ECLI:NL:HR:2026:66

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
24/03488
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen zware mishandeling met voorbedachte raad en de kwalificatie van zwaar lichamelijk letsel

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De verdachte was beschuldigd van medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad. De feiten betroffen een geweldsincident op 6 mei 2016, waarbij de verdachte samen met anderen het slachtoffer meermalen tegen zijn hoofd en lichaam heeft geschopt, getrapt en geslagen. Het slachtoffer liep hierdoor meerdere fracturen op, waaronder breuken in de kaakholte, oogkasbodem, neusbijholte, jukbeen en kuitbeen, alsook een ontwrichting van het sleutelbeen. De Hoge Raad heeft zich gebogen over de vraag of deze verwondingen als 'zwaar lichamelijk letsel' kunnen worden gekwalificeerd volgens de relevante artikelen van het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad concludeerde dat de aard, samenstel en veelheid van de aan het slachtoffer toegebrachte letsels zo ernstig waren dat deze als zwaar lichamelijk letsel moesten worden aangemerkt, ook zonder nadere vaststellingen over de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel van de verdachte, waarbij de advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de tenlastelegging en de strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onjuist had geoordeeld over de kwalificatie van het letsel en dat de klachten in het cassatiemiddel niet konden leiden tot vernietiging van de uitspraak.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03488
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 september 2024, nummer 20-001288-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat sprake is van ‘zwaar lichamelijk letsel’ als bedoeld in artikel 302 lid 1 in samenhang met artikel 303 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank onder verbetering van gronden bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf. In dat vonnis is overeenkomstig de tenlastelegging ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“op 6 mei 2016 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, aan [slachtoffer] opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten
* fracturen (o.a. de rechter kaakholte en de oogkasbodem en de neusbijholte en het rechterjukbeen en het linkerkuitbeen (ter hoogte van de knie)) en
* een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen
heeft toegebracht door deze meermalen met (aanzienlijke/forse) kracht tegen diens hoofd en/of in diens gelaat en tegen diens overige lichaamsdelen te schoppen/trappen en/of stompen/slaan.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“IV. Het geschrift, te weten medische informatie/letselbeschrijving van [specialist 1] , forensische arts, pagina 590 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Informatie ontvangen van chirurg [ziekenhuis] over behandeling aldaar op de spoedeisende hulp op 06-05-2016.
Er was een bloeduitstorting rondom het rechteroog. Linker been is gezwollen door een bloeduitstorting. CT-scan van het hoofd toonde een breuk van de rechter kaakholte op 2 plekken. Breuk van de oogkasbodem. Röntgenfoto van de rechter toonde dat het sleutelbeen uit de kom was.
V. Het rapport Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI d.d. 25 oktober 2016, pagina’s 593-600 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit onderzoek door forensisch arts KNMG [specialist 2] bleek dat er bij [slachtoffer] een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie was, een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts.
Op de CT-scan van het aangezicht werden zwellingen (‘induraties’) waargenomen aan de rechterzijde van het aangezicht, de rechteronderkaak en de rechterwang, rechts op het voorhoofd, aan de oogleden van het rechteroog en aan de linkerwang. Daarbij waren er breuken van de rechterneusbijholte aan de binnenwaartse en aan de buitenwaartse zijde (‘de mediale begrenzing en de laterale begrenzing van de sinus maxillaris’), aan het rechterjukbeen (‘arcus zygomaticus’) en aan de rechteroogkasbodem (‘orbitabodem’), met verplaatsing van oogkasinhoud naar benedenwaarts (‘verplaatsing van orbitaal vet naar caudaal’).
De bij [slachtoffer] waargenomen breuken en weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn passend bij meerdere botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de linkerknie.”
2.2.3
Het door het hof bevestigde vonnis houdt verder onder meer in:
“Toedracht en letsel
De rechtbank constateert dat het opgelopen letsel van aangever past bij zijn verklaring dat hij meerdere malen tegen zijn hoofd en lijf is geschopt en geslagen.
Uit de medische informatie blijkt dat er bij aangever sprake was van een bloeduitstorting rondom zijn rechteroog, een gezwollen linkerbeen door een bloeduitstorting en dat zijn rechter kaakholte op twee plekken gebroken was. Ook was zijn oogkasbodem gebroken en zijn sleutelbeen uit de kom. De forensische arts constateerde tevens dat er sprake was van een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie en een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts. De waargenomen breuken en weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn volgens de arts passend bij meerdere botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de knie.
