Conclusie
1.Inleiding en overzicht
in cassatiete vermelden. Indien ik het Hof noem zonder specificatie, doel ik op de uitspraak van het Hof in de zaak 23/00771. Die uitspraak staat namelijk in deze bijlage in het bijzonder centraal. Het processtuk van de Staatssecretaris is in beide zaken (nagenoeg) gelijkluidend wat betreft de in deze bijlage aan de orde zijnde rentekwestie. [2] Indien ik naar een processtuk van de Staatssecretaris verwijs, doe ik dat naar het beroepschrift in cassatie in de zaak 23/00771.
centrale vraagin deze bijlage is of een belastingplichtige aanspraak kan maken op een rentevergoeding bij een – naar aanleiding van het Kerstarrest verleende – teruggaaf van in strijd met het EVRM geheven box 3-belasting, hoewel de Nederlandse wet daarin niet voorziet.
die vraag bevestigend beantwoord. Art. 41 EVRM Pro en de toepassing die het EHRM daaraan heeft gegeven in het
Darby-arrest, spelen daarbij een belangrijke rol. De Staatssecretaris heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld.
de cruxnaar mijn mening
nietgelegen is in
art. 41 EVRM Pro. Dat artikel richt zich namelijk op het EHRM. De gedachtegang van het Hof is denkelijk dat aangezien het EHRM een rentevergoeding kan toekennen bij schending van het EVRM, het ook mogelijk moet zijn dat de Nederlandse rechter een rentevergoeding toekent als reeds in de Nederlandse procedure de EVRM-schending komt vast te staan. Die gedachte is naar mijn mening niet zo vreemd gelet op het subsidiairiteitsbeginsel dat bij het EVRM zo belangrijk is. De draaiknop voor de Nederlandse rechter kan echter niet art. 41 EVRM Pro zijn. De mogelijke draaiknop is
art. 13 EVRM Pro. Dat artikel bevat het – uit het oogpunt van het subsidiairiteitsbeginsel zo belangrijke – recht op een
effective remedy.
opbouwvan deze bijlage is als volgt. Onderdelen 2 tot en met 5 zijn inleidend van aard en/of geven achtergrond. Het inhoudelijke zwaartepunt is gelegen in de onderdelen 6 tot en met 8.
onderdeel 2ga ik kort in op de aanleiding voor de onderhavige rentekwestie, namelijk het Kerstarrest.
Onderdeel 3bevat een weergave van de oordelen van het Hof over de rentekwestie. Ik geef daarbij ook een duiding van de overwegingen van het Hof, omdat de juridische redenering van het Hof mij niet direct duidelijk is. Het lijkt erop dat het Hof zijn toekenning van de rentevergoeding baseert op een
toepassingvan art. 41 EVRM Pro (3.5-3.6). Verder geef ik commentaren op de uitspraak van het Hof in de zaak 23/00771 weer (3.14-3.19).
Onderdeel 4behandelt kort de Wet rechtsherstel box 3. Deze wet voorziet niet in een bepaling op grond waarvan rente wordt toegekend bij vermindering van de aanslag en/of bij de teruggaaf van inkomstenbelasting.
Onderdeel 5gaat in op de belastingrente- en invorderingsrenteregeling. Deze voorzien als uitgangspunt niet in rentevergoeding bij teruggaaf van belasting naar aanleiding van een gegrond rechtsmiddel.
restitutio in integrumin het geval van schending van het EVRM
.Onderdeel van een schadevergoeding kan zijn een vergoeding wegens rentederving c.q. geldontwaarding (6.28-6.30). Een dergelijke vergoeding pleegt het EHRM – desgevraagd – ook toe te kennen in het geval van belasting die in strijd met het EVRM is geheven (6.31-6.38). Wat betreft de hoogte van de vergoeding zijn de nationale wettelijke renteregels niet zonder meer leidend (6.39). Vervolgens komt art. 13 EVRM Pro aan bod (6.40-6.48). Dat artikel speelt namelijk een grote rol in mijn beschouwing.
onderdeel 7komt aan de orde (i) dat er geen wettelijke grondslag is voor een rentevergoeding bij een box 3-teruggaaf (7.2-7.4), (ii) dat de ontsnappingclausule uit het Harmonisatiewet-arrest van “niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden” geen uitkomst biedt, (iii) dat een rentevergoeding ook niet kan worden toegekend op grond van art. 8:73 Awb Pro (7.8-7.11), en (iv) dat – anders dan waarvan het Hof uitgaat – een rentevergoeding door de Nederlandse rechter niet kan worden gebaseerd op art. 41 EVRM Pro (7.14-7.17), ook niet via een reflexwerking ervan (7.18-7.21).
