Uitspraak
[requirant], landbouwer, geboren te
[geboorteplaats][geboortedatum] 1906, wonende te
[woonplaats], requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
Leeuwardenvan 18 October 1928, waarbij in hooger beroep is bevestigd een mondeling vonnis van den Politierechter te
Assenvan 25 April 1928, bij welk vonnis de requirant, wegens mishandeling, met aanhaling van artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf;
Van Dijck;
Van Lier, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;
eerstemiddel van cassatie niet kan opgaan, aangezien de Politierechter wel degelijk heeft onderzocht of het water, waarin de getuige [slachtoffer] is geduwd, inderdaad een ‘’kanaal" was;
vierdemiddel:
wathem op zijn terechtzitting omtrent de persoonlijkheid van den verdachte was gebleken, m.a.w.
waaromdie byzondere reden hem tot toepassing van de opgelegde straf heeft geleid; terwijl ten slotte de eisch van het opgeven der byzondere redenen, welke de straf hebben bepaald of tot den maatregel hebben geleid, niet beteekent, dat alleen byzondere feiten, in tegenstelling tot algemeene overwegingen, voor de motiveering van straf of maatregel mogen worden gebruikt, doch enkel, dat er, terwijl reeds het vonnis in het algemeen gemotiveerd behoort te wezen, een byzondere, dat wil zeggen: afzonderlijke, redengeving moet zijn voor de in concreto gevolgde toepassing van straf of maatregel;
tweedeen het
derdemiddel:
insluit, zoodat niet kan opgaan de grief van het derde middel, als zou het Hof, blijkens bedoelde overweging, daarin namelijk sprekende van:
‘’enlichamelijk leed heeft ondervonden’’, terwijl in de dagvaarding sprake is van
‘’derhalvelichamelijk leed heeft ondervonden’’, niet op den grondslag der telastlegging hebben beraadslaagd en beslist;