Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 (met uitzondering van het tweede gedachtestreepje) en 2 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een werkstraf van 240 uur en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
4.Inleiding
5.Ontvankelijkheid officier van justitie
Het voorgaande betekent dat moet worden nagegaan of er op 1 januari 2020 sprake was van een reeds voltooide verjaring. Daarbij geldt dat de dagvaarding in deze zaak aan de verdachte is betekend op 28 december 2024, zodat van stuiting van voormelde mogelijke verjaring geen sprake is. Voor deze zaak betekent het voorgaande concreet dat gedragingen die zich vóór 1 januari 2008 hebben voorgedaan, zijn verjaard. Voor zover gedragingen vanaf 1 januari 2008 hebben plaatsgehad, zijn deze niet verjaard. Gelet op het bovenstaande is het recht tot strafvervolging komen te vervallen voor wat betreft de tenlastegelegde gedragingen in de periode vóór 1 januari 2008.
6.Waardering van het bewijs
1 januari 2008tot en met 24 september 2021 te Vlaardingen, zijn kinderen,
7.Strafbaarheid feit
8.Strafbaarheid verdachte
9.Motivering straf
10.Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
12.Bijlagen
13.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
75 dagen;
€ 4.000,- (zegge: vierduizend euro),bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [kind 2] te betalen
€ 4.000,- (hoofdsom,
zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 4.000,- niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
50 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
€ 1.000,- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [kind 3] te betalen
€ 1.000,-(hoofdsom,
zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.000,- niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
15 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;