onderdeel 8behandel ik of art. 13 EVRM Pro aanknopingspunt biedt voor vergoeding van rentenadeel wegens in strijd met het EVRM geheven belasting. De vraag is of de omstandigheid dat geen rente
kanworden vergoed bij teruggaaf van in strijd met het EVRM geheven belasting betekent dat het recht op een
effective remedy(in zoverre) wordt geschonden (8.3-8.4). Ik heb geen duidelijke aanknopingspunten gevonden voor beantwoording van die vraag (8.5-8.6). Ik bepleit invulling van de witte plek aan de hand van algemene EVRM-principes, met name het subsidiairiteitsbeginsel en het uitgangspunt van
restitutio in integrum(8.7-8.8). Hoewel er tegenargumenten zijn (8.9-8.10), bepleit ik op basis van die invulling dat het niet verenigbaar is met art. 13 EVRM Pro indien een vergoeding van schade in de vorm van “the loss of value of money over time” zonder meer wordt uitgesloten (8.11). Ik zie geen (overtuigende) reden om daarvan af te wijken voor de box 3-kwestie (8.12-8.18). Wat betreft de hoogte van de vergoeding, meen ik dat de minst op het wettelijk systeem ingrijpende manier om de schending van art. 13 EVRM Pro op te heffen is om de fiscale renteregelingen in zoverre buiten toepassing te laten dat deze niet verhinderen dat de belastingrechter wettelijke rente vergoedt op grond van art. 8:73 Awb Pro (8.20-8.23). Daarbij speelt mee dat het hanteren van het belastingrentepercentage zou leiden tot ‘overcompensatie’ voor “the loss of value of money over time” (8.22). Tot slot, ik geef de Hoge Raad in overweging om geen gevolg te geven aan de suggestie van de Staatssecretaris om ‘prejudiciële vragen’ te stellen aan het EHRM (8.24).
in de kern: indien de belastingrechter tot het oordeel komt dat het geboden rechtsherstel onvoldoende is om ook “the loss of value of money over time” te compenseren, dan brengt art. 13 EVRM Pro mee dat de belastingrechter wettelijke rente kan vergoeden op grond van art. 8:73 Awb Pro om in dat rechtstekort te voorzien.
2.Aanleiding: het Kerstarrest
nietin dat (belasting)rente wordt vergoed ter zake van de (eventuele [4] ) belastingteruggaaf als gevolg van de vermindering van de aanslagen.
3.Oordelen van het Hof; eerste duiding; commentaren in de vakliteratuur
Zaak 23/00771
Darbykan worden afgeleid dat het EHRM in zo’n geval een rentevergoeding toekent die aansluit bij de nationale wet (rov. 4.12).
Irimie-arrest geoordeeld dat bij een Unierechtsschending de lidstaten verplicht zijn over een belastingteruggave rente te vergoeden. In aansluiting hierop is art. 28c IW ingevoerd (rov. 4.12).
Darbyis van toepassing (rov. 4.13).
Darbyarrest) een oriëntatiepunt vormen bij het bieden van rechtsherstel?
Irimie-arrest en de invoering van art. 28c IW (rov. 4.12) inneemt in de redenering van het Hof, is mij niet duidelijk. Het gaat hier immers niet om een kwestie die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, [6] en het Hof kent geen invorderingsrente toe. Ik houd het er daarom maar op dat wat het Hof overweegt over het
Irimie-arrest een associatief, rechtsvergelijkend argument is, maar geen dragend argument. Ik wijs er in dat kader ook op dat de hierna aan de orde komende uitspraak in de zaak 23/00989 geen overweging bevat waarin het
Irimie-arrest figureert.
toepassenc.q. dat zijn bevoegdheid om een rentevergoeding toe te kennen haar juridische grondslag vindt in (art. 94 Grondwet Pro in verbinding met) art. 41 EVRM Pro. Aan de andere kant valt niet uit te sluiten dat het Hof de belastingrenteregeling
toetstaan art. 41 EVRM Pro, gelet op zijn overweging in rov. 4.9 over de “eventuele strijdigheid” van het belastingrentesysteem met het EVRM. Dat zou dan wel gaan om “in een geval als dit”, waarmee het Hof denkelijk doelt op het geval waarin belasting is geheven in strijd met het EVRM. De vraag rijst dan wel weer waarom het Hof het adjectief ‘eventuele’ heeft opgenomen, terwijl het Hof daarvóór onverkort spreekt over een verplichting.
restitutio in integrum(
JV: cursivering).’
Darby-arrest en de verwijzing naar het
Irimie-arrest in twijfel: [14]
4.Wet rechtsherstel box 3
a fortiori(aangezien bij de FSV-problematiek niet aan de orde is althans hoeft te zijn dat het inkomen materieel gezien te hoog was vastgesteld). Kennelijk is de ene grondrechtschending de andere niet. Ten tweede: dit wetsvoorstel plaatst het argument (in het cassatieberoepschrift) van ‘rentevergoeding vergt maatwerk’ in perspectief: de wijze van rentevergoeding is voor de wetgever een keuze. De rentevergoeding in het wetsvoorstel Wet compensatie wegens selectie aan de poort is namelijk in die zin ruw dat niet aangesloten wordt bij het moment van belastingbetaling maar bij het jaar waarin de aangifte is beoordeeld en het verzamelinkomen is gecorrigeerd. [29] Voor een forfaitaire rentevergoeding is gekozen met het oog op de uitvoerbaarheid. [30] Het alternatief voor maatwerk (aansluiten bij het moment van betaling) is dus confectiewerk, te weten een rentevergoeding gebaseerd op forfaitaire uitgangspunten. Ik onderken overigens wel een verschil in context: bij de box 3-hersteloperatie gaat het om veel grotere aantallen dan de FSV-compensatie (waarbij het volgens de regering naar verwachting om 3.500 gevallen gaat [31] ).
