Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Slotsom
6.Beslissing
3 februari 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor mishandeling omdat zij samen met een mededader het hoofdhaar van het slachtoffer had afgeschoren terwijl het slachtoffer werd vastgehouden. Het hof kwalificeerde dit als het toebrengen van lichamelijk letsel vanwege de ontsiering en de wijze waarop dit gebeurde.
De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie dat mishandeling onder art. 300 Sr Pro ook het veroorzaken van een hevige onlust veroorzakende gewaarwording kan omvatten, maar stelt dat het afscheren van haar, noch volgens algemeen taalgebruik noch verkeersopvattingen, als lichamelijk letsel kan worden beschouwd.
De bewezenverklaring dat het slachtoffer letsel heeft opgelopen door het afscheren is volgens de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd en niet naar de eis der wet. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het mishandeling betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Het beroep van de verdachte wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad acht geen grond aanwezig om ambtshalve te vernietigen buiten het genoemde onderdeel.
De zaak zal in hoger beroep opnieuw worden behandeld door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor het onderdeel mishandeling en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.