargumenteren valt dat aan de in deze rechtspraak gestelde voorwaarden is voldaan. Er is sprake van gewijzigde omstandigheden met een sinds 1886 sterk toegenomen kennis en bewustzijn over de schadelijke effecten van psychische mishandeling. Daardoor is het ten minste voor ernstige gevallen van psychische mishandeling ook voorzienbaar dat deze binnen het bereik van de strafwet zouden kunnen worden gebracht. Mede erop gelet dat psychische en fysieke mishandeling medisch niet steeds zonder meer strikt kunnen worden onderscheiden en dat mishandeling maatschappelijk bezien ook psychisch geweld is gaan omvatten, zou men een interpretatie waarbij onder mishandeling stapsgewijs ook bepaalde vormen van psychische mishandeling worden geschaard als graduele verduidelijking kunnen aanmerken. Hoewel art. 300 Sr Pro blijkens de wetsgeschiedenis en huidige rechtspraak strekt tot bescherming van de fysieke integriteit, kan bij een iets abstractere benadering worden volgehouden dat de bepaling in essentie tegen geweldsuitoefening jegens personen beoogt te beschermen. De tekst van de bepaling verzet zich niet daartegen. Bij die benadering zou het door interpretatie zelfstandig onder art. 300 Sr Pro brengen van (bepaalde, voldoende ernstige vormen van) psychisch geweld niet de essentie van het delict miskennen.
11.De beoordeling van het middel
NJ2006/393 m.nt. Buruma is vooropgesteld. De Hoge Raad overwoog onder meer:
door” [314] [slachtoffer] “onder een koude douche te zetten”. Over het onder een koude douche zetten van [slachtoffer] heeft het hof overwogen dat, hoewel de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft bekend dat zij [slachtoffer] op enig moment met zijn kleren aan onder de douche heeft gezet omdat [slachtoffer] kampte met een astma-aanval, het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen vaststellen onder welke omstandigheden zij [slachtoffer] onder de koude douche heeft gezet en of dit bij hem een hevige onlust veroorzakende gewaarwording heeft veroorzaakt. Het hof heeft dus de verdachte niet ervan vrijgesproken dat zij haar zoontje onder een koude douche heeft gezet maar dat zij hem door deze gedraging heeft mishandeld. Kennelijk is het hof van oordeel dat het onder de douche zetten van een kind niet zonder meer een mishandelende gedraging hoeft te zijn en dat van onvoldoende omstandigheden is gebleken waaruit volgt dat de gedraging in concreto wel als zodanig heeft te gelden en dat die bovendien een lichamelijk gevolg heeft gehad of daaraan heeft bijgedragen. Dit oordeel en de motivering daarvan zijn niet onbegrijpelijk en de motivering is evenmin ontoereikend, mede erop gelet dat door het openbaar ministerie geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen waarin uiteen wordt gezet op grond waarvan moet worden aangenomen dat door het onder de koude douche zetten sprake was van mishandeling of een bijdrage daaraan. Daarbij merk ik op dat vrijspraak moet volgen wanneer een op grond van art. 300 Sr Pro ten laste gelegde gedraging die op zichzelf bewijsbaar is naar het oordeel van de rechter niet als
mishandeling kan gelden. [315]
door” [316] [slachtoffer] : “op een krukje te zetten (zonder eten en drinken)”, hem “geruime tijd (meer dan een uur) alleen in een auto achter te laten zonder eten en drinken” en hem “te kleineren en/of denigrerend toe te spreken”. Daartoe heeft het hof overwogen dat “er onvoldoende bewijs is dat deze gedragingen – voor zover bewezen – bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld”. Het hof heeft hiermee als oordeel tot uitdrukking gebracht dat in elk geval niet kan worden bewezen dat de verdachte met genoemde gedragingen heeft mishandeld voor zover al is bewezen dat zij die gedragingen als zodanig heeft begaan. Ook hier geldt dat bij zodanig oordeel inderdaad bij de eerste vraag van art. 350 Sv Pro vrijspraak moet volgen. [317]
enniet geschikt of niet ernstig genoeg waren voor het benadelen van de geestelijke gezondheid” of “dat niet aangetoond kon worden dat [slachtoffer] zijn geestelijke gezondheid als gevolg van de tenlastegelegde handeling
endaadwerkelijk benadeeld was”. [318]