5.Belasting- en invorderingsrenteregeling
Irimie-arrest) is art. 28c IW 1990 ingevoerd, welke bepaling voorschrijft dat op verzoek wel invorderingsrente wordt vergoed bij een belastingteruggaaf die haar grondslag vindt in schending van het Unierecht (6.1-6.3). Problematisch in dit verband is de verschillende behandeling van gevallen die worden beheerst door het EU-recht en zaken die daar buiten vallen. Alleen bij gevallen die onder het EU-recht vallen wordt wel adequaat rente vergoed. Het lijkt A-G Wattel “moeilijk uit te leggen, ongeacht of men van compensatie of van verzuim uitgaat, dat maatschappelijk gelijke gevallen qua rentevergoeding zeer verschillend worden behandeld”, des te meer nu de belastingrenteregeling toch al onredelijk aan kan voelen (6.4-6.6).
6.Rechtsherstel bij schending van het EVRM
Art. 41 en Pro 46 EVRM
restitutio in integrum(volledig rechtsherstel) [51] te verschaffen en maatregelen te treffen teneinde schendingen in de toekomst te voorkomen. [52] Uit de grotekameruitspraak in de zaak
Broniowski: [53]
Maestrivan enige maanden daarvoor kent vergelijkbare overwegingen, met dien verstande dat het EHRM een overweging eraan toevoegt over de betekenis van art. 1 EVRM Pro in dit verband: [54]
Broniowskial tot uitdrukking komt, is in art. 41 EVRM Pro de mogelijkheid opgenomen voor het EHRM om een billijke genoegdoening (
just satisfaction)toe te kennen bij verdragsschending. Deze bepaling biedt aan het EHRM een discretionaire bevoegdheid om een genoegdoening te geven als vaststaat dat het EVRM is geschonden. Art. 41 EVRM Pro in de huidige vorm is ingevoerd door het 11e Protocol bij het EVRM. Eerder was een vergelijkbare bepaling opgenomen in art. 50 (oud) EVRM. [55]
practice directionuitgegeven (de Aanwijzing). De Aanwijzing licht toe hoe het EHRM art. 41 EVRM Pro toepast en aan welke voorwaarden toepassing van deze bepaling is gebonden. De Aanwijzing is weliswaar niet een rechtsbron als zodanig, maar omdat zij gebaseerd is op jurisprudentie van het EHRM, citeer ik hierna ruim uit de Aanwijzing omdat zij een goed overzicht geeft van de uitgangspunten die uit de jurisprudentie voortvloeien. Over het doel van art. 41 EVRM Pro en de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van het EHRM staat in de Aanwijzing het volgende: [56]
pecuniary damage) van belang. Schade in de vorm van rentenadeel valt onder die categorie. [57] Ik merk voor de goede orde op dat een schadevergoeding wegens rentenadeel moet worden onderscheiden van een andere rentevergoeding die het EHRM vaststelt. Dat is de rentevergoeding die het EHRM vaststelt voor het geval de verdragsstaat de billijke genoegdoening die het EHRM vaststelt, niet betaalt binnen de termijn die het EHRM vaststelt. [58] Ik laat die categorie rentevergoeding verder onbesproken.
restitutio in integrum-beginsel. [59] Dit betekent dat de situatie van de verzoeker zoveel mogelijk moet worden gebracht naar de situatie waarin de verzoeker had verkeerd zonder de verdragsschending. [60] Dit ziet niet alleen op geleden schade (
damnum emergens), maar ook op verlies of gemiste winst die in de toekomst kan worden verwacht (
lucrum cessans). Het is aan de verzoeker om de schade, als gevolg van de verdragsschending, te bewijzen; een link tussen de schade en de verdragsschending die slechts vaag of speculatief is, is onvoldoende. De Aanwijzing vermeldt over dit een en ander:
just, fair and reasonableis in het desbetreffende geval. Ook kan van belang zijn in hoeverre op nationaal niveau al een vergoeding is toegekend of anderszins rechtsherstel is geboden. Het komt mij voor dat wat in punt 12-14 wordt opgemerkt ook relevant kan zijn voor materiële schade:
dater een schending plaatsvindt, maar kan in principe niet bindend voorschrijven
hoedeze verdragsschending moet worden opgeheven. Wel vermeldt het EHRM soms welke stappen de veroordeelde staat het best kan nemen om de gevolgen van de verdragschending ongedaan te maken. [62]
Scordino-arrest: [63]
Iatridis v. Greece(just satisfaction) [GC], no. 31107/96, § 32, ECHR 2000-XI).
restitutio in integrum, it is for the respondent State to effect it, the Court having neither the power nor the practical possibility to do so itself. If, on the other hand, national law does not allow – or allows only partial – reparation to be made for the consequences of the breach, Article 41 empowers the Court to afford the injured party such satisfaction as appears to it to be appropriate (see
Brumărescu v. Romania(just satisfaction) [GC], no. 28342/95, § 20, ECHR 2001-I).”