(...)
De rechtbank concludeert dat er sprake is geweest van zodanig uitgeoefend geweld dat aangever daardoor het genoemde letsel heeft opgelopen. De rechtbank overweegt hierbij dat het letsel van aangever zwaar lichamelijk letsel is in de zin van artikel 303 Wetboek van Strafrecht.”
2.3.1
De tenlastelegging onder 1 is toegesneden op artikel 302 lid 1 in samenhang met artikel 82 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘zwaar lichamelijk letsel’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepalingen.
2.3.2
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 82 Sr:
“1. Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw.
2. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft.”
- Artikel 302 lid 1 Sr:
“Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4.1
Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr geeft echter wel tot op zekere hoogte invulling aan dat begrip doordat deze bepaling inhoudt dat onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen: “ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw”, alsmede “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft”. Artikel 82 Sr strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat in de in die bepaling genoemde gevallen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, maar de wetgever heeft niet beoogd in die bepaling een limitatieve opsomming te geven.
2.4.2
Artikel 82 Sr laat de rechter de vrijheid om ook buiten de onder 2.4.1 aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan moeilijk precies worden aangegeven wanneer dat letsel als zwaar lichamelijk letsel geldt.
2.4.3
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit.
De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.
2.4.4
Wat de aard van het letsel betreft, zijn buiten de in artikel 82 Sr genoemde gevallen ook het verlies van het gebruik van een zintuig, verminking en verlamming als zwaar lichamelijk letsel te beschouwen. Van zodanig letsel kan ook sprake zijn bij ernstige lichamelijke schade aan de gezondheid, bijvoorbeeld vanwege een inwendige biochemische ontregeling die haar oorsprong vindt in het achterwege laten van het gebruik van voor de gezondheid onontbeerlijke geneesmiddelen of vanwege een besmetting van een persoon met een bacterie of virus, zoals het HIV-virus.
Psychische gevolgen die niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens als bedoeld in artikel 82 lid 2 Sr, kunnen echter niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
2.4.5
Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Ten aanzien van gebitsschade, zoals afgebroken tanden, verdient opmerking dat, nu gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, in beginsel nadere specifieke vaststellingen over in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk zijn. In dit verband kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen.
2.4.6
Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn als het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook als het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Verder kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie ‘zwaar lichamelijk letsel’; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk.
In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.
2.4.7
De beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is buiten de onder 2.4.1 aangeduide gevallen in belangrijke mate voorbehouden aan de feitenrechter. Zijn oordeel daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Als uit de bestreden beslissing niets blijkt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.
2.4.8
Het voorgaande brengt met zich dat, als het toebrengen of veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel wordt tenlastegelegd, het voor de beoordeling door de rechter van belang kan zijn dat zich bij de processtukken gegevens bevinden die concreet informatie geven over (elk van) de onder 2.4.3 genoemde gezichtspunten. Het openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat de hiervoor benodigde (medische) stukken, voordat de zaak op de terechtzitting wordt behandeld, bij de processtukken worden gevoegd (vgl. artikel 149a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering). In voorkomende gevallen kan de rechter – desnoods door aanhouding van de behandeling van de zaak – bewerkstelligen dat stukken met nadere informatie over het letsel alsnog bij de processtukken worden gevoegd.
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer als gevolg van de bewezenverklaarde geweldshandelingen van de verdachte en zijn mededaders – naast een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen – breuken in meerdere lichaamsdelen, te weten breuken op twee plaatsen van de kaakholte, de oogkasbodem, de neusbijholte, het jukbeen en het kuitbeen heeft opgelopen. Verder heeft het hof vastgesteld dat het slachtoffer op de spoedeisende hulp van een ziekenhuis is behandeld door een chirurg. Op grond hiervan heeft het hof kennelijk geoordeeld dat in dit specifieke geval de aard, het samenstel en de veelheid van de aan het slachtoffer toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze – ook zonder nadere vaststellingen over de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel – als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 302 lid 1 in samenhang met artikel 303 lid 1 Sr moeten worden aangeduid. Dat oordeel getuigt in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.7
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.