Brumărescu-arrest waarnaar in het hiervoor (6.13) aangehaalde
Scordino-arrest wordt verwezen: [65]
restitutio in integrumkan worden geboden. (…)
Brumarescu-arrest verklaart het hof:
‘The Court reiterates that a judgment in which it finds a breach imposes on the respondent State a legal obligation to put an end to the breach and make reparation for its consequences in such a way as to restore as far as possible the situation existing before the breach. […] If the nature of the breach allows ofrestitutio in integrum
, it is for the respondent State to effect it.’Op het eerste gezicht lijkt dit te impliceren dat staten volgens het hof verplicht zijn hun nationale rechtssysteem zodanig aan te passen dat zij steeds een maximum aan
restitutio in integrumkunnen bieden. Even verderop in dit arrest lijkt het hof echter duidelijk te maken dat dit niet het geval is. De situatie dat ‘
national law does not allow – or allows only partial – reparation’ wordt daar namelijk onderkend zonder die als onrechtmatig van de hand te wijzen. Daarmee volgt het EHRM mijns inziens terecht de strekking van artikel 41 en Pro erkent het derhalve de uitzondering die ingevolge het EVRM op het volkenrechtelijke staatsaansprakelijkheidsrecht geldt. (…)
restitutio in integrum-beginsel en subsidiariteitsbeginsel.
Restitutio in integrumbetekent dat de situatie van de verzoeker zoveel mogelijk moet worden gebracht naar de situatie waarin de verzoeker zou hebben verkeerd zonder de verdragsschending (bijv. 6.9). Het subsidiariteitsbeginsel blijkt uit de formulering van art. 41 EVRM Pro: alleen in de gevallen waarin het nationale recht slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat komt een billijke genoegdoening door het EHRM in beeld. [67] Deze subsidiariteit is bijvoorbeeld ook terug te zien in het hiervoor aangehaalde oordeel van het EHRM in het
Scordino-arrest (6.13).
margin of appreciationhanteert ten aanzien van het handelen van een verdragsstaat en dat eerst de nationale rechtsbescherming uitgeput moet zijn. Dit betekent voor de toepassing van art. 41 EVRM Pro dat het EHRM rekening dient te houden met het rechtsherstel dat op nationaal niveau is geboden: [68]
De Wilde, Ooms and Versypgeoordeeld dat niet alle nationale rechtsmiddelen (zoals het starten van een civiele aansprakelijkheidszaak) hoeven te worden uitgeput om voor toepassing van de voorganger van art. 41 EVRM Pro in aanmerking te komen. [70] Hieraan lijkt (mede) ten grondslag te liggen dat het niet van een klager kan worden verlangd dat hij wacht tot wat er uit een lange, tijdrovende nationale procedure volgt. Ook de Nederlandse EHRM-zaak
Ramsahai e.a. [71] wordt in dit kader genoemd in de literatuur. [72] Tegelijkertijd zijn er ook gevallen waarin het EHRM wel een pas op de plaats maakt voor de nationale rechter, bijvoorbeeld in
Pressos Compania Naviera e.a. [73]
De Wilde, Ooms and Versyp, that if an applicant had exhausted national remedies before he went to the ECtHR, one cannot expect this applicant to file a new claim under national law to receive compensation and exhaust all national remedies again before he can sue the government under Art. 41. The Court, in other words, judged that the requirement to exhaust all national remedies does not apply to Art. 41 as Pro such. It is important to note that these criteria are very similar to the one that the Court uses in the context of the admissibility test. Indeed, for a case to be admissible with the ECtHR, the Court requires that applicants not exhaust all remedies just all effective remedies. The applicants thus do not have to exhaust all remedies but only those remedies that might offer a chance of success within a reasonable time and before an independent judge. The only difference between the general admissibility criteria and the subsidiarity requirements under Art. 41 is Pro the fact that the Court does not want the applicants to exhaust the national remedies for a second time in order to receive compensation. In one exceptional case, the Court argued that it is suitable for the compensation of a human rights violation to be awarded by a tribunal that has also judged on the merits of the case.”
restitutio in integrum-beginsel is terug te zien in het toetsingskader dat het EHRM hanteert voor de vraag of een klacht (nog) ontvankelijk is als de verdragsstaat al rechtsherstel heeft geboden voor een door het EHRM geconstateerde verdragsschending of voor een verdragsschending die de nationale rechter zelf heeft vastgesteld. Dit draait in feite om de vraag of iemand nog steeds als een
victimis te beschouwen in de zin van art. 34 EVRM Pro. In het eerdergenoemde
Scordino-arrest overweegt het EHRM: [75]
victimkwalificeert). Het rechtsherstel dat op nationaal niveau wordt geboden hoeft niet exact hetzelfde te zijn. Indien het rechtsherstel als ‘manifestly inadequate’ is te beschouwen, is een klager ontvankelijk in Straatsburg. Uit de zaak
Bako: [76]
Scordinodat een schadevergoeding op nationaal niveau in beginsel voordelen biedt die op zichzelf kunnen rechtvaardigen dat er een discrepantie bestaat tussen de op nationaal niveau toegekende vergoeding en de compensatie die het EHRM zou bieden, maar dat die vergelijking niet tot een
manifestly unreasonableverschil mag leiden. Uit deze zaak blijkt ook dat als de klager als
victimontvankelijk is, een eerder toegekende nationale remedie wel invloed kan hebben op de hoogte van de billijke genoegdoening die het EHRM toekent. Opvallend in deze zaak is overigens dat – als ik het goed zie – het totale bedrag aan compensatie, te weten de nationale compensatie plus de aanvullende compensatie die het EHRM biedt, lager is dan het bedrag aan compensatie dat het EHRM zou hebben toegekend indien er nationaal geen enkele compensatie was toegekend: [78]
Jurica/Kroatiëoordeelt het EHRM dat de ontvangen compensatie ‘not reasonable’ is in vergelijking met wat het EHRM aan ‘just satisfaction’ zou hebben toegekend: [79]
Pizzati-arrest. In dat arrest heeft het EHRM algemene regels geformuleerd voor het bepalen van de schadevergoeding bij schending van art. 6 EVRM Pro wegens overschrijding van de redelijke termijn. [84]
pecuniary damage). Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen een verhoging van de schadevergoeding wegens geldontwaarding/inflatie (vorm van
damnum emergens)en vergoeding wegens rentederving (vorm van
lucrum cessans), [85] maar dit lijkt mij een gradueel onderscheid, mede omdat rente onder meer dient ter compensatie van inflatie. In de zaak
Scordino– waarin art. 1 EP Pro EVRM was geschonden omdat onteigend was tegen een te lage vergoeding – hield het EHRM overigens niet alleen rekening met inflatie bij de bepaling van het bedrag aan schadevergoeding maar achtte het daarnaast ook een rentevergoeding geboden: [86]
Darby [90] een belangrijke rol (zie 3.4 e.v.). In deze zaak stond de vraag centraal of de klager werd gediscrimineerd ten aanzien van een in Zweden geheven
church tax. Hij kon – in tegenstelling tot andere niet-leden van de
Lutheran Church of Sweden– geen aanspraak maken op een gedeeltelijke vrijstelling, enkel op de grond dat hij niet formeel geregistreerd stond als ingezetene van Zweden. Het EHRM acht art. 14 EVRM Pro in verbinding met art. 1 EP Pro EVRM geschonden. De klager had verzocht om teruggaaf van de teveel betaalde
church taxinclusief rente, berekend aan de hand van de
Swedish Interest Act. De Zweedse overheid bestreed de claim als zodanig niet, maar stelde wel dat de
Swedish Interest Actniet van toepassing was. Het EHRM kent een schadevergoeding toe voor de teveel betaalde belasting én rente gebaseerd op de Zweedse rentestanden:
Darbyheeft wat betreft de rentevergoeding navolging gekregen in de zaak
Les Témoins de Jéhovah. Het EHRM had in de hoofdzaak de vrijheid van godsdienst geschonden geacht omdat – kort gezegd – de bestreden belastingaanslag op onvoorzienbare wijze die vrijheid had aangetast. In de schadevergoedingsprocedure acht het EHRM niet alleen restitutie van de belasting geboden maar ook vergoeding van rente vanaf het moment van betaling, in aanmerking genomen dat de renteclaim niet was betwist: [91]
Di Belmonte. De belanghebbende had na een jarenlange juridische procedure een vergoeding voor onteigening toegekend gekregen. Tussen het moment van toekenning en de betalingen was echter een wet in werking getreden die inhield dat een bronbelasting van 20% dient te worden ingehouden op onteigeningsvergoedingen. Het EHRM acht de inhouding van die bronbelasting in belanghebbendes geval in strijd met art. 1 EP Pro EVRM. In het kader van de schadevergoeding start het EHRM (par. 54) met de herhaling van zijn rechtspraak dat indien een
restitutio in integrummogelijk is gelet op de aard van de schending, de verdragsstaat de verantwoordelijkheid heeft om daaraan uitvoering te geven. Vervolgens oordeelt het EHRM (par. 55) dat een volledige teruggaaf van de geheven belasting van € 525.934 de belanghebbende brengt in de situatie zonder de schending. Het EHRM kent echter een vergoeding van € 1.100.000 toe omdat ook een rentevergoeding geboden is: [92]
Serkov(schending art. 1 EP Pro EVRM) acht het EHRM rechtsherstel niet alleen geboden in de vorm van vergoeding van de ten onrechte betaalde btw, maar kende het ook een vergoeding voor ‘inflation losses’. Het EHRM vindt die post voldoende onderbouwd, en herinnert eraan dat “that the adequacy of compensation would be diminished if it were to be paid without reference to various circumstances liable to reduce its value”. [93] Ook in de zaak
Yukos(schending art. 1 EP Pro EVRM) houdt het EHRM bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding rekening met de inflatie tussen het moment van betaling van de fiscale boeten en de vervolgingskosten en het moment van de EHRM-uitspraak. [94] In de zaak
S.C. Scut S.A.(schending art. 1 EP Pro EVRM) kent het EHRM een schadevergoeding toe, waarvan – als ik het goed zie, gelet op de cijfermatige standpunten van partijen – onderdeel is een rentevergoeding. [95]
N.K.M.-zaak over een 98%-heffing over een ontslagvergoeding, welke heffing het EHRM in strijd met art. 1 EP Pro EVRM acht. De belanghebbende had een vergoeding geclaimd van ongeveer € 8.000 aan de ingehouden belasting plus samengestelde rente, als materiële schade, en een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade. Het EHRM kent een lager totaalbedrag toe, zonder uitsplitsing. Het maakt daarbij wel duidelijk dat een volledige teruggaaf van de ingehouden belasting te gortig is omdat aannemelijk is dat bij afwezigheid van het problematische 98%-tarief de vergoeding wel belast zou zijn geweest. Uit de overweging van het EHRM kan niet worden afgeleid dat het EHRM geen plaats zag voor een rentevergoeding (als onderdeel van het totaalbedrag): [96]
geenuitspraak gevonden waarin het EHRM wel een schadevergoeding toekent in verband met de in strijd met een EVRM-recht geheven belasting maar daarbij een verzoek om rentevergoeding afwijst.
Handzhiyskibevat daarover inzichtelijke overwegingen. In die zaak was aan de belanghebbende een boete opgelegd in verband met een bepaalde gedraging. Het EHRM oordeelt dat daarmee art. 10 EVRM Pro (vrijheid van meningsuiting) was geschonden. Het EHRM acht een schadevergoeding aangewezen ter hoogte van de boete (par. 63), vermeerderd met rente. Anders dan belanghebbende had gevraagd, sluit het EHRM voor de rentevergoeding niet aan bij de Bulgaarse wettelijke (boete)renteregels. Het EHRM geeft een inhoudelijke reden waarom de wettelijke renteregels van een verdragsstaat niet leidend zijn. Die reden is dat de hoogte van een wettelijke rente mede gebaseerd kan zijn op andere overwegingen dan alleen vergoeding van waardeverlies van geld door tijdsverloop. Indien dat het geval is, zou een vergoeding op basis van de wettelijke renteregels tot ‘overcompensatie’ (vanuit het oogpunt van
restitutio in integrum) kunnen leiden. Terzijde merk ik op dat de omstandigheid dat de betrokken bedragen gering zijn (het boetebedrag was € 51; de toegekende rentevergoeding € 3,66) kennelijk geen reden was om een rentevergoeding achterwege te laten: [99]
effective remedybetrekking moet hebben op een ander, ‘materieel’, EVRM-recht. [103] Het gaat echter ook om een autonoom recht in die zin dat het artikel kan ook geschonden zijn zonder dat een schending van het desbetreffende andere materiële EVRM-recht is vastgesteld. [104] Lange tijd is art. 13 EVRM Pro een wat ondergeschoven bepaling geweest omdat het onderzoek door het EHRM vooral gericht was op de vraag of het desbetreffende materiële EVRM-recht geschonden was. Een belangrijk keerpunt in de jurisprudentie is de zaak
Kudlageweest. [105] In die zaak over schending van de redelijke termijn stelde de grote kamer van het EHRM zijn jurisprudentie bij. Opmerkingswaardig is verder dat het EHRM in zijn overwegingen over de toepassing van art. 13 EVRM Pro een verband legt met art. 1 en Pro art. 35 EVRM Pro: [106]
Kudlamaakt het belang van art. 13 EVRM Pro duidelijk tegen de achtergrond van het subsidiariteitsbeginsel. Of zoals het EHRM kernachtig in de zaak
Öneryıldızverwoordt over het doel van art. 13 EVRM Pro: [107]
Kudlanaar voren komt, gaat het er bij een effectief rechtsmiddel ook om dat indien een schending van het EVRM wordt vastgesteld, ‘adequate redress’ kan worden geboden. In de zaak
Smith & Gradyspreekt het EHRM in dat verband over “to grant appropriate relief”, met dien verstande dat art. 13 EVRM Pro niet een specifieke vorm van rechtsherstel voorschrijft. Verder overweegt het EHRM in die zaak dat verdragsstaten een
margin of appreciation [109] hebben om te voldoen aan hun verplichtingen onder art. 13 EVRM Pro: [110]
Smiths & Gradydateert weliswaar van eind vorige eeuw, maar de aangehaalde overwegingen geven de uitgangspunten nog steeds goed weer. Vergelijk ook de – door de griffie van het EHRM opgestelde –
Guide on Article 13: [111]
Guide on Article 13vermeldt over de
margin of appreciation:
7.Beschouwing deel 1: nationale wetgeving en art. 41 EVRM Pro
nietvan toepassing zijn. Vergelijk HR BNB 2013/2: [119]
restitutio in integrum. Art. 41 EVRM Pro geeft uitdrukking aan dat beginsel, maar het beginsel is ook een uitgangspunt bij de verplichting voor een verdragsstaat op grond van art. 46 EVRM Pro om zich te houden aan de einduitspraak van het EHRM in zaken waarin hij partij is (6.1). Het beginsel kan ook in verband worden gebracht met art. 1 EVRM Pro (6.2). Als een EVRM-recht is geschonden, is het immers weliswaar zo dat de verdragsstaat niet aan zijn verplichting ex art. 1 EVRM Pro heeft voldaan om de EVRM-rechten te verzekeren, maar door volledig rechtsherstel te bieden wordt de rechtsbescherming toch nog effectief. [125]
restitutio in integrumgedacht zou het voor de hand liggen dat indien reeds de nationale rechter een schending van het EVRM vaststelt, de nationale rechter volledig rechtsherstel zou moeten (kunnen) bieden. Dit zou ook passen bij het subsidiariteitsbeginsel dat een leidend principe bij het EVRM is.
restitutio in integrumtot uitgangspunt neemt, de Nederlandse wetgeving voorziet niet erin dat rente kan worden vergoed ter completering van het rechtsherstel in de vorm van een teruggaaf van inkomstenbelasting. Sterker nog, in de Nederlandse belastingrente-regelgeving is zelfs expliciet bepaald dat geen belastingrente wordt vergoed bij vermindering van de aanslag na bezwaar of een gerechtelijke procedure, en ook de strekking van art. 28b IW is dat bij een teruggaaf van belasting geen invorderingsrente wordt vergoed. Aan deze bepalingen kan niet worden voorbijgegaan op grond van een relflexwerking van art. 41 EVRM Pro (of art. 46 EVRM Pro) of het beginsel van
restitutio in integrum.
restitutio in integrummerk ik op dat bij een schending van een EVRM-recht geregeld een
restitutio in integrumniet mogelijk is wegens de aard van de schending (denk aan overschrijving van de redelijke termijn) of wegens de feitelijke of juridische situatie (zoals in sommige gevallen van een onteigening in strijd met het eigendomsrecht). In zo’n geval kan een schadevergoeding geboden zijn. In het geval van belastingheffing in strijd met het eigendomsrecht (of een andere EVRM-recht) is
restitutio in integrumals uitgangspunt wel mogelijk, ook in de betekenis van een restitutie in natura. Het ten onrechte geheven belastingbedrag kan immers gerestitueerd worden. De vraag is of enkel zo’n restitutie voldoende is. Een
restitutio in integrumkan immers ook breder worden opgevat, namelijk als herstel van de toestand die zou hebben bestaan zonder verdragsschending. In het kader van art. 41 EVRM Pro en de toekenning van vergoeding van materiële schade gaat het EHRM uit van die laatste opvatting; vgl. de Aanwijzing aangehaald in 6.9. Dit vindt ook steun in de schadevergoedingspraktijk van het EHRM in het kader van belastingzaken, waarbij – indien gevraagd – rente wordt vergoed naast een vergoeding van het belastingbedrag (6.31-6.38). Die schadevergoedingspraktijk in belastingzaken staat overigens niet op zichzelf want de uitgangspunten waarop die praktijk is gebaseerd zijn afkomstig van jurisprudentie op andere terreinen. Meer in het algemeen op rentevergoeding toegespitst: een
restitutio in integrumkan meebrengen dat een schadevergoeding wordt gegeven voor “the pecuniary loss as a result of the lapse of time” c.q. “the loss of value of money over time” (vgl. 6.39).
restitutio in integrummogelijk is, het rechtsmiddel ook tot een
restitutio in integrummoet kunnen leiden. Of negatief en meer specifiek voor de onderhavige kwestie geformuleerd: brengt de omstandigheid dat geen rente
kanworden vergoed bij teruggaaf van in strijd met het EVRM geheven belasting mee dat het recht op een
effective remedy(in zoverre) wordt geschonden?
restitutio in integrum. [130] In de literatuur is gesignaleerd dat een complicatie is dat het EHRM zeer casuïstisch te werk gaat, waardoor er geen abstracte indicatie is wanneer een rechtsmiddel voldoende is. [131] Deze casuïstische benadering houdt mede verband met het accessoire karakter van art. 13 EVRM Pro, waardoor de verplichtingen op grond van die bepaling sterk samenhangen met het ‘inhoudelijke’ EVRM-recht ter zake waarvan er een effectief rechtsmiddel moet zijn. De inhoud van de eerdergenoemde
Guide on Article 13illustreert het casuïstische karakter van de EHRM-jurisprudentie en de sterke verwevenheid tussen de verplichtingen ex art. 13 EVRM Pro en de context van het betrokken ‘inhoudelijke’ EVRM-recht.
hudoc-database de trekken heeft van het zoeken naar een speld in een hooiberg, met dien verstande dat ook nog onzeker is of die speld bestaat. Ik heb me daarom vooral ook georiënteerd op de rechtspraak genoemd in de
Guide on Article 13en in door mij geraadpleegde literatuur over art. 13 EVRM Pro. [132]
restitutio in integrum, en (ii) dat een algemeen principe van het EVRM is dat rechtsbescherming en daarmee ook rechtsherstel als uitgangspunt op nationaal niveau plaatsvindt (subsidiariteitsbeginsel). Combinatie van deze principes pleit naar mijn mening sterk voor een uitleg van (de jurisprudentie over) art. 13 EVRM Pro waarbij voor de invulling van een ‘appropriate relief’ richtinggevend is het concept van
restitutio in integrum. [135] Een nationale maatregel die eraan in de weg staat dat de rechter een schadevergoeding kan toekennen voor “the loss of value of money over time”, is in dat opzicht problematisch. Dat betekent immers dat er in zoverre “an effective remedy before a national authority” ontbreekt.
voor de wijze waaropaan de art. 13 EVRM Pro-verplichtingen wordt voldaan. [136] Dat betekent dus nog niet dat het binnen de ‘margin of appreciation’ valt om een (potentiële) reële schadepost volledig uit te sluiten van schadevergoeding.
Scordinoover de vraag of een persoon als een
victimis te beschouwen in de zin van art. 34 EVRM Pro (6.20 en verder). In die rechtspraak komt naar voren dat, kort gezegd, hoewel op nationaal niveau rechtsherstel is geboden, een persoon nog steeds een ‘victim’ van een EVRM-schending is, indien dat rechtsherstel niet voldoende is naar EHRM-maatstaven bij de toepassing van art. 41 EVRM Pro. Die rechtspraak geeft blijk van een zekere beoordelingsmarge bij een verdragsstaat ter zake van dat rechtsherstel, gelet op gebruikte termen als ‘not reasonable’ (6.23), en zelfs ‘manifestly inadequate’ (6.21) of ‘manifestly unreasonable’ (6.22). Toch ben ik niet overtuigd van dat tegenargument. Veel van die jurisprudentie heeft namelijk betrekking op immateriële schade, waarvoor kenmerkend is dat die niet goed is te kwantificeren. Verder is het weliswaar zo dat er geen verplichting is “that the domestic authorities should award the same sum by way of compensation as the Court would be likely to award under Article 41 of the Convention” (6.21), maar dit gaat over de hoogte en dit betekent nog niet dat het verenigbaar met art. 13 EVRM Pro is dat een (potentiële) materiële schadepost volledig wordt uitgesloten van (schade)vergoeding in een nationale procedure. Ik merk bovendien op dat er rechtspraak van het EHRM is waarin doorklinkt dat het EHRM ervan uitgaat dat een nationale rechter een uitspraak van het EHRM over art. 41 EVRM Pro volgt in andere vergelijkbare zaken voor de nationale rechter. [137]
restitutio in integrumgerichte
just satisfaction(6.39).
N.K.M. een tegenargument is gelegen. De onderhavige box 3-kwestie vertoont in een bepaald opzicht meer verwantschap met die zaak dan met zaken als
Darby,
Les Témoins de Jéhovah, Di Belmonteen
Serkov(6.31-6.35). In die zaken impliceerde het inhoudelijke oordeel van het EHRM namelijk dat, kort gezegd, het gehele bedrag aan belasting in strijd met een EVRM-recht was geheven. Bij de box 3-kwestie kan dat niet in zijn algemeenheid worden gezegd. Het sinds 2017 geldende box 3-stelsel kan weliswaar de uit artikel 1 EP Pro EVRM voortvloeiende proportionaliteitstoets niet doorstaan, maar dit betekent nog niet, ook niet in de gevallen waarin geheven is naar een (forfaitair bepaald) voordeel dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, dat de volledige box 3-belasting in strijd met het EVRM is geheven. Zie het Kerstarrest. In dat opzicht lijkt de box 3-kwestie meer op de zaak
N.K.M. In die zaak nam het EHRM namelijk in het kader van de toekenning van
just satisfactionin aanmerking dat aannemelijk was dat bij afwezigheid van de problematische maatregel de vergoeding wel belast zou zijn geweest (6.36). Gelet op de verwantschap met de zaak
N.K.M.is van belang dat het EHRM in die zaak een lump sum bedrag heeft toegekend als
just satisfactionzonder uitsplitsing tussen belastingbedrag, rentenadeel en immateriële schade. De vraag zou daarom kunnen rijzen of indien een belastingplichtige een teruggaaf heeft gekregen met toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3, dit bedrag wellicht zou kunnen worden gezien als zo’n lump sum bedrag. Ik meen dat dit niet het geval is. Het rechtsherstel waarin (eerst het Besluit rechtsherstel box 3 en vervolgens) de Wet rechtsherstel box 3 voorziet, is duidelijk gericht op rechtsherstel met betrekking tot de belasting als zodanig. Vergoeding van schade in de vorm van “the loss of value of money over time” kan naar mijn mening daarom niet
geacht wordenverdisconteerd te zitten in het rechtsherstel waarin de Wet rechtsherstel box 3 voorziet. De Staatssecretaris betoogt dat overigens ook niet.
Handzhiyski, besproken in 6.39.
Handzhiyskiin het kader van art. 41 EVRM Pro (zie 6.39). Voor een groot deel van de voor box 3-zaken (jaren 2017 en verder) relevante periode geldt dat de belastingrente wordt gesteld op de wettelijke rente, zij het met een ondergrens van 4% (zie 5.16-5.17). Omdat de wettelijke rente tot 1 januari 2023 lager is dan 4% (5.17), is het belastingrentepercentage van 4 in die periode dus gebaseerd op die ondergrens. Aangezien aan die ondergrens budgettaire motieven ten grondslag liggen (5.18-5.19), is dat rentepercentage in zoverre mede gebaseerd op andere overwegingen dan alleen vergoeding van waardeverlies van geld door tijdsverloop.